Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

FRANKE028 - Zaad-fooien

Een sage (boek), 1934

Hoofdtekst

Zaad-fooien

"Johannes de Hamer ratione officio, eischer contra Michiel Brederoede gedaagde; alzoo den gedaagde hem heeft verstout op den 11 Juli 1680 tot Jan Klaassen in de saet-fooije zijnde, zonder de minste reden maar zeer moedwillig een mes te trekken op Stoffel Willemse, landmeter, en hem zijn linkerarm kwetsende, zoodat hij daarover te meesteren (heelkundige hulp inroepen) moet gaan," enz. De beklaagde werd veroordeeld tot ƒ 15 boete.*
Nademaal in deze aanklacht tegen Brederoede gesproken wordt van de zaad-fooi, geven wij daarover de volgende opmerkingen.
Daar in de laatste twintig jaren de raapolie als lichtgevende stof, door het toenemend gebruik van petroleum bijna geheel is vervangen, is ook het verbouwen van koolzaad veel verminderd en dreigt, het daarmede in verband staande zaaddorschen en vooral ook het fooijen of de afscheidsmaaltijd na het dorschen, reeds van ouds gebruikelijk, gaandeweg geheel te zullen verdwijnen. Het is daarom dat wij hier beproeven eene beschrijving van een en ander te geven, zoals zulks sinds overoude tijden alhier heeft plaats gehad.

Zaaddorschen.
De rijpe koolzaadstruiken afgesneden, van tijd tot tijd gewend en goed droog zijnde, worden omtrent het midden van de maand Juli gedorscht en wel op het opene veld.
Eenige mannen maken door het op zijde leggen van eenige zaadstruiken, eene ruimte op het land van ongeveer tachtig vierkante meter gereed, waarop een zeil van zwaar linnen, het zaadzeil, wordt opengespreid. Men noemt dit den zaadvloer of zaaddenne. Hebben nu niet alle landbouwers zulk een zaadzeil in eigendom, dan bezitten zij dit in gemeenschap met anderen of huren er een bij den dag. Onderwijl deze zaadvloer wordt in orde gebracht, rijdt een der knechts met een open boerenwagen naar het dorp om het werkvolk af te halen en 's avonds brengt men die luidjes, veelal zingende en juichende, dan na gedanen arbeid weder thuis.
Wanneer nu de dauw voor de warmte der morgenzon in damp is opgegaan en de zaadpeulen tot openspringens hard en droog zijn wordt met het dorschen een aanvang gemaakt.
Daartoe zijn twintig werklieden noodig, namelijk tien mannen een een gelijk aantal vrouwen, hieronder begrepen ook de arbeiders van de buren ter hulp geroepen, men gaat daarbij op de volgende wijze te werk. - Twee vrouwen, de inleggers, nemen zooveel genoeg is, zaadstuiken op en leggen die in een zeil of kleed van linnen, door twee andere vrouwen, de draagsters genoemd, gereed gehouden en door deze naar den zaadvloer gedragen en daarop nedergelegd of uitgestort. Op deze wijze zijn voortdurend zes draagsters bezig om af en toe volle vrachten aan te brengen. Deze zaadstruiken worden vervolgens door twee andere vrouwen, de aanlegsters, op den zaadvloer uitgespreid, terwijl vier mannen "de dorschers" - met hunne vlegels gereed staan dit onmiddellijk te dorschen. Door een der mannen, de pluimgraaf of ook wel hengstboer genoemd, worden met een lange stok of pers de struiken nog eens ter juister tijd gekeerd, die daarna als ledige zaadstroo tot bossen gebonden en van den vloer verwijderd worden. Dewijl het dorschen een zwaar werk is, zijn er acht personen daarvoor aanwezig, die bij beurten vier aan vier dorschen. Van de vier niet dorschende binden er twee "de binders" het zaadstroo in bossen samen, terwijl de twee anderen "de boeren" genoemd, de ledige peulen met rijven of harken van het midden van het zeil verwijderen naar één hoek, waar die peulen nog eens door een ander ter dege uit het zaad worden geschud en buiten het zaadzeil op een hoop geworpen. De dorschers maken op het dorschzeil als het ware al dorschende eenen ommegang, slaande met de vlegels steeds in regelmaat om beurten op de struiken. Deze regelmaat van vieren verandert, zoodra er geroepen wordt "bier en jenever", ten blijke dat honderd banden tot het binden van zaadstroo zijn verbruikt, want alsdan slaan de vier dorschers twee aan twee, om weldra te eindigen, alle vier tegelijk slaande. Alsnu staat alle werk voor een poos stil en wordt een glaasje Schiedammer of bier door allen gebruikt, soms ook stroopjenever uit een kom.
Nu worden de eerste dorschers afgelost en door de vier anderen vervangen. Ongeveer 1200 banden worden per dag afgedorscht, dus ook evenzeer 12 maal bier en jenever aangeboden. Met half schafttijd wordt van de hofstede de warme koffie gebracht en daarbij door het werkvolk een boterham genuttigd, dien zij zelve hebben medegebracht. - Zijn nu al de zaadstruiken in de nabijheid van de zaadvloer afgedorscht, dan legt men wederom op een ander gedeelte van het land een nieuwen zaadvloer aan en herhaalt dit zoo dikwijls tot de geheele blok, dat is de geheele partij koolzaad is uitgedorscht. Telkens bij het verleggen van den vloer wordt het zaad in zakken geschept, op den wagen geladen en naar de schuur gebracht om verder schoongemaakt en door den windmolen of de wan van het stof gezuiverd te worden. Is nu eindelijk al het koolzaad van het loopende jaar afgedorscht en wordt het laatste zaad in zakken op den wagen geladen, dan komen 2 arbeidersvrouwen met de meije, die reeds op vorige avonden door de zaaddraagsters in stilte is gereed gemaakt, te voorschijn.
Deze meije of mei bestaat uit een wilgen loovertak of liever gaffel, waarvan de topeinden aan elkaar gebonden zijn en daardoor een langwerpige ronde of eivormige gedaante heeft verkregen. De zijtakken zijn met geel gekleurd papier omwonden en hier en daar met rood papieren kroontjes bezet, terwijl in het midden van den boog een fraaie kroon hangt. Ook mogen een paar gevulde zaadstruikjes ter weerszijden van de mei niet ontbreken. Nadat door de meisjes aan al de mannen en vrouwen kroontjes op de borst zijn gehecht, wordt door de twee bovengenoemde vrouwen deze mei driemaal rondom den zaadvloer gedragen, waarbij haar de andere vrouwen en ook de mannen met hun gereedschap op den schouder, allen twee aan twee, volgen. Dan plaatsen de vrouwen met de mei hierbij zich voor den baas en dreunen het volgend kreupeldicht op:

"Baas! hier heb-je nu het laatste van je zaad, (hierbij op twee gevulde struikjes wijzende)
" 't Is te hopen het in het volgend jaar weer zoo gaat,
"Hier hebt je een meije niet hoog van waarde
"Zij is gesproten uit deze aarde
" 't Is een meije zeer vigelant, (zorgvuldig)
"Afgesneden al uit de kant, (slootkant)
" 't Is een meije van veel takken,
"Met de wensch van vele zakken.
"Alle zakken vol en rond,
"Iedre zak van prijs twee pond. (Vlaamsch pond gelijk ƒ 6,00)
" 't Is een meije van geel en groen.
"Ons is het om de fooije te doen,
"Niet alleen van bier en wijn,
"Maar ook om gesuikerde brandewijn."

Een algemeen hoera! is het antwoord op deze wensch. De mannen echter, naar het schijnt, nog niet volkomen tevreden, willen hier nog wat aan toevoegen. Althans een van hen, die zoo wat voor een grappenmaker wil doorgaan, springt boven op de hoop zaadstroo, plaatst daarin een groven groenen tak met een enkel kroontje voorzien, wat ook een meije moet verbeelden, waarover hij door de vrouwen en meisjes wel wat wordt geplaagd en uitgejouwd. In 't minst daardoor niet ontmoedigd, houdt hij met één van de benedenstaande mannen, van zijn hooge standplaats de volgende tweespraak en roept:

"Daar komt de man" (En het medewoord luidt:)
"Wat heeft hij an?" (En daarop:)
"Grijs, gras, grauw,
"Van allerhande blauw.
"Wij krijgen nu nog brood met ham,
"Van 't krentenbrood een boterham.
"Daarbij een bosje droge visch,
"Wat zeker daar wel goed bij is.
"Ook lange pijpen en tabak,
"Een fooitje geld nog in den zak."

Hierop volgt een luid en driewerf herhaald hoera! Intusschen zijn de knechts met de wagen gekomen, het laatste gedorschte zaad wordt in zakken opgeladen, en terwijl de twee vrouwen met de meije op deze zakken plaats nemen, wordt de tocht naar de hofstede aangevangen. Aldaar aangekomen, gaan de twee vrouwen met hunne mei naar de deur van het woonhuis, waar de vrouwe (de boerin) verschijnt, die dan op dezelfde wijze als de baas op het zeil wordt gelukgewenscht. "Vrouwe hier heb je nu het laatste van je zaad" enz. Waarop de vrouwe eene kom met brandewijn en suiker presenteerd. In dien brandewijn drijven eenige zoutebolletjes, waarvan de beteekenis ons onbekend is. Eerst drinken de vrouwen door middel van een lepel uit die kom met brandewijn en daarna de mannen, waarna men zich tot een gemeenschappelijken maaltijd vereenigt. Hiertoe is een tafel, samengesteld uit een paar planken en schragen, onder de boomen op het erf, heel landelijk aangerecht. Het maal is eenvoudig en bestaat meestal uit koffie en brood met ham, daarna boterhammen van krenten- of wittebrood met een stukje kaas. Na den maaltijd wordt nog een slokje brandewijn aangeboden, waarna de mannen, als weleer de groote heeren, uit lange Goudsche pijpen al rondwandelend hun tabak rooken. De avond wordt verder feestelijk doorgebracht en zingende keert met huiswaarts, nadat allen nog een giftje in geld is overhandigd.

Nieuw- en St. Joosland.
A. Walraven
F.P. Polderdijk

* Aanteekening uit het Schepenregister van St. Joosland.

Beschrijving

Over zaaddorsen en zaad-fooien. Rond de helft van de 19de eeuw dreigde het verbouwen van koolzaad en het gebruik van raapolie door het toenemend gebruik van petroleum te verdwijnen. Daarom heeft men deze arbeid beschreven. Het zaaddorsen, de rituelen daaromheen, tot en met de zaad-fooien die men op het eind kreeg.

Bron

Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 56-61.

Commentaar

1934
Bron: A. Walraven, F.P. Polderdijk

Naam Overig in Tekst

Johannes de Hamer    Johannes de Hamer   

Michiel Brederoede    Michiel Brederoede   

Jan Klaassen    Jan Klaassen   

Stoffel Willemse    Stoffel Willemse   

Brederoede    Brederoede   

Schiedammer    Schiedammer   

Goudse    Goudse   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20