Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VVLL01 - Het Grote Schip

Een sage (boek), 1989

Hoofdtekst

Op de Noordzee vaart het grootste schip aller tijden. Groter dan de grootste reuzentanker en veel mooier want het is een echt onvervalst zeilschip.
De zeilen bollen als witte stapelwolken tegen de horizon. De masten verdwijnen in de hemel. Een jongen die naar boven wordt gestuurd komt als grijsaard weer beneden. Daarom zijn de mastkorven onderweg rijk voorzien van proviand, dat kan je begrijpen. Ze kennen het langs elke Noordzeekust, van Noorwegen tot Noord-Frankrijk kan het zeevolk ervan meepraten. Te zien krijg je het niet gauw. Het stuift voorbij in een vliegende storm en een regenvlaag, of het sluipt stilletjes langs in de mist van een zeevlam.
Zelfs met mooi weer, blijft het te groot voor een mensenoog om in enen te overzien. De zeilen zie je immers voor wolken aan.
Maar het bestaat waarachtig wel.
De mensen hebben het doorverteld van geslacht op geslacht.
De overgrootvader van mijn grootje had het van zijn grootvader. En mijn grootje liegt niet.
Het is misschien wel het oudste schip ter wereld.
Toen Engeland en Frankrijk nog met een eindje land aan mekaar zaten, is het Grote Schip er met dichte mist eens dwars doorheen gevaren.
Daar is nu het Nauw van Calais en bij Dover zijn de rotsen nog wit van toen het er langs schuurde. Dat gebeurde voor mensenheugenis, kan je zien hoe oud het is.
Het heeft in elke taal zijn eigen naam. De Almacht, de Mannigfual, het schip van Ternuten. Zeg gerust het Grote Schip, dan weet iedere zeeman wat je bedoelt.
Verwar het nooit met de Vliegende Hollander, dat zou een zware belediging zijn.
Dat duivelse spookding hoort thuis bij Kaap de Goede Hoop en het is niets dan een vals verzinsel van de Engelsen die minder snel om die Kaap kwamen dan de Hollanders. Pure jaloezie dus!
Aan het Grote Schip is niets duivels. Het raakt hoogstens door zijn enorme afmetingen soms in de knoei.
Zo verzeilde het eens bij een noordwesterstorm in de Zuiderzee. Dat was nog een geweldige plas, lang voor de Zuiderzeedijk en de inpoldering van het halve Ijsselmeer. Maar tussen Marken en Urk in de buurt van Amsterdam, werd het toch een machtig nauw vaarwater.
Wie heeft het toen gezien? De Urkers, maar die doen of hun neus bloedt.
Gelukkig was die kleine koksmaat erbij om het na te vertellen.
Jobken was bij zijn moeder weggelopen omdat ze alweer erwtensoep aten. Hij was pas acht jaar maar dat vond hij groot genoeg. En de schipper van het kofschip waar hij aanmonsterde keek niet zo nauw toen die dreumes beweerde dat hij tien was. En hij vroeg niet naar de toestemming van de moeder. Maar dat zou hem lelijk opbreken, want midden op de Noordzee sleurde een grote golf de boot naar de diepte.
Jobken wist niet wat hem overkwam. Zo lag hij te spartelen in het zoute water, zo kreeg hij een pikhaak in zijn broek en werd hij eruit gevist. Toen stond hij druipend op een vreemd dek. Tenminste zo leek het, hij had houten plankier onder zijn voeten, hele lange planken, maar was dit wel een schip? Het was zo groot als de wereld.
Er liep een leger matrozen het dek te zwabberen en de mast was zo dik als een kerktoren. In het want zaten zoveel mannen als spreeuwen in een spreeuwenbom.
Er kwam een zwart paard aangalopperen. Daarop reed de kapitein, hij had een zwarte baard en witte tanden.
‘Wat doet die spiering hier aan boord?’ bulderde hij.
‘Ik ben geen spiering, ik ben Jobken,’ zei deze beledigd,
‘En ik kan best roeien.’ Dat was waar, op de sloot achter moeders huis.
‘Dan zal je roeien,’ zei de kapitein, ‘Passagiers neem ik niet mee.’ Hij nam Jobken op zijn paard en reed met hem naar de kombuis. Er stond een reusachtige pan op het vuur.
Langs een touwladder klom de kok met Jobken tegen de pan op en toen keek de nieuwbakken koksmaat in een meer van groene pruttelende erwtensoep! Er lag een roeibootje klaar.
‘Stap in,’ zei de kok, ‘En roeien maar’.
Terwijl Jobken aan de riemen trok, roerde de kok met een immense pollepel, urenlang rond en rond in de erwtensoep.
Het was goede erwtensoep, met veel worst en kluiven.
'Jij kookt lekkerder erwtensoep dan mijn moeder,’ zei Jobken tegen zijn nieuwe baas.
‘Dat is ook de bedoeling,’ antwoordde de kok, ‘Niemand moet hier aan boord verlangen naar de soep van thuis.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat niemand ooit meer thuis komt natuurlijk.’
Dat was een hele schok, want dat had Jobken niet geweten.
‘Verdronken zeelieden zijn hier aan boord voor de eeuwigheid,’ legde de kok uit, ‘Het is een goed schip, de kapitein is streng maar rechtvaardig, het eten is uitstekend, het scheepsbeschuit altijd vers, een slok rum toe. Het beste schip waar een zeeman op kan varen. Waarom zou je naar huis verlangen?’
Maar voor Jobken was de smaak van de erwtensoep er af.
Van rum hield hij niet en hij kauwde met lange tanden op zijn scheepsbeschuit.
En nu puntje bij paaltje kwam verlangde hij verschrikkelijk naar zijn moeder.
Maar hij zei niets.
Jobken was pas acht maar niet dom. Soms is het beter om je gedachten voor je te houden.
Ieder uurtje dat hij vrij was van de soeppan hing hij bij de reling rond. Hier klom hij ook tegen een lange ladder op, van boven keek hij uit over de wijde zee.
Nergens land, nergens een ander schip. Een lege horizon.
Een tijd later, een ogenblik of een eeuwigheid, stak er een zware noordwester op.
Geheel onverwacht. En ze voeren juist door de Waddenzee. Voordat hij het wist was de kapitein in de Zuiderzee verzeild, voorbij Enkhuizen al, en voordat hij het roer kon omgooien bijna in Amsterdam.
Zo’n gevaarte als het Grote Schip ligt niet gauw stil.
Dat hachelijke ogenblik zochten de Urkers uit om de vreemdeling te belagen. In hun kleine bootjes probeerden ze het Grote Schip te enteren, hondsbrutaal kruisten ze om de boeg. Urkers zijn vanouds zeer gewiekste zeelieden en in die tijd waren ze van een stukje zeeroof ook niet afkerig. Want dit is lang geleden.
De kapitein moest tegelijk zijn schip in veilig water en de Urkers op een afstand houden. Het was een noodtoestand. Alle hens aan dek!
De kok vloog de kombuis uit met een puts kokende erwtensoep die hij op de koppen van de Urkers omkieperde. Niemand had tijd om aan een kleine koksmaat te denken.
Jobken lag op zijn buik over de reling turend door storm en regen naar de notedopjes in de diepte.
Jonge ogen zijn scherp. Urkerbroeken zag hij. En was dat een glimp van hun eiland? Het was laat op de dag, het schemerde al. In die grijsheid leek alles eender, wat was zee, wat was land…
Toen keek hij opeens in het groen. Een groene vlakte. Weiland. Koeien. Daar had je de roodbonte van boer Derks! Jobken wist niet dat hij zoveel van koeien hield. Dat hem intussen een tweede schipbreuk boven het hoofd hing had hij niet door.
Gelukkig was zijn kapitein de bekwaamste zeevaarder van de Noordzee. Voordat er werkelijk een ramp gebeurde, juist voordat het de haven van Amsterdam verpletterde kon hij zijn schip keren.
Het scheelde een haartje.
Bij de laatste wanhopige wending zwiepte de boegspriet nog ver over het land. Daarbij werden de torenspitsen van Ransdorp, Muiderberg en Elburg eraf gemaaid.
In dezelfde zwiep rolde er een jongetje in het weiland van boer Derks.
Een kwartiertje later lichtte Jobken de klink van zijn moeders achterdeur. Daar stond een doorweekt zoontje, met een gescheurde broek. ‘Waar kom jij vandaan?’
In een deken gewikkeld, naast de pruttelende pan erwtensoep in zijn eigen keuken vertelde Jobken van het Grote Schip.
Het werd een heel verhaal.
Zijn moeder was zo blij dat ze hem terughad dat ze alles geloofde wat hij zei. Ook van de scheur in zijn broek door de pikhaak.
De volgende morgen stond het dorp bol van Jobkens avonturen.
Wie het niet gelooft gaat maar kijken naar de torenspits van Elburg.

Onderwerp

AT 1960H - The Great Ship    AT 1960H - The Great Ship   

ATU 1960H    ATU 1960H   

Beschrijving

Een Hollandse jongen loopt weg van huis omdat zijn moeder voor de zoveelste keer erwtensoep maakt. Hij gaat mee met een schip, dat midden op zee omslaat. Ineens komt hij op een ander, enorm zeilschip terecht. Dit schip vaart op de Noordzee en is zó groot dat het door mensen niet wordt gezien. Het is misschien wel het oudste schip ter wereld. De jongen moet daar meehelpen door te roeien in een enorme pan vol met erwtensoep. Hij hoort dat mensen die op het grote schip terechtkomen, nooit meer thuiskomen. Ineens verlangt hij terug naar zijn moeder en diens erwtensoep.
Dan wordt het schip tegelijkertijd door een storm en een groep zeerovers overvallen. Het verplettert bijna de haven van Amsterdam, maar de kapitein weet op het nippertje het schip te keren. Bij die zwiep worden de torenspitsen van een aantal torens er wel vanaf gemaaid, en in diezelfde zwiep wordt het jongetje weer in het weiland bij zijn huis geworpen. Thuisgekomen is zijn moeder zo blij om hem te zien dat ze zijn verhaal meteen gelooft.

Bron

Alet Schouten: Volksverhalen der Lage Landen. Illustraties door Anton Pieck. Houten 1989, pp. 6-9.

Commentaar

1989
Qua structuur misschien meer sprookje...
The Great Ship

Naam Overig in Tekst

Noord-Frankrijk    Noord-Frankrijk   

Grote Schip    Grote Schip   

Almacht    Almacht   

Mannigfual    Mannigfual   

Ternuten    Ternuten   

Vliegende Hollander    Vliegende Hollander   

Waddenzee    Waddenzee   

Hollanders    Hollanders   

Jobken    Jobken   

Derks    Derks   

Urkers    Urkers   

Naam Locatie in Tekst

Noordzee    Noordzee   

Noorwegen    Noorwegen   

Nauw van Calais    Nauw van Calais   

Dover    Dover   

Kaap de Goede Hoop    Kaap de Goede Hoop   

Zuiderzee    Zuiderzee   

Ijsselmeer    Ijsselmeer   

Marken    Marken   

Urk    Urk   

Amsterdam    Amsterdam   

Ransdorp    Ransdorp   

Muiderberg    Muiderberg   

Elburg    Elburg   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20