Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CAPPE03 - DE ANANSITORI EN HET BIJGELOOF

Een sage (tijdschriftartikel), van vrijdag 01 juli 1904 t/m zaterdag 31 december 1904

Hoofdtekst

DE ANANSITORI EN HET BIJGELOOF.

[…]

Eens op een Zondag, den dag waarop men zich nog al eens verveelt, wilde ik den tijd trachten te dooden, door naar een gelegenheid te zoeken, om eenige anansitori op te doen.
Ik noodigde daartoe eenige gouddelvers ten mijnent uit en wachtte op een geschikt oogenblik, het verzoek tot hen te richten, mij eenige anansitori te willen vertellen. "Voor de mooiste" zei ik, "heb ik wel wat sigaren over."
De heeren lachten uit volle borst, en vroegen mij: Wo! taki anansitori dei bigibigi? Ka! (Wat! Anansitori op klaarlichten dag vertellen?)
Wel, waarom niet? vroeg ik, waarop een hunner antwoordde: "ge weet toch, dat anansitori niet ieder oogenblik mogen verteld worden, en vooral nooit bij dag; hij die er zich niet aan houdt, moet zich een ooghaar uittrekken."
"Och kom," sprak ik tot een der gouddelvers, "je kent er een massa, dat weet ik." "Dat is waar," was zijn antwoord, "doch op dit oogenblik mag ik er geen enkele vertellen, want Kerki sidon kaba (de kerk is al aan). "Van daag is het een dag, om te zingen en vroolijk te zijn."
"Wel man, wees toch niet dom," zoo drong ik aan, "vertel mij er eenigen; dan geef ik je sigaren," doch de man antwoordde mij niet en vertrok. Een der overigen zuchtte en sloeg zijne blikken naar boven.
Ik vroeg hem, wat dat beteekenen moest, waarop hij met neêrgeslagen oogen en met een zachte stem antwoordde:
"Masra, joe a no wan pikien, joe na kankan Sranam krioro, en joe sabi srefi sani anansitori wanni taki." (Mijnheer, ge zijt geen kind meer, ge zijt een Surinaamsche creool, en weet heel goed, wat anansitori zeggen willen).
"Wat zijt ge," hervatte ik, "Roomsch-katholiek of Hernhutter?" waarop hij antwoordde: "Arnitri" (van de morarische broedergemeente).
"En je bent toch nog zoo bijgeloovig, en wilt geen anansitori vertellen, "foei man schaam je wat" zoo kon ik niet nalaten hem toe te roepen.
Ik vroeg hem daarop, om welke reden men toch geen anansitori bij dag wil vertellen, en waarom, als er gevraagd wordt: "vertel een anansitori," men steeds ten antwoord krijgt: "mi no sabi" (ik ken er geen).
Meneer de gouddelver stond op en vroeg mij op eenigzins heftigen toon of ik dan niet wist dat de skietnis of de anansitori tooverij is?
Eenige mijner vrienden, die bij het gesprek tegenwoordig waren, konden zich niet inhouden, en schaterden het uit, waarop de gouddelver vertrekken wilde.
"Wordt toch niet boos, vriend," begon ik weer, "het is toch maar gekheid." "Ja maar ik word door jelui uitgelachen, en jelui denkt dat ik lieg," zoo begon de gouddelver weêr, "om u de waarheid te zeggen, anansitori zijn dingen, die niet maar zoo gesrpoken worden en die in een sterfhuis thuis hooren, niet bij ons op dit oogenblik. Ge weet toch, dat als iemand begraven is, des avonds dede hoso gehouden wordt en er gezongen wordt, en dat daarna eerst verteld wordt van de daden der spin."
"Om die zelfde anansitori," zoo ging hij voort, "heb ik een man eens een pak slaag willen geven." Luister:
Ik was eens in een sterfhuis en begon eenige pittige anansitori te vertellen, toen een onverzochte gast mij telkens in de rede viel. Ik vertelde er een van anansi, die de bakroe [boze geest] genezen had, toen die snapper mij toeriep: "je liegt vent." Ik deed alsof ik het niet hoorde, en ging verder. Doch al weêr viel de man mij in de rede; ja hij begon mij te sarren, zeggende: joe no de taki na tori boen (Je vertelt het niet, zooals het wezen moet). Ik kookte inwendig, meneer, en gaf hem geen antwoord, want dat was hij niet waard! U moet weten, hij behoorde tot de dede hoso aratta (sterfhuisratten).
Toen ik eindelijk zoover met het verhaal gevorderd was, dat de bakroe door anansi genezen was, viel de vent me al weder in de rede, zeggende: "ik kan me niet begrijpen, hoe jelui je door dien man voor den gek kunnen laten houden, weet je dan niet, dat hij u maar wat zit voor te liegen."
Toen ik het woord liegen hoorde, kon ik me niet meer inhouden; ik stond op en gaf hem een muilpeer, die zóó hard aankwam, dat hij onderste boven op den grond tuimelde. De overige gasten hadden er echter pleizier in, dat die dedde hoso aratta mij eens aan de kaak stelde; ze waren niet tot bedaren te krijgen, totdat een hunner opmerkte: "je moet niet driftig worden, dat is juist de pret, te a de koti na tori (wanneer hij u in de rede valt). De gasten trachtten de dedde hoso aratta te kalmeeren, waarop deze het woord nam en ook een anansitori begon te vertellen. Hem mocht echter niemand in de rede vallen. Ik keek hem strak aan, en raad eens wat hij mij durfde te zeggen: jij mag naar mijn mond kijken, maar jou mondje moet je houden, vriend, want anansitori moet je nog gaan leeren."
Joe si, fa joe de soekoe mi nanga trobi (zie je nu, hoe je ruzie met mij zoekt), riep ik, doch hij vertelde door en a de koti ado nomo na mi tappoe (schimpte voortdurend op mij).
"Weet je wat," riep ik, "als je hier gekomen bent, om mij weg te jagen, dan heb je het maar te zeggen, dan zal ik gaan." "Hari hoedoe, hari hoedoe!" 10) (ga je gang) riep hij uit.
Toen sprong ik voor de tweede maal op, en gaf hem een zóó harden mep, dat hij met zijn koffie en beschuiten op den grond tuimelde. Voor de tweede maal sloeg ik een mal figuur, want de gasten hadden pleizier en lachtten mij uit.
"Van dien dag af," zoo eindigde de gouddelver, "heb ik besloten nooit meer anansitori te vertellen, omdat zij mij een ongeluk zouden kunnen bezorgen. Is u het niet met mij eens"? vroeg hij mij. Ik zuchtte, gaf den man twee sigaren, en o wonder! toen kwam hij los en begon mij door tal van voorbeelden, op het gevaar te wijzen, waaraan men zich door het vertellen van anansitori blootstelt.
Hij vertelde mij o.a. dat hij, sedert hij die klappen in het sterfhuis had uitgedeeld, pijn aan zijn arm gekregen had en niet zoo goed meer werken kon. "Die man moet bepaald een takroe koti (gevaarlijke inenting) gehad hebben," zoo ging hij voort, "want door hem ben ik ziek geworden, en sukkel ik voortdurend." "Daarom meneer, geloof mij, waar ik ook ben, als er anansitori verteld worden, ga ik heen, want steeds mi han de kisi anansi (krijg ik krampen in mijn arm) en pikien masra (jongeheer) als ik u een raad mag geven, dan is het deze: hoor ze ook niet aan, want dat zijn dingen, die den mensch kwaad kunnen doen." [noot: We zien het, anansi heeft veel op haar geweten; als iemands been slaapt zegt de neger: mi foetoe kisi anansi (de spin krijgt mijn been te pakken) en als een kind zijn bed gewaterd heeft, heet het: anansi koli hem (de spin heeft hem (haar) gefopt).]
Onder het gesprek kwam onze waschvrouw binnen, die ik als nog veel bijgelooviger dan de gouddelver had leeren kennen. Zij was ter kerke geweest, en na ons gegroet te hebben, kwam ze bij ons zitten. Doch niet zoodra had zij vernomen, over welk onderwerp wij het hadden, of ze wilde opstaan, en heengaan.
Maar toen ze pogingen daartoe deed, schreeuwde zij: mi foetoe kisi anansi, (mijn been slaapt) ik kan niet, en mij met een woedenden blik aanziende, zeide zij: ma pikien masra, na Gado dei joe sa taki anansi-tori. (Maar jongeheer, op Gods heiligen dag gaat ge anansitori vertellen!)
Mijn zuster, die ook tegenwoordig was, had schik in den angst harer oude waschvrouw en kon niet laten te zeggen: mijn tijd [noot: Een stopwoord van negerinnen] wasje, ik ben blij, dat anansi je te pakken heeft.
Eenigen tijd daarna stond de vrouw op en ging zich verkleeden, onder het zingen van een lied. De gouddelver scheen ook schik te hebben in het geval en begon haar uit te lachen. "Jij kent Gods weg niet," schold de vrouw, "anders zou jij, zoo'n oude kerel, je zondag niet bederven met die dwaasheden." "Die vrouw is gek," riep toen de gouddelver, waarop een algemeene scheldpartij volgde en de vrouw den gouddelver voor azeman [noot: Een heks, die, volgens het geloof der negers, des nachts in lichtenden gloed rondwaart, om den menschen het bloed af te zuigen] leba [boze geest] en meer dergelijke liefelijkheden uitmaakte.
Ik weêrhield den gouddelver, die woedend was opgestoven, en wasje, die boos naar boven was geloopen, kwam kort daarna even woedend beneden, mij toeroepende, dat ik haar den Zondag bedorven had; doch ik had nog niet genoeg, want ook de gouddelver, angstig geworden door de op hem gerichte vurige blikken der vrouw, kwam mij weder die verwenschte anansitori verwijten, er bijvoegende, dat de vrouw een azeman moest zijn, getuige hare roode oogen en hare naar den grond gerichte teenen.
De gouddelver was geheel van streek, en vervolgde: "heb ik u straks niet het gebeurde met dien dede hoso aratta verteld, en nu schijnt het zich te zullen repeteeren, maar Gode zij dank, dat Hij mijne driften heeft doen stillen, anders had ik de vrouw geslagen en na so soema de dede nanga leigi bere" (zoo zou men onschuldig sterven).
"Heb ik nu geen gelijk," sprak de gouddelver, "dat ik geen anansitori wil vertellen, u ziet er nu zelf de gevolgen van."
"Je bent driftig," antwoordde ik, "anansitori zijn immers slechts sprookjes, die door de Afrikanen en hunne kinderen vervaardigd zijn en die hier al 2 à 300 jaar bestaan."
"Ja, maar meneer," begon weêr de gouddelver, "de Afrikanen waren ook niet gedoopt en er waren toen nog geen kerken. Ze wisten van niets en ze deden ook kwaad. Zij hebben de Bakroes, de Azemans, de Afreketes of de Lebas ingevoerd."
"Zeg mij eens," vroeg ik hem, "wat een Azeman is."
"Hm," zuchte hij, "meneer, een Azeman is een mensch, die de gedaante van een neger kan aannemen."
"Dat is het niet, wat ik bedoel," zeide ik weêr, "je moet er mij eens een beschrijven."
Meneer, joe no moe haksi alla sanni so fini-fini en joe wani go dipi nanga mi, (meneer u moet alles zoo niet uitvorschen, u gaat te ver met mij) merkte de goudddelver op. Doch toen hij zag, dat ik niet tevreden was, zeide hij: "de meeste oude menschen (negers), die roode oogen hebben en naar den grond gerichte teenen, behoorden tot die klasse. Een Azeman voedt zich met menschenbloed. Hij of zij - want mannen zoowel als vrouwen doen het - bezit de kunst, om het lichaam van het vel te ontdoen en daardoor de macht van een jorka [geest, spook] te verkrijgen, gesloten huizen binnen te treden en den menschen bloed uit te zuigen. Is het bloed bitter, dan braakt de Azeman het weêr uit, doch smaakt het, dan gaat hij voort met zuigen, totdat de persoon sterft."
De waschvrouw stond op, met aandacht luisterend en toen ik vroeg, hoe men kan weten, dat er een Azeman in de buurt is antwoordde de vrome waschvrouw: Hm, we a no de koti brau faja; mi ben si wan na srafoe tem na pranasi a ben de kom driengi basia Kofi [Vrijdag] wefie (Hm, wel niet aan zijn blauw flikkerend licht; in den slavenstand heb ik er een gezien, die de vrouw van den bastiaan Kofi kwam uitzuigen).
Wé, datti a no noti jete, bakra kondre, bakra srefie kan taki (wel, dat is nog niets, de blanken kunnen het getuigen), voegde zij er bij.
"Ik ging het bosch in, en daar trok er een de rivier over vóór plantage de Morgenstond; hij begon ons uit te schelden en wij hem ook. Die zelfde Azeman is toen gevangen genomen in de Boven-Commewijne door de Piai-ingies, (Indiaansche priesters). Ik kan mij nog heel goed uit mijn jeugd herinneren, dat er een op plantage Brouwerslust gevangen genomen werd. Sani de" (er bestaan verborgenheden) voegde zij er bij.
Ik vroeg toen op mijn beurt, hoe een Azeman gevangen kan worden, als hij de gedaante van een geest kan aannemen, en de kunst bezit een gesloten huis binnen te gaan, zonder een deur of een raam te openen, dan de menschen uit te zuigen en weêr te vertrekken, zonder dat iemand iets er van bemerkt of voelt.
"Wel," zei de vrouw, "de Azeman verdooft de plek met zijn lippen en zuigt daarna het bloed uit. De tong van zoo'n Azeman is als chloroform, meneer!"
"Maar ik wil weten hoe men hem vangt," vroeg ik weêr.
"Wel, die kunst bezitten de Indianen doch ook negers," zei de gouddelver. "Ik heb genhoord, dat men hem vangt met rauwe rijst; daar waar hij gewoon is te komen, loert men op hem, nadat rijst of ook wel abonjera (sesamzaad) achter de deur is neergelegd. De Azeman, kan dan niet verder, en begint de korrels stuk voor stuk op te pikken. Doch door hetgeen men bij de korrels heeft neêrgelegd, zooals de nagels van de Mangro-uil vallen de korrel weêr neer, zoodat de Azeman tot aan het aanbreken van den dag blijft doorpikken.
Dan echter is zijn lot beslist, want zoodra het zonlicht op hem schijnt, valt hij dood neêr."
Ook de waschvrouw mengde zich weêr in het gesprek en wist nog andere manieren te vertellen, waarmee men den Azeman in handen kan krijgen, allemaal herinneringen uit haar jeugd, toen zij als slavin op een plantage werkte, en er rare dingen gebeurden.
Ik luisterde met aandacht, en, toen zij uitgesproken had, riep ik uit: "ben jij nu de waschvrouw, die geen anansitori wil vertellen"?
Des avonds kwam de gouddelver ons weêr bezoeken. Het gesprek kwam al weder op de geheimzinnige wereld, want nauwelijks gezeten, begon de man te vertellen van de bakroe, een gevaarlijk element, op een mensch gelijkende.
"De bakroe bezit de macht om zich in het binnenste van een mensch te nestelen. Is hij eenmaal binnengedrongen, dan is er geen professor noch arts ter wereld, die hem er uit weet te krijgen; alleen de datra of de wintiman is er toe in staat.
De datra behandelt zijn patient op een zeer vreemde wijze; hij gaat op een tobbe met water zitten, ondergaat een bad en wordt dan door zijn assistenten met een prasara-sisibi (bezem van den vruchttros van den piuapalm vervaardigd) afgeranseld. De wintiman geraakt in een abnormalen toestand, spreekt Indiaansch, Afrikaansch en de taal der boozen.
Is de patient genezen, dan moeten nog eenige formulieren plaats vinden, zooals het betalen van wegen en paden (offeren)."
"Maar," zoo viel de waschvrouw weêr in de rede, "ik heb wel eens gehoord, dat er ook koproe bakroe bestaan, die niet zoo gemakkelijk te verwijderen zijn, daar deze listiger zijn dan de datra zelf. Alleen een Indiaansche piai-man kan hem wegkrijgen.
Er komen ook onbeheerde bakroes voor, verzekerde zij, en deze houden verblijf in trenzen [noot: Vaarten en kanalen voor de afwatering en voor het vervoer door en om plantages] of ook wel in groote boomen, die op een kruispunt van wegen (spaanhoekoe) staan, zoodat ik bang ben 's avonds alleen te loopen."
"Tot de zelfde familie," begon de gouddelver weêr, "behoort ook de Leba meneer, maar daar kan ik u niet veel van vertellen, daar deze schijnt uit te sterven, hetgeen niet met de bakroe het geval is.,,
De Leba is een mensch, die vol met schurft en ongedierte zit en in lompen gehuld is; u zoudt hem niet kunnen herkennen omdat hij op een mensch gelijkt."
"Dat kan niet zijn," merkte de waschvrouw op, "de Leba is een soort Jorka; des nachts om 12 uur zijn er te vinden op Spaanhoekoe. Raakt de Leba iemand aan, dan gaat diens ziekte op hem over. Masra, sani de! (meneer er bestaan dingen!). De blanken weten het heel goed, maar ze spreken het tegen, om de menschen er niet aan te doen gelooven."
Later vroeg ik aan verschillende inboorlingen naar deze dingen, en zij verklaarden gehoord te hebben, dat ze bestaan. Doch de gouddelver en de waschvrouw hielden vol ze gezien te hebben.
"Masra," zeide de vrouw, "u bent pas komen kijken, en we leven nu in een verlichten tijd, wat u niet weet of niet gezien hebt, behoeft u niet te ondervinden. Vraagt u eens aan oude menschen, dan zal u hooren, wat er alzoo in den slaventijd gebeurde. Er werden verschillende feesten gegeven, zooals de Doe (Afrikaansch feest), de Banja, de Soesa," zeide zij mij, terwijl zij de tong tegen haar verhemelte sloeg, "ik deed niet onder voor de beste dansers, Baja (vriend) het is zoo aangenaam de Kwekwa banja (snaren-instrument) te hooren spelen! Als ik aan dien tijd denk, komt alles mij nog als den dag van gisteren voor oogen.
"Bij al wat heilig is," zoo ging zij met zachten stem voort, "zoo verzeker ik u, dat alles wat ik u nu vertellen zal, waarheid is, omdat blanken er niet aan gelooven willen, en maar steeds volhouden, dat het bijgeloof is.
"Welnu dan, ik heb bijgewoond, toen men winti danste, dat een man een gloeiend kapmes, dat een half uur in het vuur was geweest, heeft afgelikt totdat het ijzer geheel bekoeld was. De man kreeg niet het minste letsel. Daarna nam de winti-man een scheermes en sneed verschillende anderen hun tong af. Van een vrovw sneed hij die geheel af, en legde haar op een wit bord met spiritus, om haar daarna weêr aan het stuk, dat nog in den mond was blijven zitten, vast te lijmen. Geen mensch, die zien kon, waar de tong afgesneden was geweest!"
"De vroegere negers - masra, na plei foeloe nanga dem (meneer, maak geen gekheid over hen). - deden een heele boel.
"Wat deden ze nog meer?" vroeg ik weêr.
"Er was een bekend weglooperskamp, genaamd no meri mi (laat mij met vrede)," zoo ging zij voort, "daar werd op de schildpad gekeken (voorspeld), zeggen de oude menschen, en alles kwam uit; zij verstonden de ware zwarte kunsten. Masra, u gaat me niet gelooven, maar er zijn nog van die soort geweren, wier kogels niet raken, al mikt men nog zoo juist."
O, ja, dat is een feit," merkte de gouddelver op, "ma a de dangra soema hede (maar dit gaat het menschelijk verstand te boven)."
"Hm," zuchtte de vrome waschvrouw, "ge moogt er niet aan gelooven, maar die dingen bestaan, dat weet men zelfs tot in bakra kondre (het land der blanken, Nederland)."
"Masra," vroeg ze me weer, "u gelooft zeker ook niet aan wisi (vergiftigen), maar het bestaat, hoor! Ze hebben moeite gedaan om mij van kant te maken, maar mi akra (mijn tegengif) is sterker dan het hunne."
"Meneer er zijn verborgenheden, geloof mij," verzekerde de gouddelver. "Op de voormalige plantage Groot-Meerzorg kon de rietmolen geen dienst doen, alvorens hij menschenlever of een menschenhart ten geschenke had gekregen."
"A moro betre wi kiri taki (het is beter er niet over te spreken)," merkte de waschvrouw op, en maakte een einde aan het gesprek, zeggende: "sribi de kili mi" (ik heb slaap). [Letterlijk: de slaap gaat mij dooden] Wasje ging slapen en de gouddelver nam afscheid.
"Grantangi foe dem bakra di opo dem soema hai di men' tapoe (dank zei den leeraars die de oogen welke gesloten waren van hen geopend hebben)" dacht ik en teleurgesteld, dat ik heden geen anansitori had mogen hooren, zocht ik mijn legerstede op.

Beschrijving

Over het taboe om Anansi-verhalen te vertellen overdag. De verhalen zijn magisch, horen bij het sterfhuis en worden verteld na een begrafenis. Overdag Anansi-verhalen vertellen brengt ongeluk. Tevens verhalen over vampirisme, spokerij, magie e.d.

Bron

H. van Cappelle: 'Surinaamsche Negervertellingen', in: Elsevier's 14 (1904) 28, pp. 314-327.

Commentaar

juli-december 1904

Naam Overig in Tekst

Anansi    Anansi   

Hernhutter    Hernhutter   

Rooms Katholiek    Rooms Katholiek   

God    God   

Afrikaan    Afrikaan   

Afrikanen    Afrikanen   

Bakroe    Bakroe   

Azeman    Azeman   

Afrekete    Afrekete   

Kofi    Kofi   

Morgenstond    Morgenstond   

Piai-ingies    Piai-ingies   

Indiaan    Indiaan   

Brouwerslust    Brouwerslust   

Mangro-uil    Mangro-uil   

Groot-Meerzorg    Groot-Meerzorg   

Naam Locatie in Tekst

Leba    Leba   

Boven-Commewijne    Boven-Commewijne   

Nederland    Nederland   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20