Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ANDERSEN1843A - De nachtegaal

Een sprookje (boek), 1843

Hoofdtekst

DE NACHTEGAAL

Je moet weten dat in China de keizer een Chinees is, en allen om hem heen zijn Chinezen. Het is nu heel wat jaren geleden, maar juist daarom is het waard naar het verhaal te luisteren, vóór men het vergeet. Het slot van de keizer was het mooiste slot van de wereld, helemaal van teer porselein, zo kostbaar, maar ook zó broos, zo gevaarlijk om aan te raken, dat je werkelijk uit moest kijken. In de tuin zag je de wonderlijkste bloemen en aan de allermooiste waren zilveren klokjes vastgeboden die tinkelden, opdat je de bloemen niet onopgemerkt zou voorbijgaan. Ja, alles was in de tuin van de keizer heel vernuftig ingericht en hij strekte zich zo ver uit, dat de tuinman zelf er het eind niet van kende. Als je steeds doorliep kwam je in een mooi bos met hoge bomen en diepe vijvers. Het bos reikte helemaal tot aan de zee, tot aan de blauwe, diepe zee; grote schepen konden helemaal tot onder de takken doorvaren. In die takken woonde een nachtegaal die zo verrukkelijk zong, dat zelfs de arme visser die toch zoveel anders te doen had stillag en luisterde, wanneer hij ’s nachts buiten op zee zijn net inhaalde en de nachtegaal hoorde. “Here God, wat is dat mooi!”
Uit alle landen in de wereld kwamen er mensen naar de keizerstad en al die reizigers bewonderden het slot en de tuin, maar wanneer ze dan de nachtegaal hoorden zeiden ze allen: ‘Dat is toch het mooiste!”
En de reizigers vertelden van hun bevindingen als ze thuisgekomen waren, en de geleerden schreven heel wat boeken, over de stad, over het slot en over de tuin, maar de nachtegaal vergaten ze niet, die stond bovenaan; en zij die konden dichten schreven de mooiste gedichten, allemaal van de nachtegaal in het bos bij de diepe zee.
Die boeken reisden de wereld rond en enkele kwamen ook de keizer onder het oog. Hij zat op zijn gouden troon, en las en las, ieder ogenblik knikte hij met zijn hoofd, want het deed hem genoegen die prachtige beschrijvingen te lezen over de stad, het slot en de tuin. “Maar de nachtegaal is toch het allermooiste!” stond er dan.
“Wát!’ zei de keizer, “de nachtegaal! Die ken ik niet eens! Is hier zo’n vogel in mijn keizerrijk, en dan nog wel in mijn tuin! Dat heb ik nog nooit gehoord! Zo iets moet men eerst in een boek lezen!”
En toen riep hij zijn kamerheer, die zo voornaam was dat wanneer iemand, die minder was dan hij, het waagde tot hem te spreken, hij nies anders antwoordde dan “P!” en dat heeft niet de minste zin.
“Hier moet een hoogst merkwaardige vogel zijn, die nachtegaal heet,” zei de keizer, “men zegt dat hij de allermooiste is in mijn groot rijk. Waarom heeft men mij noot iets van die vogel verteld?”
“Ik heb hem nog nooit horen noemen,” zei de kamerheer. “Hij is nooit aan het hof voorgesteld!”
“Ik wil dat hij hier vanavond komt en voor mij zingt!” zei de keizer. “Daar weet me de hele wereld wat ik bezit, en ik weet het niet!”
“Ik heb hem nooit tevoren horen noemen,” zei de kamerheer, “ik zal hem zoeken en vinden!”

Maar waar was hij? De kamerheer liep alle trappen op en af, door zalen en gangen, niemand van allen die hij aantrof had van de nachtegaal gehoord. De kamerheer keerde naar de keizer terug en zei dat het heus een verzinsel moest zijn van de boekenschrijvers. “Uwe Keizerlijke Majesteit moet niet alles geloven wat er geschreven wordt! Dat is fantasie, iets dat men zwarte kunst noemt!”
“Maar dat boek waarin ik het heb gelezen,” zei de keizer, “is mij toegezonden door de grootmachtige keizer van Japan en dan kan het geen leugen zijn. Ik wil de nachtegaal horen! Hij moet vanavond hier zijn! Hij staat in mijn allerhoogste gunst! Komt hij niet, dan zal het hele hof klappen op zijn buik krijgen, als het avondmaal op is!”
“Tsjing-pe!” zei de kamerheer en liep opnieuw trap op, trap af, door alle zalen en gangen; en het hele hof liep mee, want ze kregen niet graag klappen op hun buik! Dat was me een gevraag naar de merkwaardige nachtegaal, die de hele wereld kende maar niemand van het hof.
Eindelijk troffen ze in de keuken een klein, arm meisje aan. Zij zei: “O God! De nachtegaal, die ken ik heel goed! Ja, wat kan die zingen! Iedere avond mag ik wat etensresten voor mijn arme, zieke moeder mee naar huis nemen – zij woont aan het strand – en wanneer ik naar huis terug ga en moe ben en in het bos uitrust, dan hoor ik de nachtegaal zingen. Ik krijg er de tranen van in mijn ogen, het is net of mijn moeder mij kust.”
“Klein keukenmeisje,” zei de kamerheer, “ik zal jou een vaste aanstelling bezorgen in de keuken en permissie om de keizer te zien eten als jij ons naar de nachtegaal kunt brengen, want die is voor vanavond ontboden!”

En toen trokken zij allemaal het bos in waar de nachtegaal placht te zingen; het halve hof ging mee. Toen ze een flink eind op weg waren, begon een koe te loeien.
“O!” zeiden de hofjonkers, “daar hebben we hem! Daar is toch merkwaardig veel kracht in zo’n klein dier! Ik heb hem vast en zeker vroeger gehoord!”
“Nee, het zijn de koeien die loeien!” zei het kleine keukenmeisje. “We zijn nog ver van de plaats af.”
De kikkers kwaakten nu in het moeras.
“Verrukkelijk!” zei de Chinese hofprediker, “nu hoor ik hem, het zijn net kerkklokjes!”
“Nee, het zijn de kikkers!” zei het kleine keukenmeisje, “maar nu denk ik toch wel dat wij hem gauw te horen krijgen!”
Toen begon de nachtegaal te zingen!
“Dat is hij!” zei het meisje. “Hoor! Hoor! – Daar zit hij!” En zij wees op een grauw vogeltje boven in de takken.
“Is het mogelijk!” zei de kamerheer. “Zo had ik mij hem niet voorgesteld. Wat ziet hij er gewoontjes uit! Hij is vast van kleur verschoten nu hij van zoveel voorname mensen bezoek krijg!”
“Kleine nachtegaal!,” riep het kleine keukenmeisje luid, “onze genadige keizer zou zo graag willen dat je voor hem zong!”
“Met het grootste genoegen,” zei de nachtegaal en hij zong dat het een lust was.
“Het lijken wel glazen klokjes!” zei de kamerheer, “en kijk eens naar dat keeltje, wat spant hij zich in! Het is merkwaardig dat wij hem nog nooit gehoord hebben! Wat zal die een groot succes hebben aan ’t hof!”
“Zal ik nog eens voor de keizer zingen?” vroeg de nachtegaal, die dacht dat de keizer erbij was. “Voortreffelijke kleine nachtegaal,” zei de kamerheer, “het is mij een groot genoegen u te mogen uitnodigen tot het bijwonen van een avondfeest ten hove, waar u Zijne Keizerlijke Genade met uw charmant gezang zult betoveren!”
“in het bos krijgt u de beste indruk van mijn gezang,” zei de nachtegaal, maar hij ging toch graag mee toen hij hoorde dat de keizer het wenste.

Op het slot was een flinke schoonmaak gehouden. Muren en vloeren, die van porselein waren, blonken in het licht van duizenden gouden lampen, de heerlijkste bloemen, met klingelende klokjes stonden in de gangen. Het was een komen en gaan en een tocht, maar daarvan gingen juist alle klokjes luiden. Je kon geen woord meer verstaan.
Midden in de grote zaal waar de keizer zat, stond een gouden standaard en daarop moest de nachtegaal zitten. Het hele hof was aanwezig en het kleine keukenmeisje had permissie gekregen achter de deur te staan, daar zij nu de titel had van keukenmeid in gewone dienst. Allen waren zij in hun beste kleren, en op hun mooist, en allen keken ze naar het grauwe vogeltje waar de keizer tegen knikte.
En de nachtegaal zong zo heerlijk dat de keizer tranen in zijn ogen kreeg. De tranen biggelden hem over de wangen en toen zong de nachtegaal nog mooier. Het ging van hart tot hart, en de keizer was zo blij dat de nachtegaal zijn gouden pantoffel om de hals mocht dragen. Maar de nachtegaal bedankte voor de eer, hij had reeds beloning genoeg ontvangen.
“Ik heb tranen in de ogen van de keizer gezien, dat is voor mij het kostbaarst bezit! De tranen van de keizer hebben een wonderlijke macht. God weet, ik ben genoeg beloond!” En toen zong hij opnieuw met zijn lieve stem.
“Dat is de beminnelijkste koketterie die ik ken!” zeiden de dames rondom en toen namen ze water in de mond om te klokken wanneer iemand tot hen sprak; zij meenden dat ze dan ook nachtegalen waren; ja, de lakeien en de kamermeisjes lieten weten dat ook zij tevreden waren en dat wil heel wat zeggen, want zij zijn het allermoeilijkst tevreden te stellen. Zeker, de nachtegaal maakt werkelijk opgang.
Hij zou nu aan het hof blijven, zijn eigen kooi hebben en de vrijheid om tweemaal per dag en eenmaal ’s nachts een wandeling te maken. Dan kreeg hij twaalf bedienden mee, met twaalf zijden bandjes om zijn poot werd hij goed vastgehouden. Zo’n toch was geen genoegen.
De hele stad sprak van de merkwaardige vogel, en wanneer twee mensen elkaar ontmoetten zei de een niets anders dan: “Nachte” – en de ander zei: “Gaal” en dan zuchtten ze en ze begrepen elkaar. Ja, elk spekslagerskinderen werden naar hem genoemd, maar in geen enkel van hen zat muziek.

Op zekere dag werd er een groot pakket bezorgd bij de keizer, buitenop stond geschreven: nachtegaal.
“Daar hebben wij nu een nieuw boek over onze beroemde vogel!” zei de keizer; maar het was geen boek, het was een klein kunstwerk in een doosje, een kunstig nagemaakte nachtegaal die op de levende moest lijken, maar geheel bezet was met diamanten, robijnen en saffieren. Als je de kunstvogel opwond kon hij een van de stukjes zingen die de echte nachtegaal zong, en dan ging zijn staart op en neer en die glinsterde van zilver en goud. Om zijn nek hing een lintje en daarop stond geschreven: “De nachtegaal van de keizer van Japan is arm naast die van de keizer van China.”
“Het is prachtig!” zeiden ze allemaal, en hij die de kunst vogel had gebracht kreeg dadelijk de titel van keizerlijke oppernachtegaalbrenger.
“Nu moeten ze samen zingen, maar dat lukte niet recht want de echte nachtegaal zong op zijn eigen manier en de kunstvogel liep op wieltjes. “zijn schuld is ’t niet,” zei de hofkapelmeester, “hij is buitengewoon maatvast en in alle opzichten mijn leerling!” Toen moest de kunstvogel alleen zingen. Hij had een even groot succes als de echte en daarbij was hij uiterlijk toch ook nog heel wat fraaier dan de andere: hij glinsterde als armbaden en broches.
Drieëndertigmaal zong hij een en hetzelfde stukje en nog was hij niet moe. Men had hem graag nog eens van voren af aan gehoord maar de keizer meende dat de levende nachtegaal nu ook eens wat moest zingen. Maar waar was hij? Niemand had gemerkt dat hij door het open venster was weggevlogen, weg naar zijn groene bossen.
“Maar war betekent dat dan toch?” zei de keizer, en alle hovelingen waren boos en vonden de nachtegaal een hoogst ondankbaar dier. “De beste vogel hebben wij toch!” zeiden ze en toen moest de kunstvogel opnieuw zingen en nu kregen zij hetzelfde stukje voor de vierendertigste maal te horen. Maar helemaal goed kenden ze het nog niet want het was zo moeilijk. En de hofkapelmeester prees de vogel bijzonder. Ja, hij verzekerde dat hij beter was dan de echte nachtegaal, niet alleen wat zijn kleding betrof met de prachtige edelstenen, maar ook innerlijk.
“Want ziet u, mijne heren, en de keizer vóór allen!. Bij de echte nachtegaal kan men nooit berekenen wat er komen zal, maar bij de kunstvogel staat alles vast! Zó is en blijft het en niet anders! Men kan alles verklaren, men kan hem opensnijden en met het menselijk verstand tonen hoe de wieltjes liggen, hoe ze gaan en hoe het een uit het ander volgt!”
“Zo denken wij er ook over,” zeiden ze allemaal, en de hofkapelmeester kreeg verlog om de volgende zondag de vogel aan het volk te tonen; ze moesten hem ook horen zingen, zei de keizer. En ze hoorden hem en werden zo vrolijk alsof ze zich aan thee een roes hadden gedronken. Want dat is echt Chinees. En allemaal zeiden ze toen: “O!” Ze staken de vinger in de lucht die men “likkepot” noemt en toen knikten ze; maar de arme vissers die de echte nachtegaal hadden gehoord zeiden: “Het klinkt heel aardig, het lijkt ook wel, maar er ontbreekt iets aan, ik weet niet wat!”
De echte nachtegaal was uit het land verbannen. De kunstvogel had zijn plaats op een zijden kussen vlak bij het bed van de keizer; alle cadeaus die hij had gekregen, goud en edelstenen, lagen om hem heen. En hij bezat nu de titel van “hoogkeizerlijke nachttafelzanger”, in rang nummer één aan de linkerzijde, want de keizer rekenden die zijde tot de voornaamste omdat daar het hart zat. En het hart zit ook bij een keizer aan de linkerkant. De hofkapelmeester schreef een boek in vijfentwintig delen over de kunstvogel. Het was zo geleerd en zo dik en er stonden de allermoeilijkste Chinese woorden in, zodat alle mensen zeiden dat ze het gelezen en begrepen hadden, want anders waren zij dom en kregen ze klappen op hun buik.

Zo ging het een heel jaar door: de keizer, het hof en de ander Chinezen kenden elke toon in het gezang van de kunstvogel van buietn, maar daarom waren ze uist zo verrukt over hem; ze konden zelf meezingen en dat deden ze ook. De straatjongens zongen “Zizizi! Kloekkloekkloek!” en de keizer zong het … Heus, het was beslist mooi!
Maar op een avond, toen de kunstvogel op zijn mooist zong en de keizer er in bed naar luisterde, zei het “Zwoep!” binnen in de vogel: er sprong iets! “Snuurrr!” Alle wieltjes draaiden rond en toen hield de muziek op.
De keizer sprong dadelijk uit zijn bed en liet zijn lijfarts roepen, maar wat kon die doen? Toen liet men een horlogemaker halen en na veel gepraat en gekijk kreeg hij de vogel weer zo’n beetje in orde, maar hij zei dat hij erg gespaard moest worden want de tappen waren erg versleten en het was niet mogelijk er nieuwe in te zetten, zodat er weer goede muziek uitkwam. Dat was me een droefenis! Slechts één keer per jaar durfde men de kunstvogel te laten zingen en dan was men er nog erg spaarzaam mee. Maar dan hield de hofkapelmeester een kleine toespraak met al die moeilijke woorden en zei dat het nog net zo mooi was als vroeger, en toen was het ook net zo mooi als vroeger.

Nu waren er vijf jaar voorbij en het hele land was oprecht in rouw, want in de grond hielden ze toch allemaal van de keizer: nu was hij ziek en kon niet in leven blijven, zei men. Een nieuwe keizer was reeds aangewezen en de mensen stonden buiten op straat en vroegen de kamerheer hoe het met hun keizer was.
“P!” zei hij en schudde het hoofd.
Koud en bleek lag de keizer in zijn prachtig, groot bed. Het hele hof dacht, dat hij dood was. Iedereen liep weg om de nieuwe keizer te begroeten, de kamerdienaren hadden het vertrek verlaten om erover te praten en de dienstmeisjes hielden grote koffievisite. In alle zalen en gangen had men kleden gelegd, opdat men niemand kon horen lopen en daarom was het er zo stil, zó stil. Maar de keizer was nog niet dood, stijf en bleek lag hij in het prachtige bed met de lange, fluwelen gordijnen en de zware, gouden kwasten; een venster stond open en de maan scheen naar binnen op de keizer en de kunstvogel.
De arme keizer kon nauwelijks ademhalen, het was alsof er iets op zijn borst drukte; hij sloeg de ogen op en toen zag hij dat het de Dood was die op zijn borst zat en zijn gouden kroon had opgezet. In de ene hand hield hij de gouden sabel van de keizer, in de andere zijn prachtige vaandel. Overal uit de plooien van de grote fluwelen bedgordijnen keken er wonderlijke koppen, sommige schrikwekkend, andere zachtmoedig: dat waren allemaal boze en goede daden van de keizer die naar hem keken, nu de Dood op zijn hart zat.
“Weet je dat nog?” fluisterde de een na de ander.
“Weet je dat nog?” En toen vertelde ze hem zoveel, dat het zweet hem uitbrak.
“dat heb ik nooit geweten!” zei de keizer. “Muziek, muziek, de grote Chinese trom!” riep hij, “dat ik niet alles hoor wat ze zeggen!”
En ze hielden maar niet op, en de Dood knikte als een Chinees bij alles wat er gezegd werd.
“Muziek, muziek!” schreeuwde de keizer. “Jij klein, gouden vogeltje, zing dan toch, zing! Ik heb je goud en edelstenen geschonken, ik je zelf mijn gouden pantoffel om de hals gehangen, zing dan toch, zing!”
Maar de vogel zweeg. Er was niemand om hem op te winden en uit zichzelf zong hij niet. Maar de Dood bleef de keizer uit grote, lege oogholten aankijken, en het was zo stil, zo verschrikkelijk stil.

Op dat ogenblik klonk, vlak bij het venster, een heerlijk gezang: het was de levende, kleine nachtegaal die buiten op een tak zat; hij had gehoord van de ziekte van de keizer en was nu gekomen om hem troost en hoop te brengen. En terwijl hij zong verbleekten de gestalten steeds meer, het bloed stroomde sneller en sneller door het verzwakte lichaam van de keizer, en zelfs de Dood luisterde en zei: “Ga door, kleine nachtegaal, ga door!”
“ja, maar geef mij dan die prachtige gouden sabel! Geef me dat kostbare vaandel! Geef me de keizerskroon”
En de Dood gaf elk kleinood voor een lied en de nachtegaal bleef maar doorzingen: hij zong van het stille kerkhof, waar de witte rozen groeien, waar de vlierstruik geurt en waar de tranen van de achtergeblevenen het malse gras sproeien. Toen verlangde de Dood naar zijn huis terug en hij zweefde als een koude, witte nevel het raam uit.
“Dank je, dank je!” zei de keizer. “Jij hemels klein dier, ik ken je wel! Uit mijnland heb ik je verbannen en toch heb jij door je gezang die boze gezichten van mijn bed en de Dood van mijn hart verjaagd! Hoe zal ik je belonen?”
“Je hebt mij al beloond!” zei de nachtegaal. “Ik heb de eerste keer dat ik zong tranen in je ogen gezien, dat vergeet ik nooit! Dát zijn de juwelen die een zangershart goeddoen. Maar ga nu slapen en word weer gezond en sterk, ik zal voor je zingen!”
En hij zong… en de keizer viel in een diepe slaap, in een zachte, gewelddadige slaap. De zon scheen de vensters binnen toen hij versterkt en gezond wakker werd; geen van zijn dienaren was nog teruggekeerd, want ze dachten dat hij dood was, maar de nachtegaal zat daar nog en zong nog steeds.
“je moet altijd bij mij blijven!” zei de keizer. “Je hoeft alleen maar te zingen wanneer je zelf wil, en de kunstvogel sla ik in duizend stukken!”
“Doe dat niet,” zei de nachtegaal, “hij heeft toch gedaan wat hij kon!Houd hem! Ik kan niet op het kasteel wonen, maar laat mij komen wanneer ik zelf zin heb, dan zal ik ’s avonds bij je venster op die tak zitten en voor je zingen, en dan kun je weer vrolijk worden en ook weer goed denken. Ik zal van de gelukkigen zingen en van hen die lijden. Ik zal zingen van god en kwaad, dat je omgeving voor je verborgen houdt. De kleine zangvogel vliegt overal heen, maar de arme visser, naar het dak van de landman, naar ieder die ver van jou en je hof is. Ik heb je hart meer lief dan je kroon, en toch heeft die kroon een geur van heiligheid! Ik kom, ik zal voor je zingen! Maar één ding moet je me beloven!”
“Alles!” zei de keizer en hij stond daar in zijn keizerlijke dracht die hij zelf had aangetrokken en hij hield zijn sabel, zwaar van houd, tegen zijn hart gedrukt.
“Om één ding smeek ik je! Vertel niemand dat je een vogeltje bezit dat je alles zegt, dan zal het je nog beter gaan!”
En toen vloog de nachtegaal weg.
De dienaren kwamen binnen om naar hun dode keizer te zien – kijk, daar stonden ze, en de keizer zei: “Goedemorgen!”

Beschrijving

De keizer van China wil altijd het mooiste van het mooiste hebben. Ook als hij hoort over een prachtig zingende nachtegaal. Dan krijgt hij echter een mechanische nachtegaal en vergeet hij de echte levende nachtegaal. Wanneer de keizer dreigt te sterven komt de echte nachtegaal hem met zijn gezang redden.

Bron

Hans Christian Andersen: Sprookjes en vertellingen. Bussum 1975, p. 479-485.

Commentaar

1843
Dit is een kunstsprookje, geen volkssprookje.
Oorspronkelijke titel: Nattergalen.
Ook wel bekend als: De Chinese nachtegaal.

Naam Overig in Tekst

Chinees    Chinees   

Chinezen    Chinezen   

(Here) God    (Here) God   

Uwe Keizerlijke Majesteit    Uwe Keizerlijke Majesteit   

Zijne Keizerlijke Genade    Zijne Keizerlijke Genade   

Nachte    Nachte   

Dood    Dood   

Naam Locatie in Tekst

China    China   

Japan    Japan   

Gaal    Gaal   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20