Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BLECOURTNB0139 - 3.3. De Roode Advocaat

Een sprookje (boek), 1893

Hoofdtekst

3.3. De Roode Advocaat
Vader en moeder waren vroegtijdig gestorven en hadden twee kinderen - beiden zoontjes - onverzorgd achtergelaten. De kleinen waren daardoor ten laste van het armbestuur gekomen en dit bestuur had hunne verzorging in het openbaar aanbesteed en gegund aan den minst biedende, - een arme buurman, die voor een beetje geld nu de weezen in huis had genomen en daartoe meer uit medelijden dan wel uit winstbejag was overgegaan.
Zijn eerste zorg was geweest de beide kinderen geregeld naar school te zenden, want hij zelf had dikwijls ondervonden hoe lastig het was niet te kunnen lezen of schrijven en tusschen de schooluren in had hij hen huiswerk laten doen ten einde hen reeds spoedig aan lichamelijken arbeid te gewennen.
De dorpsonderwijzer had echter weldra opgemerkt dat de oudste jongen een vlug verstand en een goed geheugen bezat terwijl de boer den jongste der beide weezen had leeren waardeeren als iemand die zich gaarne met zwaren arbeid bezig hield.
Toen de jongste zeven jaren geworden was werd hij dan ook van school genomen om voor den landbouw te worden opgeleid. Hij was zoo gezond als een visch, zoo werkzaam als eene mier en binnen een tiental jaren zoo sterk als een paard, had zich spoedig op het boerderijtje onmisbaar weten te maken en was zijnen weldoener in diens ouderdom ten steun en zege geworden.
De oudste was naar school blijven gaan en was op zijn veertiende jaar, nadat hij zich in allerlei kundigheden had bekwaamd, door den rentmeester des konings op het kantoor genomen, had zich daar ook spoedig onmisbaar weten te maken en was weldra de rechterhand van zijnen heer en meester geworden.
Nu gebeurde het op zekeren tijd dat de rentmeester een bevelschrift van zijnen koning ontving waarbij hem werd aangezegd het rentmeesterschap in eene verafgelegen provincie te gaan waarnemen. Na langdurig wikken en wegen werd besloten dat de oudste der weezen met hem zoude medegaan. Deze trok dan ook na een droevig afscheid van zijnen broeder en van hun beider weldoener te hebben genomen met den rentmeester naar diens nieuwe standplaats heen. En nu verliepen er dertig lange jaren zonder dat de beide broeders eenige tijding van elkaar ontvingen. De medelijdende boer was ondertusschen gestorven en de jongste der weezen was met diens eenige dochter getrouwd. Hij had daardoor het boerderijtje geërfd en kon nu door zwaren arbeid en door goed oppassen voldoende maar toch slechts karig in zijn onderhoud voorzien, want gij weet het van geld overleggen is op een meierijsch heiboerderijtje geen sprake.
Op zekeren dag verscheen er een bode in het dorp die hem tijding kwam brengen uit het verre land waarheen zijn broeder met den rentmeester nu dertig jaren geleden was heengegaan.
De rentmeester, aldus verhaalde de bode, was tien jaar geleden gestorven en had al zijn geld en goed achtergelaten aan den wees, die hem zoolang met trouwen eerlijkheid had gediend. En de koning had dezen als den opvolger des rentmeesters aangewezen, maar nu eenigen tijd geleden was hij zelf gestorven, niet echter dan na zijnen broeder tot erfgenaam van zijn groot vermogen te hebben benoemd.
Weldra begaf de erfgenaam zich op reis naar de plaats waar zijn broeder was overleden en toen hij daar, na eene voetreis van verschillende weken, was aangekomen, verkocht hij huis en hof, stak de opbrengst daarvan en al het geld dat zijn broeder hem had nagelaten, in een reiszak en keerde met dien last beladen weder huiswaarts.
Op zekeren avond moest hij onderweg in een dorpsherberg overnachten. De kastelein en zijne vrouw, die den zwaren reiszak reeds met een begeerig oog hadden gadegeslagen, openden des nachts den zak, telden den schat en hielden nauwkeurig aanteekening van het aantal geldstukken van elke soort dat hij inhield. Ze gingen daarna tot den schout van het dorp en verhaalden hem dat er een vreemdeling bij hem zijne intrek had genomen en dat deze al hun geld had gestolen.
De schout en zijne dienaars waren spoedig ter plaatse aanwezig en namen den reiziger gevangen. En toen den volgenden dag bleek dat de reiszak juist het aantal geldstukken inhield zooals dit door den kastelein en diens vrouw was opgegeven werd er aan zijne schuld niet getwijfeld en werd hij veroordeeld om na drie dagen te worden opgehangen. Tot zoo lang werd hij in den dievenkelder opgesloten en kon hij daar over zijn treurig lot nadenken. Weenende zat hij op zijne legerstede neer toen, juist te middernacht, eensklaps een vreemde heer voor hem stond, geheel in het rood gekleed en die hem vroeg waarom hij hier gevangen zat. De ongelukkige deed een trouw verhaal van het gebeurde en toen hij geëindigd had zeide de vreemdeling hem dat hij de duivel was en dat hij hem verlossen zoude en zijn geld terug bezorgen indien hij zijne ziel aan hem zoude willen verkoopen.
De gevangene weigerde dit echter en bleef weigeren toen de duivel hem ook den tweeden en den derden nacht een zelfde voorstel kwam doen. De laatste maal hield de duivel zeer lang aan en spiegelde den gevangene in alle kleuren en geuren het heerlijk leventje voor dat hij met al dat geld zoude kunnen leiden. Maar alles te vergeefs en toen de duivel ten langen laatste ging begrijpen dat hier voor hem geen zaken waren te maken, zeide hij: welnu, dan zal ik u toch helpen; indien u morgen naar oude gewoonte zal worden vergund nog een woord te spreken, zeg dan dat gij Uwe verdediging aan den rooden advocaat hebt opgedragen; de rest volgt dan van zelf. De gevangene beloofde den duivel dit te zullen doen en toen hij den volgende morgen het schavot had beklommen antwoordde hij dan ook werkelijk op de vraag van de rechters of hij nog wat te zeggen had: 'ik heb mijne verdediging aan den rooden advocaat opgedragen!' Op dat zelfde oogenblik stond een geheel in het rood gekleed heer voor de verbaasde oogen der rechters en niemand had gezien van waar hij
gekomen was. Wilt Gij, aldus sprak hij tot den veroordeelde, bij den Almachtigen God zweeren dat Gij het geld niet hebt gestolen maar dat het u toebehoorde? Ja sprak deze en plechtig legde hij den verlangden eed af. Toen keerde de roode advocaat zich tot den kastelein en diens vrouwen zeide: Wilt ook Gij zweeren dat het geld u toebehoorde? En ook zij waren bereid den verlangden eed te doen. Maar ter nauwernood hadden zij het laatste woord van den eed uitgesproken of 'pak' zei de roode advocaat en men zag hem in woeste vaart wegvliegen den meineedigen kastelein en diens vrouw achter zich na sleepende.
Toen zagen de rechters dat zij een onschuldigen hadden veroordeeld. Zij spraken hem vrij en gaven hem het geld terug. Maar de schout verlangde nu zijn loon en het loon van den beul en de onkosten van het proces. Goed, zei de vrijgesprokene, neem het zelf maar uit den zak, maar als gij één duit te veel neemt dan roep ik mijnen rooden advocaat.
De schout stak er geen hand aan maar droop stilletjes af. Zondere verdere ongevallen kwam de erfgenaam nu met zijn schat thuis; hij kocht de grootste en mooiste boerderij van het dorp en leefde er jaren lang met vrouwen kinderen zoo gelukkig als een mensch maar zijn kan.

Onderwerp

AT 0821A - Thief Rescued by the Devil    AT 0821A - Thief Rescued by the Devil   

ATU 0821A    ATU 0821A   

Beschrijving

Twee broers worden na de dood van hun ouders opgevoed door een buurman. De één kan goed leren en sterft als een vermogend man. De jongste wordt boer. Na de dood van de vermogende broer verkoopt de jongste de bezittingen. Op weg naar huis overnacht hij in een herberg waar de kastelein en zijn vrouw zijn reiszak openen, het geld tellen en de volgende dag aangeven dat hij hun bestolen heeft. De man wordt gevangen gezet, gaat drie maal niet in op het voorstel van de duivel hem te verlossen en het geld terug te bezorgen in ruil voor zijn ziel. De duivel helpt hem dan door het advies om als hij het laatste woord krijgt te zeggen dat hij de verdediging aan de rode advocaat heeft opgedragen. De man volgt de raad op, waarop een in het rood geklede heer hem vraagt of hij wil zweren dat hij het geld niet heeft gestolen. Dat vraagt hij ook aan de kastelein en zijn vrouw die hij als zij ook de eed zweren door de rode advocaat wordt opgepakt en met hen wegvliegt. De man wordt vrijgesproken en gaat naar huis.

Bron

Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Noord Brabant, Utrecht [etc.]: Het Spectrum, 1980. p. 94-96

Motief

G303.22.11 - Devil as advocate of falsely condemned men.    G303.22.11 - Devil as advocate of falsely condemned men.   

M215 - With his whole heart: devil carries off judge.    M215 - With his whole heart: devil carries off judge.   

Commentaar

1893
Motief: G303.22.11 Devil as advocate of falsely condemned men; vgl. M215 With his whole heart: devil carries off judge.
<br>
inv. no. R3a.2. S.M821a.1; AT 821A Thief Rescued by the Devil; LS E286 Teufel holt Meineidigen.
3. Sprookjes en natuurgeloof. Verhalen vanuit Helmond verzameld
Verhalen, sprookjes, anekdoten en mededelingen over volksgeloof, verzameld en/of opgetekend door August Hendrik Sassen. Uit zijn handschriftenverzameling, berustend in de bibliotheek van het Provinciaal Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant te 's Hertogenbosch.
Sassen werd geboren te 's Hertogenbosch op 6 maart 1853. Hij was archivaris en notaris te Helmond, en overleed op 22 juni 1913 te 's Gravenhage (zie Juten & Juten 1913, A.F.O. van Sasse van Ysselt 1914). Hij was de stuwende kracht achter het volkskundig onderzoek in Noord-Brabant aan het einde van de vorige eeuw. Om dit te bevorderen stichtte hij onder meer twee tijdschriften: het Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis, Taal- en Letterkunde, en de Noordbrabantsche Almanak. Jaarboekje voor Noordbrabantsche geschiedenis, taal- en letterkunde.
Beide tijdschriften moesten evenwel na elkaar wegens financiële moeilijkheden stopgezet worden (zie ook de Inleiding). Door zijn werk, zijn vele activiteiten (hij was o.a. gemeenteraadslid van Helmond, regisseur van jeugdtoneelstukken, voorzitter van de vereniging tot drankbestrijding; en commandant van de plaatselijke schutterij), en zijn vroege dood is het hem niet gelukt de vele aan hem toegezonden en door hemzelf verzamelde gegevens over o.a. taalkunde, volksgebruiken, boerenalmanakken, kinderrijmen en spelen, en volksliederen zelf tot een of meerdere boeken te verwerken (zie voor verdere biografische gegevens Knippenberg 1952).
Een deel van zijn handschriftenverzameling bevindt zich te 's Hertogenbosch. Dit werd in 1943 en 1944 gerubriceerd en gecatalogiseerd. Het hier gepubliceerde deel daarvan werd eerder grotendeels, al dan niet in bewerkte vorm, bekend gemaakt door J.R.W. Sinninghe, zij het zonder opgave van inventarisnummer. Een aantal van de door Sinninghe aan Sassen toegeschreven verhalen is evenwel niet meer in 's Hertogenbosch te vinden, o.a. Sinninghe 1978: 16 (gloeiige te Duizel), 21 (dwaallichten), 36 (zelfmoordenaar in gedaante hond te Boxmeer), 45 (spookhaas te Mierlo), 81-83 (heksen in de gedaante van een kat), en 100 (weerwolf te Breda). Het wachten is op een volledige publicatie van het nog in 's Hertogenbosch aanwezige materiaal.
Thief Rescued by the Devil

Naam Overig in Tekst

Meijerijsch    Meijerijsch   

Meijerijs    Meijerijs   

God    God   

Plaats van Handelen

Helmond (Noord-Brabant)    Helmond (Noord-Brabant)   

Kloekenummer in tekst

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20