Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BRUIJN0013 - Ellert en Brammert

Een sage (boek), 1946

Hoofdtekst

ELLERT EN BRAMMERT

Niets dan de heide zag je, zo ver het oog reikte, een wat bolle, licht golvende vlakte, roestbruin in de herfst, een witte uitgestrektheid onder de wintersneeuw, met hier en daar de wankele spookachtige gestalten van de sombere jeneverstruiken erboven, een weelde van paars in de volle zomer, onder het diepe gegons van de bijen als de zang van een onzichtbaar orgel. Aan de horizon misschien hier en daar een bomengroep rondom een vergeten dorpje en een kerkspits fijn afstekend tegen de hemel. Zo was het midden van Drente in de tijd, toen daar nog de reuzen Ellert en Brammert huisden. Verlaten was het er, zoals er bijna geen vlakte was in ons gehele land. Bijna geen mens waagde zich er. Geen herder weidde er zijn schapen, geen iemker zette in Augustus zijn bijenkorven uit, geen koopman stak er, als het niet zeer noodzakelijk was, ter verkorting van zijn weg dwars over. Iedereen was bang voor die twee reuzen want het waren een paar woestelingen, dat kun je geloven! Ze woonden in een hol, waarvan de ingang achter hoog heidekruid was verborgen. En daar zaten ze als een paar spinnen in hun web op buit te loeren.
Op mensen loerde ze. Ze loerden op mensenbuit zoals een spin op een vlieg! En vingen ze iemand, dan brachten ze hem om, en sleepten alles wat hij bij zich had naar hun hol: koopwaren kleren en kostbaarheden. Begrijp je nu, waarom de mensen liever een grote omweg maakten dan over dit heideveld te gaan? Zo zaten die reuzen daar soms week aan week, zonder dat ze een levend wezen ontdekten. Zelfs de vogels leken hun veld wel te schuwen. En geloof nu maar niet, dat ze het heel genoeglijk hadden in dat hol. Want wel leefden ze altijd samen, wel was Brammert de vader en Ellert de zoon, maar ze konden elkander eigenlijk niet uitstaan. Ze gunden elkander om zo te zeggen het licht in de ogen niet. Je moet weten, dat ze de mensen wel ombrachten en van alles beroofden, - vooral op goud en zilver waren ze dol, want dat glinsterde zo mooi en het roestte nooit, hoe lang het ook in hun hol lag, - maar eigenlijk zochten ze toch maar naar een ding: de sleutel van het geluk. Die hoopten ze de een of andere dag nog eens bij een van hun slachtoffers te vinden. Daarvoor lagen ze bij dag en bij nacht op de loer. Daarvoor overvielen en vermoordden ze argeloze mensen. Maar daarvoor ook bedierven ze het leven van zichzelf en van elkaar. Ze vertrouweden elkander namelijk in het geheel niet en ze waren heel naijverig op elkaar. Te zamen zouden ze nooit uitgaan. Maar wel beslopen ze elkander. Ging de een naar links, dan ging de ander naar rechts, maar spoedig veranderde de laatste dan van richting en kruipend en sluipend ging hij den ander achterna. Brachten ze buit in het hol, dan vochten ze soms om een kleinigheidje als wilde honden, want kleinigheidje kon de sleutel van het geluk wel eens zijn. En het geluk wilden ze, het geluk! Daarvoor leefden ze heel ongelukkig met elkander. Soms bulderden ze zo luid tegen elkaar, dat het als een onweer over de verre dorpjes rolde. - Ellert en Brammert! zeiden de mensen dan huiverend tegen elkaar. En ze meden nog zorgvuldiger het heideveld, waar die reuzen woonden.
Maar natuurlijk, er waren ook wel mensen, die van het bestaan van Ellert en Brammert niet afwisten: vreemde kooplieden op doortocht of mensen op reis naar verre familie. O wee, als deze dan hun weg over het heideveld van de reuzen namen. Ze brachten het er meestal niet levend af. Bijna steeds vielen ze Ellert of Brammert in handen. Ook al leven ze meer dan uur lopends bij het hol vandaan, de reuzen werden steeds gewaarschuwd. Als een spin in een web zaten ze, zei ik immers reeds, En zo was het ook. Van hun hol uit hadden ze naar alle richtingen draden over de heide gespannen. Die draden liepen onzichtbaar tussen de struiken door. Je zag er niets van en als je er tegen trapte, och dan voelde je er ook haast niets van. Alleen, plotseling gebeurde het: ergens luidde een klokje op de hei, je stond stil en weg was het geluid weer. Maar nauwelijks ging je weer verder, of weer tinkten er klokjes, meerdere tegelijk. Weer hield je stil, verwonderend zoekend. Maar dan opeens, daar stormde in de verte een woeste gestalte aan, roodbruin, ruige haren fladderde om een wilde kop heen, een romp als een machtige, eeuwenoude boomstam, grote grijparmen sloegen uit, een stem donderde als een orkaan over de vlakte. Ellert of Brammert, of beiden soms! Vlucht maar niet, arme mens! Gij zijt toch verloren! De vlieg, eenmaal gevangen in het web, ontgaat de spin niet!
Eens op een dag kwam Brammert in het hol met een grote schat aan goud. Hij probeerde het nog voor Ellert te verbergen, maar Ellert liet zich niet misleiden en beloerde hem afgunstig. Geen ogenblik verloor hij Brammert uit het oog. De sleutel van het geluk was stellig van goud! O, als die sleutel eens bij Brammerts schat was! Hij sliep om beurten met het ene en met het andere oog toe, om zijn vader maar in de gaten te houden. Maar Brammert was nu eenmaal slimmer dan zijn zoon. Ellert was groter, maar Brammert was slimmer. Brammert verstopte het goud en hoe Ellert ook zocht, hij kon het nergens vinden. Sindsdien peinsde hij vaak op wraak en lag er een boos vuur in zijn ogen. Brammert bemerkte dit wel, en was dag aan dag op zijn hoede.
- Heb je de sleutel? vroeg Ellert hem eens ruw.
- Nee!
- Jawel!
Ellert trok zijn hoofd tussen zijn schouders, alsof hij zijn vader bespringen wou. Zo trekt een leeuw zich voor de sprong tezamen.
- Als ik de sleutel had, dacht je dan, dat ik hier nog bleef?
- Uh! stootte Ellert er grauwend uit. Het dreunde over de aarde.
Brammert sliep die nacht ergens achter een aardhoop. Zijn zoon was tot alles in staat.
Later bedaarde Ellert wel wat, maar het leven tussen die twee was nog ongelukkiger geworden.
Na enige tijd overviel Brammert weer een reiziger en weer bracht hij een grote schat als buit mee. Weer wist hij die te verstoppen, zonder dat Ellert kon ontdekken waar. - Ik vermoord je nog! schreeuwde de zoon tegen zijn vader.
Brammert bleef enige dagen uit zijn buurt, daarna waagde hij zich weer in het hol. Ellert sprak geen woord meer. Zijn ogen lagen diep in hun kassen, de wenkbrauwen er zwaar dreigend overheen. Brammert hoorde hem in zijn slaap aanhoudend grauwen. De mensen in Ortlerveen dachten die nacht, dat er en onweer achter de kim groeide. Maar die het dichtst bij het hol woonden, zeiden, dat Ellert en Brammert weer aan het rumoeren waren en ze kropen allen diep onder de dekens. Alleen Hillechien, de jongste dochter, lachte er wat om. Altijd weer die praatjes over die reuzen, dacht ze. - Ik zou wel eens willen weten, wat er van waar is. Geen mens heeft ze nog ooit gezien. Ik heb tenminste nog nooit gezien. Ik heb tenminste nog nooit iemand gesproken, die ze gezien heeft.
De volgende dag was het prachtig weer. Het eerste rood van de zon streek nog maar net langs de hemel, toen sloop Hillechien reeds het erf af.
- Ik wil er toch meer van weten, zei ze in zichzelf. - Ik zal niet dwars over de hei gaan, ik loop de kanten maar zo'n beetje langs. Die reuzen zijn groot genoeg. Als ze er zijn, dan zie ik ze toch wel.
Ze liep een uur, ze liep anderhalf uur. De zon rees aan een blanke hemel. Ze ging wat zitten, en at de ochtendboterham op, die ze had meegenomen. Wat was de wereld toch mooi! En wat was het heerlijk om er zo eens even uit te wezen! Ze ging op haar rug liggen en keek nar de blauwe hemel op. Als ze haar ogen dicht deed, zag ze allerlei lichtfiguurtjes tintelen. Ergens floot een vogel. Heel, heel ver weg hoorde ze een hoog geluid. Een vrouw die riep? Of....Ellert en Brammert? Ze glimlachte erom. Reuzen met zo'n hoog geluid? Reuzen in zo'n schone wereld, als waar ze nu lag? Neen, dan eerder kaboutertjes....ja, dat eerder....Toen zuchtte ze....de glimlach om haar lippen vervaagde....ze zuchtte nog eens en sliep in. Toen ze wakker werd, ja, hoe laat was het toen reeds? De zon stond hoog. Het werk wachtte thuis. Boze woorden kreeg ze liever niet van vader of moeder. Ze stond haastig op....Haar dorpje, waar lag dat nu?....Die kant uit?....Of die kant?....Neen, daarheen!....O, o, wat moest ze nog ver, en wat zouden vader en moeder ongerust zijn! En moest ze nu weer die grote omweg maken, langs de rand van het reuzenveld? Och wat, och at, reuzen! Het zou wat! Ze trok zich van de malle reuzen niets aan! Vooruit, ze stak dwars over, dat scheelde haar minstens een half uur. Dwars over de heide ging Hillechien met haastige stappen....Plotseling stond ze stil. Had ze daar een klokje in de verte horen tinken? Neen, dat moest zich maar hebben verbeeld! Kom, niet stil staan! Snel verder!....
Maar nu hoorde ze toch duidelijk weer zo iets, een helder klokgeluid, en nog eens....en nog eens! Sloeg ergens de torenklok al te middag misschien? Dan....nee dan....! ooo! Wat was dat daar?!
Haar gezicht trok bleek. Haar hart begon heftig in haar borst te kloppen.
- Moeder! riep ze vol angst. Achttien jaar was ze en nog riep ze om haar moeder. Zo greep de angst haar aan. Ze wilde hard weglopen, maar haar voeten waren als vastgenageld aan de grond. - Moeder! Moeder!
Een reus naderde, een gedrocht met een romp als een machtige, eeuwenoude boom, roodbruin. Ruige, roodbruine haren woeien hem om de wilde kop heen. O, waarom was ze zo nieuwsgierig geweest! harige grijparmen zwaaide hij door de lucht heen. Hij brulde, en een bulderend geluid rolde over de grote vlakte. - Moeder! kreet daar tegenin. - Moeder, help, help!
Weer wilde ze weglopen, docht haar benen waren zo zwaar als lood en toen ze er een optilde, klonken er weer die venijnige klokjes. En een tweede reus, nog groter en geweldiger, tuimelde achter den eersten aan.
- Ha! riep de voorste. - Haaa!
Ze kromp tandenklapperend in elkaar en dook weg russen het hoe, bloeiende kruid. - Haaa! Het was of de donder over de heide rolde. Reeds was de voorste bij haar. Ze zag grote tanden blinken in een muil als van een wild dier, vurige ogen in wrede blijheid. Toen strekte zich een klauw, die een hand was, naar haar uit en greep....
Doch nu was ook de tweede reus reeds bij haar. Een wilde, woeste schreeuw. Een andere antwoordde. De lucht daverde, zand stoof op, heideplaggen vlogen wijd en zijd de lucht in. Het was of de aarde barstte. Bevend lag Hillechien met groot-open ogen toe te zien. De reuzen vochten. Tuimelend sloegen ze over elkaar. Hun machtige armen zwaarden als molenwieken door de lucht heen, hun koppen sloegen op en neer, ze boorde hun kaken op elkander klappen. Hun adem sloeg als grauwe wolken omhoog. - Uh!! steunden ze zwaar. - Uh! Uh!
- Ik sla je kop te pletter op die stenen! brulde Ellert Brammert toe.
- Ik vermoord je. Dat meisje is voor mij, hoor je!
- Het sleuteltje heeft ze ander allang weggegooid! ging honend Brammerts antwoord. Ja, die Brammert was slim.
Ellerts kop schoot zoekend de hoogte in. Hij staakte het vechten.
- Waar? bulderde hij. Zijn grijparmen trokken razend grote pollen hei los en hij doorzocht ze haastig.
- Daar ginter! wees Brammert.
Ellert rees overeind en deed enkele stappen die richting uit. Meteen stormde Brammert op Hillechien af, hij greep haar, hief haar in de hoogte, vlak voor zijn gezicht, grijnsde voldaan en liep brullend met haar weg. Achter hem aan stormde razend van teleurstelling Ellert.
- Ellert en Brammert! zeiden de mensen in de verre dorpen, toen de donder van dit geweld tot hun doordrong. Huiverend trokken ze zich in hun huizen terug. Huiverend wachtten de ouders van Hillechien die hele dag op hun jongste dochter. Tevergeefs, ze kwam niet terug. Dagen en weken gingen voorbij, zonder dat ze terugkeerde. Toen begrepen ze, dat ze door de reuzen was gehaald en dat ze haar nooit zouden terugzien. Hun dochter was dood. Ze hadden veel verdriet, dat door de jaren nooit geheel wegstierf. Nog groter zou echter hun leed zijn geweest, als ze geweten hadden, hoe het in werkelijkheid met hun dochter was gesteld. Brammert nam haar tot vrouw. Daar had hij recht op, zei hij. Hij had haar het eerst ontdekt en haar naar het hol gebracht. Ellert was daarover vele dagen zeer nijdig en berustte tenslotte slechts mokkend.
Bij de reuzen in dit hol leefde Hillechien menig jaar. Ze werkte en kookte voor ze, ze kamde hun haren en schoor ze zo nu en dan. Ze kreeg nooit goede woorden, maar wel goed te eten. Ze werd groter en sterker. Maar geen lach kwam over haar lippen in al die tijd. Er was slecht een, die zo nu en dan lachte. Dat was Brammert. Er kwam langzamerhand een eigenaardige verandering over Brammert. Hij had nog nooit zo dicht naast een mensenkind geleefd. Hillechien was zo broos en teer bij die twee reuzen vergeleken. Brammert lachte daar soms om en schudde dan zijn hoofd, en dan was het net of er binnen in hem iets hards begon te smelten.
- Snurk niet zo! gromde hij op een nacht nijdig naar Ellert, toen hij bemerkte, dat Hillechien onrustig in haar slaap was.
- Ik zal snurken, zo hard als ik wil! grauwde Ellert.
- Als je dan maar weet, dat je met mij te doen krijgt, man!
Rauw klonken hun kijfstemmen door de nacht heen.
Op een andere keer trof Ellert midden op de dag Brammert slapend aan op de heide. Hij sliep met een zachte lach rond zijn mond. Was dat nu Brammert of was het hem niet? Ellert begreep niet de vrede, die er op zijn gezicht lag. Doch onwillekeurig kwam de gedachte in hem op: Heeft Brammert de sleutel van het geluk misschien gevonden? Heeft Hillechien hem die misschien gebracht? Boos ging hij naar zijn hol. Sindsdien was de onvree tussen zoon en vader nog groter.
Onder de aanblik van Hillechien werd echter het hart van Brammert toch langzamerhand was milder.
Zeven jaren gingen zo voorbij. Al die tijd kwelde het verlangen naar huis het meisje. Vaak stond ze in de avond bij de uitgang van het hol uit te zien naar haar dorpje. Hoe graag zou ze ontvlucht zijn! Maar ze werd te streng bewaakt en overal over de heide lagen de onzichtbare draden met de klokjes. Ze was sterk en gezond, maar haar gelaat leek wel van steen, zoals een wereld waarover nooit het licht van de zon glijdt. Geen lach kwam om haar mond, geen blijde flikkering in haar oog. Ja toch, eens gebeurde dat, doch dat was na zeven jaren. Toen gebeurde er iets wonderbaarlijks: Brammert gaf voor het eerst in zijn leven iets weg; hij vroeg niet iets, hij ga iets. Een prachtige armband nam hij, ongezien door Ellert, uit zijn goudschat weg, en die gaf hij aan Hillechien.
- Daar! zei hij.
Hillechien wou dat gestolen ding niet hebben, maar toch lachte ze voor de eerste maal na zoveel jaar. Ze schudde het hoofd, maar ga Brammert een vriendelijke glimlach. Toen liet Brammert de armband glijden in de zak van haar boezelaar, en liep weg. 's Avonds keek hij met grote, vragende ogen naar haar. Had ze de armband nog? Weer glimlachte ze. Ellert zag dit. Ellert zag ook, hoe Brammerts gelaat in die ene dag nog meer was veranderd. Hij begreep deze verandering niet, maar hij dacht: Nu heeft Brammert de sleutel stellig gevonden. Een stekende razernij ging door zijn hart. Zijn vuisten balde zich. - Sla hem nu meteen dood! zei een stem in hem. Reeds ging zijn hand naar de bijl, maar in dit ogenblik zag Brammert hem aan en hij moest die hand terug trekken, hij kon niet anders.
- Als hij dood is, dan heb jij de sleutel!
De volgende dag vond hij Brammert vlakbij het hol slapend in de hei. Scheen de zon over zijn gelaat? Neen, er stond geen zon aan de hemel. Toch knippert Ellert met de ogen. Toen keek hij scherper toe. Het sleuteltje zag hij niet, maar Brammert had het, daarvan was hij zeker.
- Dood hem! ging weer de stem.
Nu knikte Ellert en snel sloop hij naar het hol. Hij kwam terug met de bijl en een ijzeren pin. Met de bijl sloeg hij de pin dwars door Brammerts voorhoofd. Een schreeuw gaf Brammert, toen was hij dood. Ellert bukte zich meteen om het sleuteltje te zoeken. Achter zich hoorde hij echter in hetzelfde ogenblik gerucht. Klokjes klonken over de heide. Onraad!
Moeilijk kwam hij overeind. Hij keek met wazige ogen. Ging daar een gestalte over de hei? Ha, buit! Toen keek hij scherper. Een vrouw liep daar, snel vluchtend. - Hillechien! riep hij.
Meteen zette hij haar achterna, woedend de bijl zwaaiend. Hoe liep die Hillechien! Nog nooit van haar leven liep ze zo hard. Achter haar donderde de stem van Ellert. Hij naderde steeds meer. - Moeder, Moeder! riep ze. Ha, daar was Ortlerveen! Daar lag haar huis al! - Moeder! Moeder! Hillechien stortte door de open baanderdeur in huis. Gered! Amechtig zonk ze neer, Gered! O, Moeder, Moeder!
Op enige afstand bleef Ellert staan. Het bloed sprong hem van nijd uit de ogen. Zijn buit was hem ontgaan. Razende grauwen drongen uit zijn keel. Woedend smeet hij Hillechien zijn bijl na. Kon hij zelf niet meer bij haar komen, zijn bijl zou haar tenminste nog treffen. Maar het moordwerktuig trof niet, het trof de post van de deur en bleef daar zitten. Grommend wendde hij zich af en liep over de heide weer naar Brammert toe. Bij Brammert zou hij de sleutel wel vinden, dat was de hoofdzaak. Hoe hij echter ook zocht, hij vond hem niet. Niet op hem en niet in zijn nabijheid. O, die Brammert, hoe haatte hij hem in dit ogenblik! Telkens dwaalden zijn boze ogen naar het gezicht van zijn vader. Maar ook telkens sloot hij die ogen dan. Er was iets in dat gelaat, waarvoor hij de ogen moest sluiten. Er lach een glimlach van tevredenheid op, die hij niet begreep, maar die hem toch een vreemde pijn in zijn borst gaf.
Hij verzette zich tegen die pijn. Een razende drift maakte zich weer meester van hem. Zijn vader was dood, Hillechien was weg, en de sleutel van het geluk was nergens te vinden. Wanhopig wentelde hij zich in de heide om en om. Hij wroette met zijn handen in de aarde. Zand stoof op onder zijn boos gesnuif. Hij zag het en begon zij wangen bol te zetten en hij blies wolken van zand in de richting van Ortlerveen. Hij blies en blies, urenlang blies hij. Het stoof zand, het regende zand, uur na uur, de zon werd erdoor verduisterd. Hij blies tot menig huis ondergestoven was en er een grote zandhoop was verrezen. Zijn woede echter bedaarde niet. Hij begreep, dat hij niets won door dit blazen. Hij kreeg er Brammert niet door terug, en Hillechien ook niet, en de gelukssleutel was even onvindbaar als altijd. Toen hij dit begreep, gaf hij een paar nijdige grauwen, liep naar zijn hol en zocht daar een oud zwaard op, dat hij eens van een krijgsman ontnomen had, en stak dit dwars door het hart heen. Zo stierf hij in zijn hol. Buiten bij de ingang lag de dode Brammert. Drente was nu van een grote plaag verlost. Maar nog eeuwen schuwde de mensen die grote vlakte, waar zij meenden dat de beide reuzen nog vaak genoeg rondspookten. De grote heide noemden ze naar de ruwste der twee reuzen het Ellertsveld, terwijl de zandhoop, die Ellert opblies, door hen de Brammertshoop werd genoemd. De ligt tussen Odoorn en Nieuw-Borger. Je zult waarschijnlijk wel zeggen, dat die beter Ellertshoop had kunnen heten, doch dat laten we maar zo. Brammert wordt op deze manier ook nog herdacht, wat hij misschien wel een beetje verdiend heeft, om de vriendelijkheid, waarmee hij op het einde van zijn leven Hillechien nog heeft behandeld.

Onderwerp

SINAT 0965 - Schelle warnt die Räuber    SINAT 0965 - Schelle warnt die Räuber   

ATU 0965*    ATU 0965*   

Beschrijving

De heide van Drente wordt geplaagd door twee reuzen, Brammert en zijn zoon Ellert. Zijn beroven ieder persoon die het ook maar waagt om hun veld over te steken, op zoek naar de sleutel van het geluk. Zij leven in een hol en hebben draden over de heide gespannen die hen waarschuwt als er een niets vermoedende voorbijganger over het veld loopt. Beide zijn jaloers op elkanders schatten en bang dat de ander de sleutel van het geluk zal vinden.
Na een van de vele vechtpartijen van de reuzen, die in de wijde omgeving te horen was, gaat Hillechien op onderzoek uit. Ze gelooft niet in de reuzen. Onderweg valt ze in slaap en is dan te laat voor haar taken. Om tijd te besparen steekt ze het veld over, maar wordt gevangen genomen door Brammert. Deze laatste wordt na verloop van tijd verliefd op haar en het blijkt dat hij dan zijn geluk heeft gevonden,
Na zeven jaar wordt het Ellert te veel. Uit jaloersheid vermoord hij Brammert, maar Hillechien weet te ontsnappen. Boos van woede blaast hij een zandstorm over het dorp, maar realiseert zich dan dat hij alles kwijt is, Brammert, Hillechien en nog steeds heeft hij de sleutel van het geluk niet. Hij pleegt dan zelfmoord.
De heide wordt nog altijd Ellertsveld genoemd en de zandhoop Brammertshoop.

Bron

Nederlandse sagen/ Cor Bruijn. - Amsterdam: Ploegsma, 1946. p 45-53.

Commentaar

1946
Schelle warnt die Räuber & SINSAG 0161. Die Entstehung des "Stipelzeichens" & TM 2601. Hoe het dorp (de stad, heuvel, het stuk land) aan z'n naam is gekomen

Naam Overig in Tekst

Brammertshoop    Brammertshoop   

Ortlerveen    Ortlerveen   

Nieuw-Borger    Nieuw-Borger   

Ellert    Ellert   

Brammert    Brammert   

Hillechien    Hillechien   

Moeder    Moeder   

Augustus    Augustus   

Naam Locatie in Tekst

Drente    Drente   

Ellertsveld    Ellertsveld   

Odoorn    Odoorn   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20