Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DYKFRIES2018 - Avonturen van een soldaat

Een sprookje (boek), 1896

Herberg.jpg

Hoofdtekst

Avonturen van een soldaat.
Er was eens een soldaat, die Jan heette, die had nog twaalf stuivers traktement te goed, maar toen hij er op aandrong dat hem dit geld zou worden uitbetaald, kreeg hij ten antwoord: dat hij moest wachten. - Hiermeê was Jan niet tevreden, hij zeî tot zijn kapitein: «als gij blijft weigeren ga 'k naar den koning om recht te vragen.» De kapitein zei: «als je wegloopt ben je deserteur en dan zullen we je wel krijgen.» - «Dat doet er niet toe, » zeî Jan, «recht wil ik hebben al is 't om mijn leven.»
En hij begaf zich op reis, want wat hij zich eenmaal in het hoofd had gezet, dat voerde hij ook uit. Toen hij een halven dag geloopen had, was hij vermoeid en ging aan den weg zitten rusten. Er kwam een heerschap langs dien weg, die Jan vroeg wie hij was en waarheen hij reisde. Jan vertelde zijne omstandigheden en nu zeî de heer: «wij kunnen samen reizen, ik ga ook naar de hofstad.» Jan vond dit heel goed en zij gingen verder. Toen 't avond werd, waren zij nog ver van de hofstad en de heer zeide: «in de nabijheid is eene herberg, waar wij kunnen overnachten.» - «Dat zou heel mooi zijn,» zeî Jan, «maar ik heb geen geld op zak.» - Dat beteekent niets,» zeî 't heerschap, «ik betaal voor beide.»
Zij kwamen in de herberg en lieten zich spijs en drank opdisschen. Zij werden bediend door des kasteleins dienstmaagd en toen deze zich even had verwijderd zeî Jan: «die meid ziet zoo treurig, mij dunkt er moet haar iets op het hart liggen; daar wil ik haar naar vragen.» - «Och kom!» zeî het heerschap, «daar heb je niets meê te maken; laat die meid kijken zoo ze wil.» - Jan zeî: «ik wil haar toch vragen." - En hij deed het ook. Het meisje wilde hem eerst niet zeggen waarom zij treurig zag, maar op zijn aanhoudend vragen zeide zij eindelijk: «Ik ben bezorgd over u beide, want uw leven is hier in gevaar. Twaalf roovers hebben hier hun tehuis. De gasten die hier verblijven worden door hen beroofd en vermoord; zij verdwijnen spoorloos. De wreedaards hebben mij als jong meisje hierheen gevoerd en ik zoude gaarne ontvluchten als ik niet vreesde achterhaald en vermoord te worden.»
De heer was zeer beangst en wilde terstond vertrekken; maar Jan zeî: «dat is ook niet zonder gevaar; wij blijven hier en ik wil beproeven die mannen onschadelijk te maken.» Alleen durfde de heer niet afreizen, maar hij wenschte toch wel een veilige schuilplaats te hebben en de meid wees hem een kamertje met een bed. Vervolgens overlegde Jan met haar hoe er gehandeld moest worden. Zij vertelde, dat de roovers, als zij omstreeks middernacht tehuis kwamen, aan het drinken gingen, en dat vooral de hoofdman, wanneer hij door den wijn bevangen was, haar ook niet ongemoeid liet. «Welnu,» zeî Jan, «als gij doen wilt wat ik je zeg, dan wil ik beproeven die mannen klein te krijgen.» Zij beloofde dit en Jan zeî: «Zorg dat zij van avond meer wijn drinken dan gewoonlijk. Hebben zij de hoogte en wil de hoofdman jou aanpakken, tracht hem dan te ontvluchten, maar zoo, dat het licht uit geraakt. Dan sluipt ge de kamer uit, sluit de deur goed en wacht verder maar.»
De roovers kwamen op den gewonen tijd tehuis, maar dronken meer dan gewoon en werden in hooge mate beschonken. Het gelukte de meid het licht te blusschen en de woestaards op te sluiten. Dezen begonnen in de duisternis te vloeken, te schreeuwen, te slaan en te vechten. Toen dit eene poos geduurd had, werd het stil en de soldaat zeî: «neem nu het licht, we zullen de zaak eens onderzoeken.» Zij bevonden, dat het meerendeel der roovers dood was en de overigen zoo zwaar gewond, dat niemand hunner in staat was op te staan. De kamer werd weêr gesloten en men begaf zich ter rust om te slapen zoo goed het wilde gaan. Des anderen morgens vervolgden Jan en zijn heerschap hunne reis, nadat zij de meid een goede geldsom hadden gegeven om hare ouderlijke woning te kunnen opzoeken.
De reizigers konden ook dien dag de hofstad nog niet bereiken en des avonds kwamen zij weêr in eene herberg om er te overnachten. Maar de kastelein zeide: «Ik heb reeds zooveel bezoek gekregen, dat ik slechts één uwer kan herbergen. Ja, ik zou gemakkelijk nog meer gasten kunnen aannemen, want eenige schreden van hier staat nog een huis, ook mijn eigendom en ook voor herberg ingericht, maar daar spookt het. Iemand die het beproeft daar een nacht door te brengen komt er niet levend uit. Men zegt, dat de spokerij verdreven zoude zijn indien het eens iemand mocht gelukken drie nachten na elkander in het huis door te brengen. Voor en na hebben onverschrokken mannen beproefd aan dezen eisch te voldoen, maar het heeft aan allen het leven gekost. En zoo bleef de spokerij tot nu toe aanhouden.
Jan de soldaat zeî: «Dat is een kolfje naar mijn hand. Ik wil het ook beproeven.» De kastelein zeî: «Jij moet het weten. Ik mag het niet aanraden; maar mocht het jou eens gelukken wat zoovelen is mislukt, dan wil ik je gaarne zeer goed beloonen; maar ik kan niet voor je leven instaan.» Jan zeî: «Ik wil het wagen, als gij maar zoo goed wilt zijn mij het een en ander te verschaffen, waarmeê ik mij gedurende den nacht kan bezig houden. Ik wensch te hebben: licht en wat brandstof, een pot met beslag en een koekepan, en verder drie flesschen wijn, wat tabak en een lange pijp.» De kastelein voldeed aan het verlangen van den soldaat en gaf hem ook een vaandel meê, dat hij des anderen morgens kon uitsteken indien hij nog leefde.
Jan begaf zich in het gevreesde huis, ontstak daar in eene der kamers licht, maakte vuur aan op den haard en begon pannekoeken te bakken. Maar telkens als hij er eene gaar had en in den schotel meende te doen, vloog de pannekoek den schoorsteen uit. Hij troostte zich eindelijk maar met het rooken van een pijp tabak en het drinken van een glas wijn. Met klokslag van middernacht werd er krachtig op de kamerdeur geslagen. Jan riep: «wie hier moet zijn, kome binnen!» Hij had dit pas gezegd of hij werd zoo onzacht afgeranseld, dat horen en zien hem verging en hij eindelijk bewusteloos bleef liggen. Toen hij des anderen morgens tot zichzelven kwam, gevoelde hij nog pijn in alle ledematen. Maar hij stak de vlag uit en de kastelein kwam vernemen hoe 't hem was vergaan.
Jan had behoefte aan spijs en drank en dezen werden hem verstrekt. Den tweeden avond waagde hij zich er op nieuw aan en alles ging weêr gelijk, alleen met dit verschil, dat hij nu een nog duchtiger pak slagen kreeg dan den eersten keer. Des anderen morgens was hij half dood en hij dacht: «als 't zóó moet, zal ik den derden nacht er onder bezwijken.» In den loop van den dag wandelde hij het veld in, waar hij eene oude vrouw ontmoette die hem vroeg, waarom hij zoo mismoedig keek. Jan vertelde haar het geval. Zij zeî: «Dan kan ik je raad geven. Als er weêr op de deur wordt geslagen moet je roepen: «Alle goede geesten komen binnen!»
Jan volgde den raad der oude vrouw. En nu kreeg hij geen slagen, maar eene onzichtbare hand greep de zijne en leidde hem naar eene andere kamer. Daar lagen drie lijken in doodsgewaad op den vloer. Daar naast stond eene kist opgehoopt vol geld. «Begraaf deze dooden,» zeî de geest, «geef een derde van dat geld aan de armen en een derde aan de kerk; dan is het overige derdedeel voor u. Dan zullen de geesten rust hebben en dit huis niet meer bezoeken.»
Toen de kastelein des anderen morgens vernam hoe 't nu gegaan was en ook die kist vol geld te zien kreeg, hinderde 't hem zeer, dat hij er niets van mocht hebben. Maar Jan zeî: «Het geld kan toch wel in je familie blijven, kastelein. Ik ben het met je dochter eens geworden; wij wenschen samen te trouwen, indien gij er niet tegen zijt. Als ik van de hofstad terug kom, kan 't huwelijk voltrokken worden.» De kastelein zeî: « Dat je met mijn dochter wilt trouwen is mij wel; maar wat wil je nu nog in de hofstad doen? Dat is om twaalf stuivers immers de moeite niet waard.» Jan zeî: «Dat is nu juist niet om de knikkers, maar om het spel. Ik moet er heen.» En hij reisde er heen. Maar men had er daar reeds kennis van gekregen dat Jan deserteur was; hij werd gevangen genomen en veroordeeld om te worden opgehangen. Doch juist op den dag toen het vonnis zou voltrokken worden schonk de koning gratie. Want zie, het was de koning zelf geweest, die met den soldaat een paar dagen had gereisd en door dezen voor den dood was bewaard in de rooversherberg. Zijne Majesteit beloonde Jan nu met eene belangrijke geldsom en wilde hem ook met een aanzienlijk ambt begiftigen. Maar Jan zeî: «Daar ben ik de man niet voor, Sire! Zoek daarvoor liever iemand die meer geleerd heeft dan ik. Ik ga trouwen met mijn meisje en word kastelein in het spookhuis.» En zoo geschiedde het.

Onderwerp

AT 0326 - The Youth Who Wanted to Learn What Fear Is    AT 0326 - The Youth Who Wanted to Learn What Fear Is   

ATU 0326    ATU 0326   

Beschrijving

Een soldaat, Jan, krijgt niet betaald en wil recht halen bij de koning in de hofstad. Onderweg ontmoet hij een heer. Ze komen bij een herberg waar een roversbende woont. Jan bedenkt een list: de dienstmaagd moet de rovers veel laten drinken en dan het licht uit doen. De rovers raken slaags en moorden elkaar uit. De volgende nacht komen Jan en de heer bij een herberg die vol zit, een tweede herberg van de kastelein kan niet gebruikt worden omdat het daar spookt. Als iemand er drie nachten doorbrengt, zal het spoken ophouden. Jan durft er wel te overnachten. Om middernacht krijgt hij een vreselijk pak slaag. De tweede nacht verloopt net zo. Op de derde dag ontmoet hij een vrouw die hem zegt om middernacht te zeggen: "Alle goede geesten komen binnen!". Jan zegt dit en wordt door een onzichtbare hand naar een kamer geleid waar drie lijken liggen. Deze moet hij begraven. Ook vindt hij geld. Hoewel hij nu rijk is, gaat hij toch naar de hofstad om zijn gelijk te halen. Daar wordt hij opgepakt als deserteur, maar de man met wie hij gereisd heeft, blijkt de koning te zijn, die hem gratie verleent.

Bron

Waling Dykstra: Uit Friesland's volksleven van vroeger en later: volksoverleveringen, volksgebruiken, volksvertellingen, volksbegrippen. Leeuwarden [1896], deel 2, 58-61.

Naam Overig in Tekst

Jan    Jan   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20