Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

LIMB0015 - Riddert's verbond met den Booze

Een sage (boek), 1923

Hoofdtekst

Riddert's verbond met den Booze
Bij Maaseik lag vroeger een kasteel, bewoond door een zeer rijken edelman, Riddert geheeten.
Hoe hij dien rijkdom verworven had, wist niemand. Het volk vertelde, dat de duivel hem zijne schatten bezorgde, waarvoor Riddert schriftelijk aan satan zijn ziel verkocht had. Na zeven jaren zou de duivel die komen opeischen.
Het was een mooie Meidag. De seringen geurden in den kasteeltuin; overal straalde het rijke geel van den gouden regen, in trossen neerhangend; de bloemperken droegen een overdadige weelde van blauwe, witte, roode en rose bloemen, waarover nijvere bijen zoemden en dartele vlinders fladderden in luchtige bedrijvigheid. De lente vierde hoogtij in jubel van kleuren onder een blauw-serene lucht met lichte verder van blankdoorzonde wolkjes. En de vogels zongen hun schoonste liederen uit boomen en struiken, verscholen in het dichte loover, waar de nestjes met naarstige zorg en vlijt gebouwd waren en de gaaikes op de eitjes zaten te broeden. Wat een geroep en gekwinkeleer overal, nu en dan overstemd door luid gefluit of lang aangehouden trillers! De orgelende keeltjes kenden geen rust. Onvermoeid zong het kwieke vogelvolk, elk naar eigen tong en tale, met een eigen accent, hoog uitgehaald of laag gespannen, en ze verstonden blijkbaar elkaar, want in roep en wederroep klonk iets als van vraag en antwoord.
De pluimgraaf, op het goed belast met de zorg voor de vlaken, pauwen, fazanten, kalkoenen en wat de volière verder bevolkte, kende de vogeltaal en vertolkte eenige gasten, die met hem in den tuin wandelden, de wondere klanken.
“Daar hei je den wielewaal,” zei hij. “Luister eens. Het mannetje plaagt zijn vrouw: “ ’k Trouw ’n rieke wieuw” (weduwe). Maar het gaaiken is welgetongd en antwoordt hem spottend: “Zeker kommende week”, en dan scheldt zij hem uit voor “Peer Verwiele”, waarop hij heel cynisch vraagt: “Biete dich de vleu (vlooien) ouch?”
De musch typeert zichzelf met zijn “Dief, dief”.
De boekvink, wetend dat hij in gevangenschap op de kruk de broek aankrijgt, vermaakt zich in vrijheid met de zinspeling daarop: “Schreur, schreur (kleermaker), doe maaks mich de boks (broek) te wiet.”
Boven het korenveld achter den tuin stijgt een leeuwerik de lucht in, hooger, hooger, altijd hooger, totdat hij nog maar zichtbaar is als een onbeduidend stipje in de eindelooze ruimte. Terwijl hij zich boven de aarde verheft, zingt hij:
Leeven Heerke, maag ich in dn hemel komme,
Ich zal dan nooit meer, nooit meer vlooke

Want eens vloekte hij en daarom had Onze Lieve Heer hem den toegang tot den hemel ontzegd. Nu doet hij iederen dag opnieuw meermalen een poging om er toch weer in te komen, terwijl hij zijn zonde belijdt. Zijn berouw is echter niet oprecht en hij streeft niet standvastig genoeg naar verbetering. Onder het dalen, bij het prijsgeven zijner poging, roept hij dan ook telkens weer als in wanhoop: “Duvel, duvel, duvel.”
In de buurt kwatpetat een kwartelslag.
“het koren zal duur worden dit haar,” oordeelt de pluimgraaf, want:
Zooveul keer es de kwartel schleit,
Zooveul sjilling kost het kore.

Het amusante gesprek wordt onderbroken door het luiden eener bel, het teekend dat de gasten binnen verwacht worden.
In de groote zaal van het kasteel bevindt zich heel wat volk, meerendeels verwanten en vrienden van den burchtheer, door hem voor heden genoodigd op een luisterrijk maal.
De dischkaart licht ons in over hetgeen er al zoo geboden wordt.
Het eerste gerecht betaat uit: potagie met worsten; rijs; schaepvoeten; gesprengt vleesch van thien pont stuck, caut; hamelenbauten gelardeert, van thien pint stuck, caut; gestoffde hunnen; braeyverckskens, caut; taerten; gansen gebraden, caut; kieckenpasteyen; venesoen huspot; ballekens; hamele schauwers van 8 pont stuck.
Het tweede gerecht bevat; calfsvleesch gebraeyen; calckoenen gebraeyen; griffioelkens; lamvleesch gebraeyen; capuinen gebraeyen; wilde conijnen of halfhasen gebraeyen; feysanten gebraeyen; popetan; venesoen; olijven; cappers; oraignie appels.
Als derde gerecht: patrijs pasteyen; calckoen pasteyen; venesoen pasteyen; haes pasteyen; feysante pasteyen; pauwen pasteyen; swaene pasteyen; wilde verckenshoofden; mostaerd met suycker; blanc-menge; wesphaelsche hespen; tongen.
Voor dessert zouden worden opgediend: massepeynen; taerten; castelingen (kastanjes); bancket suycker; bisquiet; caneel romeyn; drooge sucade; marmeladen; bocade; parmesan; anchiovis; appelen; peren gebraden; noten; druyven.
Deze spijzen staan gedeeltelijk reeds gereed op de proeftafels, geflankeerd door kruiken water en bier, en uitheemsche wijnen in flesschen en karaffen van verschillende vorm en kleur. Want het eten is sterk gekruid en verwekt dorst.
Waarvoor dit feest juist nu gevierd werd, op zoo’n ongewonen tijd, wist niemand. Allerlei gissingen waren gemaakt en ook geuit, maar het eene praatje na het ander moest het afleggen.
Riddert beantwoordde de vragen, hem hierover gesteld, zoo halfslachtig dat ook dit niemand zekerheid verschafte en men zich moest tevreden stellen met het bescheid, dat hij straks wel meer zou zeggen.
Hierdoor was de stemming aan den disch aanvankelijk eenigzins gedrukt. Naarmate de gangen der gerechten elkaar opvolgden, vermeerderde de zonnige stemming, en ten slotte vierde de levenslust hoogtij, zelfs bij de ernstigste gasten.
De zangers en muzikanten, van elders ontboden om het feest op te luisteren, hielden er de opgewektheid in door vroolijke liederen en leutige samenspraken, terwijl zij hunne stof hoofdzakelijk ontleenden aan het hoofsche leven van ridders en jonkvrouwen.
Bij het einde van den feestdag – het was reeds laat geworden – kwam Riddert met de zoo lang verbeide opheldering, waarom dit banket thans door hem was aangeboden. Hij vertelde, dat voor hem het beslissende uur was aangebroken, waarop hij zich in de macht van den Booze moest stellen, omdat de duur der door hem aangegane verbintenis voor het aardsch bestaan verstreken was. Tegen middernacht moest hij zich aan de linde op het Zand bevinden, waar de satan hem zou opwachten.
Ontsteltenis was op aller gelaat te lezen. De luidruchtigheid en uitbundigheid van zooeven lag saamgestort, zooals grauwe assche van een gedoofd vuur; zelfs geen vonkje sprankelde weer op.
Verschillende gasten trachtten Riddert te overreden van zijn voornemen af te zien, hem wijzend op de boosheid zijner daad en de droevige gevolgen voor de gansche eeuwigheid. Doch al die pogingen bleken vruchteloos.

Riddert achtte zich door zijn eerewoord gebonden en was vast besloten dit gestand te doen.
Het eenige, waartoe hij nog bereid gevonden werd, was het instellen van een afscheidsdrank op Sint-Geertenminne en Sint-Jansgeleide, volgens landelijke zede.
De H. Geertruid gold voor de beschermheilige der reizigers.
Ter verklaring van het gebruik der Sint-Geertenminne wordt het volgende verhaald van de H. Gertrudis, de dochter van den Frankischen hofmeier Pepijn van Landen. Na den dood van haar vader nam de vrome maagd den sluier aan en werd later abdis van een klooster te Nivelles. Toen zij zich in het klooster begeven had, trachtte een ridder, dien zij vroeger had bemind, opnieuw hare liefde te verwerven. Maar Geertruid had voorgoed Jesus tot bruidegom verkoren en vertrouwde haar heil toe aan Hem, zijne Heilige Moeder en zijn meest beminden leerling, den H. Joannes. De ridder wilde echter hare vriendschap niet derven. Hij liet van alles maken voor het convent en verwierf zich daardoor de genegenheid der kloosterlingen, van wie niemand bevroedde, waarom hij zulke zware onkosten getroostte. Hij bleef daarmee voortgaan, zoo zelfs dat hij tot armoede verviel, zijn hoogen stand niet meer naar behooren kon ophouden en gebrek leed. Toen kwam de duivel tot hem in menschelijke gedaante. Hij groette den ridder en vroeg hem naar de oorzaak van zijn leed, terwijl hij zich bereid verklaarde hem uit den nood te helpen, mits hij zich na zeven jaren te zijner beschikking stelde. Hiertoe liet zich de ridder na eenig aarzelen vinden. Toen echte die tijd verstreken was, wilde hij toch eerst afscheid nemen van de kloosterlingen. Geertruid, die van zijn boosheid wist, noodde hem tot een dronk ter nagedachtenis van haar en stelde hem onder bescherming van Sint Jan. Daarna begaf de ridder zich naar de afgesproken plaats. De Booze, aan wien hij zeven jaar geleden ziel en lijf verpand had, verscheen, maar verweet hem zijn gedrag, want door Geertruids gebed en den afscheidsdronk bij haar was hem alle macht over zijn slachtoffer benomen.
Te verwonderen was het dus niet, dat de gasten Riddert tot dien drank noodden.
Na het rondreiken van den vriendschapsbeker verliet Riddert de zaal. Een korte poos later red hij weg van het erf in de richting van het dorp Heppener.
Al van verre zag hij den duivel onder de linde staan, in de hand den zegelbrief met het noodlottige verdrag.
Riddert kende den inhoud. De vijf punten, die hij zich verplicht had na te leven, luidden: dat hij God en de hemelsche geesten moest afzweren;
dat hij de vijand zou zijn van alle menschen, in ’t bijzonder van wie hem straffen wilden vanwege zijn slecht leven;
dat hij niet gehoorzamen zou aan de priesters en andere geestelijke personen, maar hen bekampen zou;
dat hij zich zou onthouden van kerkbezoek, het bijwonen van preeken en het gebruik der Sacramenten;
dat hij het huwelijk zou haten en nimmer zou trouwen.
Eigenhandig had hij indertijd dien schuldbrief met zijn bloed onderteekend. Goddeloos en lichtzinnig was dienovereenkomstig zijn leven geweest. De Booze had hem aardsche goederen en genoegens overvloedig verschaft, en daarvan had hij genoten zonder veel te denken aan hoogere belangen. Terwijl misoogst het land teisterde, stonden zijne schuren vol graan. Over geld beschikte hij altijd ruimschoots, zoodat hij zich naar hartelust had kunnen overgeven aan het soek en de brasserijen, hiermee meestal verbonden. In de gezelschappen der voornamen was hij steeds kunnen verschijnen in de kostbaarste kleedij. Van de fijnste spijzen en dranken mocht hij genieten. Hout voor het haardvuur had hem nooit ontbroken. In eer en aanzien had hij geleefd te midden van weelde en alle gemakken.

Maar nu!
De zeven jaren, hem vergund door den satan, waren voorbij. Als loon voor wat de Booze verleend had, als prijs voor zinnelijke genietingen, hem toegestaan, moest hij thans zijn ziel inlossen, en die zou eeuwig moeten boeten voor het misdreven kwaad.
Riddert huiverde bij die gedachte.
Zou hij alsnog terugkeeren en zich met God verzoenen?
Die goede gedachte werd versmoord door de wanhoopsidee, die zich beklemmend aan hem opdrong.
Dus reed hij verder in de richting van de linde.
Naargelang hij den boom meer naderde, hoorde hij echter den duivel luider jammeren en weeklagen, zonder dat hij wist waarom.
Eindelijk was hij dicht genoeg bij hem om duidelijk de woorden te kunnen verstaan: “Als de hemelsche maagd, die achter je te paard zit, niet verdwijnt, kan ik je niet te woord staan.”
Riddert begreep niemendal van dat gezegde. Nieuwsgierig keerde hij zich om. Waarachtig, Sint Geertrui vergezelde hem!
Hij sprong onmiddellijk van zijn paard en stortte zich op de knieën om God en zijn heilige te danken voor de genade, hem verleend. Onder tranen van waarachtig berouw beleed hij zijne schuld, vroeg vergiffenis en beloofde zich voortaan geheel te zullen wijden aan den dienst van God en zijne Kerk.
De duivel, van dit schouwspel getuige, stiet een vervaarlijk gehuil uit, terwijl hij woedend het gezegeld perkament aan stukken reet. De prooi, waarvan hij zich verzekerd dacht, was hem ontgaan.
Riddert leidde nog geruimen tijd nadien een stichtelijk leven in gebed en goede werken en stierf in geur van vroomheid.

Onderwerp

SINSAG 0865 - Die Macht des Gebetes; Teufel kann mit seinem Opfer nicht an einem Betenden vorbeigehen.    SINSAG 0865 - Die Macht des Gebetes; Teufel kann mit seinem Opfer nicht an einem Betenden vorbeigehen.   

Beschrijving

Ridder heeft verdrag met de duivel gesloten waardoor hij zeven jaar in grote rijkdom kan leven, maar daarna moet hij zijn ziel geven die eeuwig moet boeten. Aan de vooravond van de overgave aan de duivel geeft hij een groot banket, met een afscheidsdronk op St. Geertrui. Op weg naar de duivel vergezelt de heilige hem, waardoor de duivel zijn macht niet kan uitoefenen. De man leeft daarna in vroomheid.

Bron

J. Kleijntjens, H.H. Knippenberg. Limburgsche sagen. Uit droom- en fantasiewereld I. Leiden 1923, p. 99-110.

Commentaar

1923
De tweede verteller is Kleijntjens, J.
Der Teufelsvertrag zurückgegeben

Naam Overig in Tekst

Riddert    Riddert   

Mei    Mei   

Leeven Heerke    Leeven Heerke   

Lieve Heer    Lieve Heer   

Sint-Geertenminne    Sint-Geertenminne   

Sint-Jansgeleide    Sint-Jansgeleide   

H. Geertruid    H. Geertruid   

H. Gertrudis    H. Gertrudis   

Frankische    Frankische   

Pepijn van Landen    Pepijn van Landen   

Jesus    Jesus   

Jezus    Jezus   

Heilige Moeder    Heilige Moeder   

H. Joannes    H. Joannes   

Sint Jan    Sint Jan   

Heppener    Heppener   

God    God   

Sint Geertrui    Sint Geertrui   

Peer Verwiele    Peer Verwiele   

Onze Lieve Heer    Onze Lieve Heer   

Naam Locatie in Tekst

Maaseik    Maaseik   

Booze    Booze   

Zand    Zand   

Nivelles    Nivelles   

Plaats van Handelen

Maaseik (BeLb)    Maaseik (BeLb)   

Kloekenummer in tekst

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20