Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

WITW006 - De juffer van Bathinge en de Dwingelder toren

Een sage (boek), 1951

Hoofdtekst

Johannes, de bouwheer van de St. Nicolaaskerk kon zijn gedachten niet meer bij zijn werk houden en kwam zodoende maar niet klaar met zijn berekeningen en tekeningen van de nieuwe toren, die de kerk zou kronen. Wat maakte hem zo onzeker? Was het waar wat de mensen zeiden? Dat hij niet verder kwam omdat de lange Juffer van Bathinge hem het hoofd op hol maakte en zijn gedachten in de war bracht?
Ze was al vaak naar zijn tekenwerk komen kijken, eerst met haar vader en later alleen. Elke dag kwam ze voorbij de plek waar hij aan het werk was, te voet of rijdend op haar paard als ze naar Lhee of 't Veld ging.
Eerst was het hem niet opgevallen, maar langzamerhand was dat veranderd: hij had haar gemist als ze 's morgens niet voorbij kwam of als hij haar niet gezien had in de bouwvallige oude kerk waar haar ouders de grootste kerkbank hadden.
De Deken van Drenthe wilde een sierlijk bouwwerk in deze streek van havezathen en had daarom Johannes van Utrecht naar Dwingeloo laten komen om de nieuwe St. Nicolaaskerk te bouwen. Johannes stond bekend als een zeer kundig bouwheer en de Deken had niets dan goeds over hem gehoord. Toch had hij hem de laatste tijd vaak met zijn hoofd in zijn handen zien zitten op zijn werkstoel aan de Brink. Want daar, tussen de huizen en de boerderijen, moest de nieuwe kerk komen. Zó, dat hij midden in Dwingeloo stond, nu en later.
En daar had hij de bouwheer ook aan 't werk gezet. Op de plek zelf, al zei Johannes ook, dat je de dingen beter vanuit de verte kon zien dan van zo dichtbij. Eigenlijk waren dat de woorden van de Juffer geweest, die ze gezegd had toen Johannes klaagde dat het niet wou vlotten met het tekenwerk.
Ze zei: 'Waarom zit je hier? Je moet eens naar Lhee gaan, vandaar uit zie je heel Dwingeloo, net als op Bathinge.'
Vanaf die dag had hij in zijn vrije tijd rondgedwaald in de wijde omgeving van Dwingeloo en hij had gezien dat de Juffer gelijk had. Maar wat hij ook probeerde, nog altijd wist hij zich geen raad met de toren van de nieuwe kerk.
'Kom eens bij ons op Bathinge', had haar vader gezegd. Dat had hij gedaan en hij had alles getekend, ook van die kant af gezien. Maar het hielp hem niets.
Week na week ging voorbij. Het werd mei. De stenen werden gebracht en opgestapeld, de ene rij na de andere maar Johannes was nog steeds niet klaar met zijn ontwerp voor de toren.
De Deken werd er verdrietig van en praatte er nog eens met Johannes over.
'Doe het dan zoals je het op andere plaatsen hebt gedaan', raadde hij hem aan. Maar johannes zei: 'Dat kan niet. Hier moet wat anders komen.' hij smeekte: 'geef mij nog wat tijd. ik kan het niet zo vlug, dat ziet u toch.'
De oude man, die veel gezien, gehoord en begrepen had, kende ook de verhalen over de lange Juffer van Bathinge, die zo rechtop liep als geen ander en zich niets aantrok van wat de mensen zeiden, die lachte om de roggewiefies en die vertelde van het spinwiefien in Lhee waar honderden bargies waren en waar de wereld zo heel, heel wijd leek. De juffer, die een witte lever had zoals de mensen wisten te vertellen. Die de mannen aantrok, het hoofd op hol maakte en ze dan wegstuurde.
Nu had ze johannes aan de haak, zeiden de mensen, omdat de bouwmeester niet meer tekende maar overal rondzwierf waar zij ook was.
En zo ging de tijd voorbij...
Toen vond de oude Deken dat het tijd werd om maatregelen te nemen. hij had een lang gesprek met de Heer van Bathinge en toen hij wegging keken ze beide strak voor zich uit omdat ze begrepen dat ze twee mensen pijn moesten doen om het werk te doen slagen.
Nog diezelde avond riep de vader zijn dochter bij zich. Hij verweet haar niets maar vertelde van de Deken, die zo van Dwingeloo hield. hij vertelde van Johannes, wat die allemal gebouwd had en hoe goed hij dat gedaan had. En langzamerhand begreep de Juffer wat haar vader haar probeerde te vertellen.
'Mag ik hem dan nooit meer zien en spreken? Hoe kan ik dat volhouden? Ik kan immers niet zonder hem leven, ook al hebben wij daar samen nooit over gepraat.'
'Het moet, mijn kind. als je van hem houdt, doe je dit voor hem.'
'Maar ik kan het niet verdragen, dat hij daar zo alleen zit te denken, daar ginds op de bargies.'
'Doe, wat je denkt wat goed voor hem is. Dat zijn mijn laatste woorden', zei haar vader. 'Maar denk er om dat hij het op zich genomen heeft om voor ons een mooie, nieuwe kerk te bouwen, zoals hij dat vroeger kon.'
Toen ze de volgende dag laat in de middag wegreed op haar paard keek aar vader haar na. Zou het geholpen hebben dit gesprek?
Kijk, nu draafde haar paard over de Brink. Nee, niet naar Johannes, maar in de richting van Lhee.
De Juffer lette niet op waar haar paard naar toe ging, zo was ze in haar gedachten verdiept. het dier zocht zelf haar weg. Toen schrok ze op, daar ginds waren de bargies, maar nu lachte ze niet om het spinnewiefien, dat daar zou zitten als de maan opkwam. En ineens wist ze wat ze wilde.
nu moest ze weten of alles waar was wat er verteld werd. 'Als je in moeilijkheden zit of in nood bent, helpt zij je.'
Straks zou ze dat weten...
De damp kwam opzetten over het land en de maan scheen tussen de bomen door, die in Dwingeloo om de brink stonden. Daar zou de nieuwe kerk moeten komen en... wat vreemd was dat... het leek of ze de toren voor zich zag, de maan scheen over 't vierkante voetstuk naar beneden. Van zo'n toren had haar vader haar verteld toen ze nog klein was, lang, lang geleden.
Zij bleef er strak naar kijken en kreeg tranen in haar ogen... en ineens wist ze hoe het moest worden.

De volgende morgen zag ze Johannes al vroeg weggaan en toen de zon hoger aan de hemel stond reed zij achter hem aan en vond hem op zijn bekende plek, buiten Dwingeloo. Hij staarde voor zich uit alsof hij heel in de verte iets zag. Toen ze hem zo zag zitten begreep ze hoeveel ze van hem hield, dat ze hem nooit, nooit zou kunnen vergeten.
Zachtjes gleed ze van haar paard en liep verder tot ze achter hem stond. Zijn tekening lag naast hem: de bomen, de huizen, de kerk... zonder toren. Ze legde haar hand op zijn haar en streek er zachtjes over. Even trilde ze maar toen zei ze rustig: 'Johannes, nu weet ik hoe het moet worden.' En ze vertelde hem wat zij gezien had de avond tevoren toen ze zo'n verdriet had en zich zo alleen voelde. Hij zei niets toen ze uitverteld was, maar nam haar hoofd tussen zijn handen en keek haar recht in de ogen. Toen drukte hij zijn lippen erop, zachtjes en proefde haar tranen.
Hoe lang ze daar gezeten hadden, wisten ze later niet meer. Woorden waren niet nodig geweest. Wanneer was ze weggegaan? En wat had ze gezegd? Dat ze niet meer bij hem kwam? Zou ze dat kunnen? Hij wist het niet meer want alles was zo leeg om hem een. Maar één ding wist hij wel, ze had gezegd: 'Maak het zo en niet anders, Johannes... om mij en voor mij.'

Hij had maar één dag nodig, toen was zijn tekening klaar. De oude Deken keek hem bedroefd aan toen hij het vertrokken gezicht zag. Hij wou zeggen: 'Heb je dan zo'n verdriet jongen?' Maar zijn lippen zeiden: 'Zie je nu wel dat ik me niet in jou vergist heb, Johannes?'

't Was nauwelijks een jaar laten en de St. Nicolaaskerk was klaar. Vreemd was die ronde toren met zijn spitse punt, die je zo mooi boven de bomen uit zag steken. En wat zou de nieuwe klok mooi over Dwingeloo zingen als hij straks gezegend was.
In de grote kerkbank van Bathinge zat Johannes. Nu al het werkvolk weg was wou hij hier alleen zijn met zijn gedachten. Nu was alles voorbij, nu was zijn werk af en kwam de zware strijd haar te vergeten als hij morgen uit Dwingeloo wegreed. Nooit was hij weer op Bathinge geweest en nooit had hij weer met haar gesproken. Zo was het overlegd en zo was het gegaan al was het hem ook nog zo zwaar gevallen.
Met haar was het niet anders geweest maar wat ze wou, dat deed ze. Hoe het er in haar hart uitzag wist alleen de oude Deken. Deze avond was hij op zoek gegaan naar Johannes en vond hem tenslotte in de nieuwe kerk. Daar zag hij hem zitten in de kerkbank. Zo'n groot verdriet had hij nog nooit gezien en zachtjes deed hij de kerkdeur weer achter zich dicht. Vervolgens ging hij naar Bathinge en praatte lang met de vader van de Juffer.
Nog diezelfde avond ging een lange jonge vrouw met de Deken naar de kerk. Geen van beide zei iets, tot ze voor de Bathinger bank stonden. Toen pakte de Deken de hand van Johannes, legde die op de smalle handen van de Juffer en zegende de beide jonge mensen, zonder wie er niet zo'n prachtig bouwwerk verrezen zou zijn.

Onderwerp

SINSAG 0305 - Weisse Frauen helfen den Menschen    SINSAG 0305 - Weisse Frauen helfen den Menschen   

Beschrijving

Bouwmeester kan door verliefdheid geen ontwerp maken voor een nieuwe kerk. Het meisje dat naar het spinwijf die mensen in nood helpt, gaat, ziet onderweg in de maneschijn en door de nevel heen een toren verschijnen. Ze vertelt de bouwmeester dat de kerk er zo uit moet gaan zien. Daarna zien ze elkaar niet meer. De kerk wordt gebouwd naar dit ontwerp. Uiteindelijk worden de geliefden weer herenigd.

Bron

J. Poortman: De juffer van Bathinge en de Dwingelder toren. in Witte Wieven: de meest bekende volksverhalen uit Drenthe. Samenst. Emmy Wijnholds-Schuster. 4e dr. Zuidwolde, 2001. p. 25-30

Commentaar

1951
Eerder verschenen in J. Poortman: Drenthe: een handboek voor het kennen van het Drentsche leven in voorbije eeuwen. Deel 2. Meppel, 1951
Weisse Frauen helfen den Menschen

Naam Overig in Tekst

Johannes    Johannes   

Bathinge    Bathinge   

Dwingelder    Dwingelder   

Bathinger    Bathinger   

Naam Locatie in Tekst

Lhee    Lhee   

't Veld    't Veld   

Dwingeloo    Dwingeloo   

Utrecht    Utrecht   

St. Nicolaaskerk    St. Nicolaaskerk   

Drenthe    Drenthe   

Brink    Brink   

Plaats van Handelen

Dwingeloo (Drenthe)    Dwingeloo (Drenthe)   

Kloekenummer in tekst

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20