Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Gelukkige Hans

Een (),

Onderwerp

Beschrijving

Lucky Hans

Tekst

Hans heeft zeven jaren gewerkt bij een en dezelfde baas en wil nu zijn loon hebben, om daarmee te kunnen terugkeren naar zijn moeder. Zijn baas geeft hem als beloning voor trouwe en eerlijke dienst een goudklomp die even groot is als het hoofd van Hans. Hans gaat op weg met de goudklomp, maar ruilt deze al snel tegen een paard, zodat hij niet verder hoeft te lopen. Wanneer Hans van het paard valt, houdt een boer het dier tegen. Met hem komt Hans tot een volgende overeenkomst: het paard wordt geruild tegen een koe. De koe heeft als voordeel, zo vertelt de boer, dat zij melk geeft, waarvan boter en kaas gemaakt kunnen worden. Maar wanneer Hans de koe wil melken, blijkt het dier geen druppel te geven. Daarom wordt de koe ingewisseld voor een varken, want varkensvlees vindt hij lekkerder dan rundvlees. Een eind verderop maakt iemand hem wijs dat er in het nabijgelegen dorp dieren gestolen zijn. En misschien dat ze Hans zullen verdenken van het stelen van een varken. Hans wordt bang en staat zijn varken af aan de ander, die hem zijn gans geeft. Vrolijk vervolgt hij zijn weg en ontmoet een scharenslijper. Van hem ontvangt Hans slijpstenen in ruil voor de gans. Maar die stenen zijn erg zwaar. Als hij bij een beekje uitrust, vallen de stenen in het water. Hans ziet dit als een geluk bij een ongeluk, want nu hoeft hij ze niet meer te dragen. Opgewekt gaat hij op weg naar zijn moeder. Het sprookje over Gelukkige Hans staat in de typencatalogus van Aarne-Thompson vermeld onder nummer AT 1415 'Lucky Hans'. De inhoud van het hierboven vertelde sprookje is afkomstig uit de tweede druk van de Kinder- und Hausmärchen van de gebroeders Grimm, onder de titel 'Hans im Glück' (nr.83), dat door August Wernickes is opgetekend en gepubliceerd in het tijdschrift Wünschelruthe (33, 1818). Niet alleen in verschillende delen van Europa kent men dit sprookje, maar ook in Noord- en Zuid-Afrika, Indonesië en Amerika. In zowel Nederland als Vlaanderen is dit sprookje vier keer gevonden. Omstreeks 1890 is er in Noord-Brabant een versie van Gelukkige Hans opgetekend. Dat deze Nederlandse versie afwijkt van die van Grimm, blijkt vooral uit het begin van het verhaal. Daar wordt gesproken over een zekere Jan, die een erwt in de grond stopt. De erwt groeit uit tot een plant, die in de hemel reikt. Op een dag krijgt Jan opdracht van zijn moeder langs de bonestengel omhoog te klimmen en aan de Lieve Heer een paar nieuwe schoenen te vragen. Aan de hemelpoort klopt hij aan en ontvangt zilveren schoenen. Terug op aarde begint het ruilen. De schoenen worden geruild tegen een paard. Het paard tegen een koe; de koe tegen een schaap; het schaap tegen een hond; de hond wordt ingewisseld tegen een kat; en de kat tegen drie slijpstenen. Met deze slijpstenen komt Jan een keer bij een poel, waarin kikkers kwaken. Hij denkt dat de kikkers hem voor de gek houden. De reactie van Jan laat niet lang op zich wachten: hij gooit al zijn stenen naar de kikkers. Maar het helpt niet, want het kwaken houdt aan. Droevig keert hij terug naar huis. In de twee mondeling overgeleverde Friese volksverhalen, bijeengebracht door Y. Poortinga, spelen boeren de hoofdrol. Het ene verhaal, verteld door meesterverteller Roel Piters de Jong, staat dichter bij de Grimm-versie dan het andere. De vertelling die de meeste overeenkomsten vertoont, wijkt niettemin op kleine punten ook af van die van Grimm. De boerenknecht in het Friese verhaal krijgt bijvoorbeeld geen goudklomp van zijn baas, zoals in Grimm, maar een paard, waarmee de ruilhandel begint. Bovendien is deze handel groter van opzet dan in het verhaal van Grimm; daar vinden namelijk vijf transacties plaats tegen zes in de Friese versie. De dieren die in de ruil voorkomen zijn, zoals gebruikelijk, weer te verdelen in een bepaalde rangorde: het dier dat de knecht ruilt is in geld uitgedrukt meer waard dan het dier dat hij daarvoor in de plaats ontvangt. Een voorbeeld is de transactie waarbij het paard tegen een koe wordt ingewisseld. Tegen het einde van het verhaal ontvangt de knecht geluksstenen, die hij heeft geruild voor een paar konijnen. Als hij bij een sloot komt, denkt hij dat kikkers -- die bij Grimm niet voorkomen -- hem uitlachen. Hij gooit daarom zijn stenen naar hen toe. In tegenstelling tot de Brabantse versie van Gelukkige Hans, is de jongen blij dat hij zijn stenen kwijt is, omdat ze hem te zwaar waren. De andere Friese vertelling is in 1973 door Poortinga opgetekend uit de monden van de gebroeders Willem en Piter van der Brug. De enige verwantschap van dit verhaal met de Grimm-versie is de ruilhandel in dieren. Een boer gaat naar de markt om zijn melkkoe te verkopen. Daar aangekomen proberen kooplieden hem op de kast te krijgen, door te zeggen dat het dom is zijn enige koe te verkopen. "Vindt je vrouw dat wel goed?" vragen ze hem. Waarop de boer antwoordt dat zijn vrouw met alles tevreden is waarmee hij thuis komt. De kooplieden willen de proef op de som nemen en sluiten met de boer een weddenschap af. Ze ruilen de koe tegen een zwart schaap. De vrouw van de boer is verheugd als ze het schaap ziet, want van de wol kan ze zwart garen spinnen. De boer wisselt dan het schaap in tegen een gans. Ook nu is zijn vrouw tevreden, omdat zij de ganzeveren in de slap geworden kussens kan stoppen. De kooplui zien in dat de boer gelijk had en geven hem honderd gulden omdat hij de weddenschap gewonnen heeft. Van het sprookje van Gelukkige Hans bestaan ook Vlaamse varianten. Deze hebben nagenoeg allemaal dezelfde titel: 'Van den Jan den tuitelaar' (een tuitelaar is een ruiler). Eén versie eindigt eigenaardig: Jan komt bij een sloot met kwakende kikkers: zonder aanleiding gooit hij zijn slijpstenen in het water. Er wordt niet, zoals bij de andere verhalen, verklaard waarom hij de stenen weggooit. Wat bij Gelukkige Hans opvalt, is de naïviteit van de hoofdpersoon. Niemand zou het in zijn hoofd halen een goudklomp in te wisselen voor een paard. Maar de hoofdpersoon is wat dat betreft eenvoudig van geest en ziet in een paard een prachtig vervoermiddel, terwijl hij de goudklomp ervaart als last. Het ligt voor de hand dat de hoofdpersoon met zo'n instelling het leven zorgeloos door zal komen. De hoofdpersoon, hoe onnozel ook, heeft ontegenzeggelijk iets sympathieks over zich. Hij straalt vrijwel altijd optimisme uit en bekommert zich nergens om, ook niet als de ruil tegen blijkt te vallen, zoals bij de koe die geen melk blijkt te geven. Hij is dan blij dat de koe ingewisseld kan worden tegen een varken, hoewel het rund meer geld zal opleveren dan het varken. Het spreekwoord 'Waar er twee ruilen, moet er een huilen' is voor Gelukkige Hans dan ook niet van toepassing. Er doet zich doorgaans juist het omgekeerde voor: iedere ruil stemt beide partijen tot tevredenheid.

Literatuur

Teksten: KHM nr. 83; De Cock & De Mont 1925, p. 213-217; Cornelissen & Vervliet [z.j.], p. 38-41; Harou 1896; Leopold & Leopold 1882, 3, p. 201-206; Poortinga 1978, p. 228-230; Poortinga 1979, p. 311-312; Sinninghe 1942, p.43-45.
Studies: AT 1415; VDK p. 453; De Meyer 1968, p. 110; BP 2, p. 199-203; EM 6, 487-494; Uther 1990b.