Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ANDERSEN1866 - Het sneeuwklokje

Een sprookje (boek), 1866

Hoofdtekst

HET SNEEUWKLOKJE

Het was winter, de lucht was koud, de wind scherp, maar binnenshuis was het warm en lekker, binnenshuis lag de bloem, ze lag in haar bol onder aarde en sneeuw.
Op zekere dag viel er regen; de druppels drongen door de sneeuwlaag in de aarde, raakten de bloembol en brachten bericht van de lichtwereld daarboven; spoedig drong de zonnestraal teer en spits door de sneeuw tot de bol door en prikte in zijn neus.
“Binnen!” zei de bloem.
“Ik kan niet binnenkomen,” zei de zonnestraal; “ik ben niet sterk genoeg om de deur te openen, tegen de zomer wordt ik sterk.”
“Wanneer is het zomer?” vroeg de bloem en zij herhaalde het, telkens wanneer een nieuwe zonnestraal tot haar doordrong. Maar het was nog lang geen zomer; de sneeuw lag er nog, het vroor zo hevig dat het water nog elke nacht dichtlag.
“Wat duurt dat lang! Wat duurt dat lang!” zei de bloem. “Ik voel een gekriebel en een gekrabbel, ik moet me uitrekken, ik moet gaan opendoen, ik moet naar buiten, de zomer een goede morgen toeknikken, dat word teen gelukkige tijd!”
En de bloem rekte zich uit, daarbinnen tegen het dunne omhulsel dat het water buiten week had gemaakt, de sneeuw en de aarde hadden verwarmd en waarin de zonnestraal had geprikt. Zij schoot op onder de sneeuw, met witgroene knop op haar groene steel, met smalle, dikke bladeren die haar als een scherm omsloten. De sneeuw was koud, maar doorstraald van licht en daarbij zo gemakkelijk doordringbaar, en nu kwam de zonnestraal met grotere kracht dan vroeger.
“Welkom! Welkom!” zong elke straal en de bloem verhief zich boven de sneeuw uit in de wereld van licht, De zonnestralen streelden en kusten haar, zodat zij zich geheel opende, wit als sneeuw en versierd met groene strepen. Zij boog haar kopje in vreugde en nederigheid.
“Schone bloem!” zongen de zonnestralen. “Wat ben je fris en teer! Je bent de eerste, je bent de enige! Je bent onze liefde! Je luidt de zomer in, de heerlijke zomer, over stad en land! Alle sneeuw moet smelten, de koude winden worden verjaagd! Wij moeten regeren! Alles zal groen worden en dan krijg je gezelschap, seringen en goudenregen en ten slotte rozen, maar jij bent de eerste, zo teer en zo broos!”

Het was een groot genoegen. Het was alsof de lucht zong en klonk, als drongen de stralen van het licht binnen in haar blaadjes en haar steel; daar stond zij zo teer en zo broos en toch zo sterk in haar jonge schoonheid; zij stond daar in haar witte jurkje met groene bandjes en loofde de zomer. Maar het was nog lang geen zomer, de wolken bedekten de zon, scherpe winden bliezen op haar.
“Je bent een beetje te vroeg gekomen,” zeiden wind en weer. “Wij zijn nog aan de macht; die zul je voelen, daar moet je je naar schikken! Je had binnenshuis moeten blijven, je had niet naar buiten moeten lopen om je mooie kleren te laten zien, daar is het nog geen tijd voor!”
Het was bijtend koud! De dagen die kwamen brachten geen enkele zonnestraal; het was weer om stuk te vriezen voor zo’n broos bloempje. Maar er was meer kracht in haar dan zij zelf wist; zij was sterk in haar vreugde en haar geloof aan de zomer die moest komen, die was verkondigd in haar diep verlangen, die was bevestigd door het warme zonlicht. In de witte sneeuw, in haar witte kleedje, stond zij vol vertrouwen, haar kopje buigend als de sneeuwvlokken dicht en zwaar vielen, terwijl de ijskoude winden over haar heen loeiden.

“Je knakt!” zeiden zij. “Je verdort, je bevriest! Wat moest je ook buiten! Waarom liet je je ook verlokken. De zonnestraal heeft je voor de gek gehouden! Nu heb je het goed, jij zomerzotje!”
“Zomerzotje!” weerklonk het in de koude morgen.
“Zomerzotje!” jubelden enkele kinderen die in de tuin kwamen, “daar staat er een, wat lief, wat mooi, de eerste, de enige!”
En die woorden deden de bloem zo goed, ze vielen als warme zonnestralen. De bloem merkte in haar vreugde niet eens dat zij werd geplukt; zij lag in een kinderhand, werd gekust door een kindermond, meegenomen in de warme kamer, bekeken door vriendelijke ogen, in water gezet, zo versterkend en levenbrengend. De bloem dacht dat zij opeens midden in de zomer was gekomen.
De dochter des huizes, een lief meisje, was aangenomen en zij had een vriendje die was ook aangenomen. Hij studeerde om later zijn brood te kunnen verdienen. “Hij zal mijn zomerzotje zijn,” zei zij; toen nam zij de tere bloem, legde die in een geurend stukje papier, waarop een versje stond geschreven, een versje over de bloem dat begon met zomerzotje en eindigde met zomerzotje. “Vriendje, word mijn winterdwaas!” zij had hem met de zomer geplaagd. Ja, dat stond allemaal in dat versje en dat werd verzonden als een brief. De bloem lag erin en het was donker om de bloem, net zo donker als toen zij in de bol lag. De bloem ging op reis, lag in een postzak, werd gedrukt en geknakt, dat was helemaal niet prettig; maar ook daaraan kwam een einde.

De reis was voorbij, de brief werd geopend en door de geliefde vriend gelezen. Hij was zo blij, hij kuste de bloem en zij werd met haar vers om zich heen in een la gelegd, waarin meer mooie brieven lagen, maar alle zonder bloem. Dit was de eerste, de enige, zoals de zonnestralen haar hadden genoemd, en dat was prettig om over te denken.
Lang kreeg zij ook tijd erover te denken, zij dacht terwijl de zomer verliep en de lange winter verliep en het werd weer zomer, toen werd zij weer te voorschijn gehaald. Maar toen was de jonge man helemaal niet blij; hij pakte de papieren heel hard beet, wierp het vers weg zodat de bloem op de grond viel. Zij was helemaal plat en verdord, maar daarom behoefde zij toch niet op de grond gegooid te worden. Maar daar lag ze toch beter dan in het vuur. Dáár gingen de verzen en de brieven in vlammen op. Wat was er gebeurd? Wat zo dikwijls gebeurt. De bloem had hem voor de gek gehouden, het was een grap. Het meisje had hem voor de gek gehouden, dat was geen grap: zij had, in het mooist van de zomer, een andere vriend genomen.
Vroeg in de morgen scheen de zon naar binnen op het kleine platgedrukte sneeuwklokje, dat eruitzag alsof het op de vloer was geschilderd. Het dienstmeisje dat de kamer veegde nam het op, legde het in een van de boeken op tafel, omdat zij dacht dat ergens uit gevallen was toen zij opruimde. En de bloem lag daar opnieuw tussen verzen, gedrukte verzen, en die zijn voornamer dan geschrevene, er is tenminste meer moeite aan ten koste gelegd.

Zo verliepen er jaren, het boek stond op de plank; het werd te voorschijn gehaald, werd opengeslagen, er werd in gelezen; het was een goed boek: verzen en liedjes van de Deense dichter Ambrosius Stub – het is nog de moeite waard hem te lezen. En de man die in het boek las keerde de bladzijde om. “Daar ligt een bloem,” zei hij, “een sneeuwklokje, een zomerzotje! Die is hier zeker met een bedoeling in gelegd; arme Ambrosius Stub! Hij was ook een zomergek, een dichtergek! Hij was te vroeg geboren en daarom werden modder en stormen zijn deel, op Funen trok hij rond langs de kastelen, als een bloem in een waterglas, een bloem in een rijmbrief! Zomergek, winterdwaas, pret, dwaze streken, en toch de eerste, de enige, de jeugdig frisse Deense dichter. Ja, lig daar als bladwijzer in het boek, klein sneeuwklokje! Je bent met een bedoeling daar neergelegd.”
En toen werd het sneeuwklokje weer in het boek gelegd en zij voelde zich geëerd en blij nu zij wist, dat zij daar , in dat schone gezangboek, bladwijzer was en dat hij die het eerst van haar had gezongen en over haar had geschreven, óók een zomerzot was geweest en ’s winters voor dwaas had gespeeld. De bloem vatte dat op haar manier op, net als wij ieder ding op onze.
Dat is het sprookje van het sneeuwklokje.

Beschrijving

Een bloempje, een sneeuwvlokje, is te ongeduldig en komt al in de winter tot bloei. Het wordt door weer en wind als 'zomerzotje' voor de gek gehouden. Het sneeuwvlokje wordt geplukt en bij een liefdesbrief gedaan, om te eindigen als boekenlegger in een speciaal boek.

Bron

Hans Christian Andersen: Sprookjes en vertellingen. Bussum 1975, p. 624-626.

Commentaar

1866
Dit is een kunstsprookje, geen volkssprookje.
Zomerzotje is de Deense naam voor sneeuwklokje (bloem).

Naam Overig in Tekst

Ambrosius Stub    Ambrosius Stub   

Deense    Deense   

Naam Locatie in Tekst

Funen    Funen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20