Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

HUBKUNST20 - Folkert van Berne

Een sage (boek), 1934

Hoofdtekst

Folkert van Berne
(Anno Domini 1134)

Ridder Folkert van Berne, zoon van Wennemaar van Altforst en Vrouwe Hermingardis, bouwt zijn nieuwe burcht aan den oever der Maas, in het land van Heusden.
Over 't gladde water straalt de zon in felle, verblindende schittering. Loom kabbelen de geelblinkende golven en lekken de randen der breede rivier. Daar ruizelen de zwarte rietpluimen met droomerig gerucht, en rept er 't roerig leven van snaterend gevogelte tusschen de ondiepe kreken der aanwassen.
Reeds rijzen de muren van Folkerts machtig kasteel tot manshoogte boven den grond. Bedrijvige drukte leeft alom; van gravers, die in hun grauwe slijklaarzen gebogen staan over de spaden, en die de grachten verwijden en uitdiepen; van dragers en sjouwers, die steenen aansleepen, in manden en kruiwagens, en die eiken balken torschen op hun sterke schouders; van knechten en voerlui, die de breed-gewielde ossenwagens laden en lossen, vóór ze langzaam wegrollen onder een kruisvuur van knallende zweepslagen; van schippers en boeren, die roepend over end' weer, doende zijn met het ontschepen der vrachten, die door de zware Maaskoggen aangevoerd zijn. Breed en geduldig liggen de rivierkoggen tot rusten gedoemd, volgeladen met bouwstenen uit het land der Ardennen, en masten- en beukenstammen uit de dichte bosschen van 't Kempenland.
Als een bolwerk, hecht en sterk, zal Ridder Folkerts burcht zich verheffen in dit verschgewonnen land, onneembaar en onaantastbaar. Met welgevallen overschouwt hij de vordering der werkzaamheden; nog enkele maanden en hij zal zich hier genesteld hebben, trots de jalouzie van de Heusdens, en de Brabantsche Hertogen, en de Hollandsche Graven, ja, van wie al niet! Folkert van Berne, uit 't roemrijke huis van Cleve en Teisterbant, is vermaard op alle tournooien van Brabant, om de kracht van z'n arm, om z'n onversaagde bravoure, om z'n ridderlijke zwier. Hij telt z'n vrienden op menig kasteel in den omtrek, maar ook z'n vijanden zijn vele, die met nijd en afgunst ervaren, dat Folkerts macht en rijkdom stadig groeiende is, vooral nu hij hertrouwde met de vrome Bessela van Someren, in de Peel, die uitgestrekte goederen ten huwelijk medebracht. Vooral Herman van Heusden haat hem met een gloeienden haat als een mededinger in de macht. Maar Folkert van Berne handhaaft z'n rechten met ijzeren hand. Wel weet hij, dat hij door de partijdige vierschaar vogelvrij is verklaard, en die banvloek zal gelden volgens de oeroude rechtspreuk: 'zoover als de zon opgaat en weder ondergaat, zoover de wind waait en de regen valt en God gebied over het land heeft'.
Doch dat alles deert den ridder niet. Hij vertrouwt op de aanhankelijkheid van z'n dienstvolk en de scherpte van z'n goed zwaard. Ridder Folkert is vroolijk en welgezind, z'n donkere oogen glanzen, als hij de trouwe werkers prijst en aanmoedigend toespreekt; fier en zelfbewust glijden z'n blikken langs de lijnen van den bouw.
Daar nadert hem een man, stil, wat verlegen onder de vragende bewondering van de arbeiders, die schop en houweel even ter zijde leggen. Dat is de oude Godescalkus, een zachte en simpel mensch, die sober leefde, en altijd heel bedachtzaam sprak, als was hij bang den droom der gedachten te breken...
- 'Heer Ridder', begint Godescalkus met gedampte stem, 'ik heb wat te zeggen!' De ruige kaproen houdt hij gekneld in de bevende handen; over z'n grijze haren valt vol de glans van de zon, z'n oogen zijn kinderlijk blauw als een zomerhemel.
Folkert luistert in gespannen aandacht.
- 'Heer Ridder, dezen nacht waren we uitgegaan om de vischnetten te bewaken, die we aan de boorden der Maas hadden uitgespreid. Theobaldus was bij mij. De maan scheen wit over de wereld en de sterren gaven haar licht. We hebben geheime en wondere dingen gezien, Heer Ridder. Gods Goedheid moge u en ons beschermen! We hoorden opeens een zacht en schoon gezang, dat aanzwol en sterker werd, dan weer rustig wegdeinsde, en weerkeerde. Het klonk als de samenzang van vele, vele mannen. En uit de lichte nevel zagen we dan lichte, witte gestalten verrijzen, mannen, gehuld in wijde wollen gewaden, die in processie trokken rond de muren van den nieuwen bouw. En in den zachten schijn van de maan, zagen we andere gebouwen uit de mist opstijgen, we meenden een kerk. Dat duurde zoo een amerijken, dan was alles verdwenen; 't geluid der mannenstemmen stierf zacht, eentonig weg... Ik spreek de waarheid, Heer Ridder. Hier, Theobaldus, kan mede getuigen, en de wachter op den half-voltooiden trans van uw kasteel heeft mede alles gehoord en gezien!'
En Theobaldus, de laat en Wichard, de wachter, komen nader. Ze hebben de hand geheven om de waarachtigheid van 't vreemde nachtgezicht te bezweren.
Folkert van Berne ziet hen lang, lang in de oogen; diep wil hij lezen in den rustigen blik van den ouden Godescalkus. Dan zendt hij hen met vriendelijke woorden heen, en blijft nadenkend en ernstig, verzonken in gepeinzen. De Geest Gods waait waar hij wil; 'n lichte rimpeling vleugt over den spiegel van Folkerts ziel.

Eenige maanden, vervuld van krijgsrumoer, zijn voor Folkert voorbij gegaan. Z'n burcht is nu voltooid en heft z'n stoute tinnen hoog boven dit lage, vlakke land. Maar er is bloedig gevochten in deze laatste weken. Van alle zijden is hij belaagd door z'n vijanden, die hem z'n vaste stelling niet gunnen aan de schepenrijke Maas. De geduchte Brabantsche benden hebben geroofd en gebrand in zijn onderhoorige dorpen. En met zijn dienstmannen is hij den brandfakkel gaan werpen op de rietdaken in de gehuchten van z'n tegenstanders. Daar had de driftige krijgsroep geklonken, als hij tegen de Heusdenaren en de Hollandsche boeren optrok om weerwraak te nemen. En nog was de veete niet gezoend.
Op een dag in September- het ooft hing tusschen de blaren te rijpen - rijdt Folkert van Berne met een kleine troep door de Bommelerwaard. Hij is in volle wapenuitrusting, nergens is hij immers veilig. In gestrekten draf brengt z'n zwarte hengst hem naar z'n eigen burcht. Maar z'n wegen zijn verraden. Herman van Heusden ligt in hinderlaag langs den weg, waarop Folkert met z'n weinige getrouwen nadert. Daar springen opeens de vijanden naderbij, onder luid geschreeuw. En daar storten ze zich vol woede op de Berners. Folkert vecht met den moed der wanhoop tegen de overmacht. Rondom worden zijn trouwe gezellen uit het zadel geworpen, de zwaarden schampen op de rustingen; bloed vlekt op de paardenlijven en doorweekt de grove kolders. Ridder Folkerts zwaard danst z'n geweldigen, bliksemenden dans op de ruggen en hoofden der aanvallers; hij vecht voor zijn leven tegen de opdrommende, wilde ruiters. Van alle kanten besprongen, ziet hij geen uitweg meer; al z'n dappere mannen van wapenen zijn gedood; gewond en doodelijk vermoeid, breekt hij met geweld door de vijanden heen, en vlucht dan weg met lossen toom. Brieschend, met bloedoorschoten oogen, rent z'n hengst den weg over, hoog regent het zand achter de stormende hoeven. Met stem en knieën drijft de ridder z'n ros tot een razenden draf. Als hij maar eens thuis is, is hij veilig achter de zware muren van z'n burcht. En daar zijn z'n brave wapenmakkers, met wie hij later den dans opnieuw kan beginnen, als 't geluk weer kéért...
Maar met ontzetting bemerkt Folkert, dat z'n paard op den verkeerden weg is. Recht naar de Maas rent het dier. Geen ontkomen is meer mogelijk. Achter hem komen Heusden en zijn mannen, die hem vervolgen in woendenden galop. Zulk een prooi kunnen ze niet laten ontsnappen! Folkert hoort reeds den trappelenden cadans der paardenhoeven achter zich, hij hoort de waakschreeuw der Heusdenaars. En er is geen uitweg meer. Vóór hem de Maas, achter hem de Dood, want te fel is de bloedige ros geweest...
Folkert ziet de glanzende, gelige golven der rivier. Hij is verloren!
Dan opeens, in uiterste doodsnood, schiet een gedachte door zijn hoofd.
Moeder Maria! Moeder Maria!
En hij belooft de Moeder Gods een klooster haar ter eere te stichten, als hij ontkomt aan dit doodsgevaar.
Dan ploft hij met z'n ros het water in, dat bruischend opspat in vlokken schuim. Zwaar is z'n wapenuitrusting, doodvermoeid is de hengst na een heeten dag; snuivend en brieschend, heft het dier den kop met de zwarte manen boven de ruischende golven, die 't stuk slaat met de krachtige pooten. Maar Ridder Folkert is 't opeeens of een weldoende koelte hem overschaduwt, of een zachte hand hem zegenend over 't voorhoofd daalt. Hij voelt opeens, in heldere zekerheid, dat z'n leven behouden blijft. Maria's genade heeft hem beschermd. Ongedeerd brengt z'n paard hem aan den oever.
Wel een wondere gunst was hem geschied! Want de dienstmannen van Heusden hebben het aanschouwd, allen, die daar stonden in verbazing aan den oever der Maas, en hun getuigenis is overgeleverd door de annalen-schrijvers, die 't feit opteekenden in simpele woorden en schoonen eenvoud.
'En de lieden van den Heer van Heusden zagen hoe achter op het paard van den zwaargewapenden ridder de heilige Maeget Maria sat, gekleet in hemelsblau, dewelcke, doen hij naeder aen lant quam geswommen en nu buyten perykel grond hadde, verdween.'

Het staan beschreven in de oude vergeelde kronieken der , Praemonstratenser-abdij van Berne, van Heeswijk, dat Ridder Folkert z'n machtig kasteel afstond om het te herscheppen in een klooster, waar 't koorgebed der monniken zou opstijgen als een eeuwige lofprijzing Gods. En gedreven door den Heiligen Geest, is hij zelve komen aankloppen aan de gastvrije poort van de jonge abdij, om als leekebroeder een streng verstorven leven te leiden. En toen heeft Onze Lieve Vrouw van Berne hem op den 12en April van 't jaar Onzes Heeren 1149 na jaren van boete door een heiligen dood in Haar schoonen hemel gevoerd.

Beschrijving

Ridder Folkert heeft opdracht gegeven een nieuwe burcht te bouwen. Op een nacht horen zijn werklieden mannen zingen. Uit lichte nevel zien zij witte gestalten opdoemen, evenals een kerk. Enige maanden komt Ridder Folkert met zijn mannen in een hinderlaag terecht. Folkert weet op zijn paard te ontkomen, de achtervolgers zitten hem op de hielen. Op een gegeven moment kan hij geen kant meer op, alleen nog de rivier de Maas in. Dan roept hij Maria aan, en belooft dat als hij dit overleefd, hij een klooster zal stichten ter ere van de Heilige Maagd. Folkert bereikt veilig de overkant en hij laat zijn nieuwe bucht ombouwen tot klooster.

Bron

Hub. Kunst. Brabantsche sagen: aan de boeren van Brabant, die nog de sagen van hun land bewaren. Turnhout, 1934. p. 117-125

Commentaar

1934

Naam Overig in Tekst

Folkert van Berne    Folkert van Berne   

Wennemaar van Altforst    Wennemaar van Altforst   

Vrouwe Hermingardis    Vrouwe Hermingardis   

Teisterbant    Teisterbant   

Bessela van Someren    Bessela van Someren   

Peel    Peel   

Herman van Heusden    Herman van Heusden   

Maria    Maria   

God    God   

Godescalkus    Godescalkus   

Theobaldus    Theobaldus   

Wichard    Wichard   

Praemonstratenser    Praemonstratenser   

Onze Lieve Vrouw    Onze Lieve Vrouw   

Falco    Falco   

Naam Locatie in Tekst

Brabant    Brabant   

Maas    Maas   

Heusden    Heusden   

Ardennen    Ardennen   

Kempen    Kempen   

Holland    Holland   

Cleve    Cleve   

Heeswijk    Heeswijk   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20