Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Dans in de doornstruik

Een (),

Onderwerp

AT 0592 - The Dance Among Thorns    AT 0592 - The Dance Among Thorns   

Beschrijving

The Dance Among Thorns

Tekst

Een jongen trekt met weinig geld of voedsel de wereld in en ontmoet een arme man. Als de jongen zijn geld of voedsel aan de man geeft, mag hij drie wensen doen. De jongen wenst een wapen dat nooit kan missen, een muziekinstrument dat iedereen aan het dansen maakt, en de gave om iedereen zijn verlangens te laten inwilligen. In het bos schiet de jongen een vogel naar beneden en hij laat deze door een (in veel varianten agressieve) man uit een doornstruik halen. Zodra de man zich in de doornstruik bevindt, begint de jongen op zijn instrument te spelen. De man is gedwongen om op de muziek te dansen, en scheurt daarbij zijn kleren en verwondt zichzelf tot bloedens toe. Hierop trekt de jongen verder. De gewonde man gaat bij de rechter aangifte doen. De jongen wordt opgepakt en tot de galg veroordeeld. Als laatste wens mag de jongen op zijn instrument spelen. Hij laat de rechter en de omstanders net zo lang dansen tot zij instemmen met zijn vrijlating.

Aldus verloopt globaal het sprookje van de Dans in de Doornstruik. Het met dit sprookje onlosmakelijk verbonden motief is dat van het muziekinstrument dat mensen laat dansen. De oorsprong van het motief zal waarschijnlijk, net als het sprookje zelf, in de middeleeuwen gevonden moeten worden. Als mogelijke inspiratiebron is wel gewezen op het Oudfranse chanson de geste Huon de Bordeaux (ca. 1250), dat in de 16e eeuw ook als prozaroman is verschenen in het Frans, Engels en Nederlands. In de Huon de Bordeaux ontvangt de held een feilloze boog en een hoorn van de elfenkoning Oberon. Als er zacht op de hoorn wordt geblazen, dan wekt hij vreugde, gezang en dans op. Als men er hard op blaast, komt Oberon met een grote troepenmacht de blazer te hulp. Verder is er wel verband gelegd tussen het tot dansen dwingende instrument en de duivelse invloed die volgens de kerk van wereldse muziek uitgaat. Tot slot heeft men wel gewezen op gevallen van massahysterie in de middeleeuwen: ten tijde van hongersnoden en epidemieën ziet men soms danspsychosen optreden, waarbij grote groepen mensen welhaast dwangmatig dansend door het land trokken. Het sprookje van de Dans in de Doornstruik staat in de internationale volksverhalencatalogus van Aarne en Thompson geregistreerd als AT 592 'The Dance Among Thorns'. Het verhaal is Europees van origine, maar is ook gevonden in Turkije, de Levant, China, Indonesië en de voormalige koloniën in Amerika. Het sprookje kan zelfstandig verteld worden, maar kan soms een combinatie aangaan met andere sprookjestypes. Voorbeelden daarvan zijn -> Tweelingbroers (AT 303), de -> Tovenaarsleerling (AT 325), -> Angst Leren (AT 326), -> Smid en Duivel (AT 330), -> Konijnenhoeder (AT 570) en -> Zwaan Kleef Aan (AT 571). In de oudst bekende versie van het sprookje, een Engelse versvertelling die in de 15e eeuw gedrukt is onder titels als The Frere and the Boye en Jak and his Step Dame, heet de jongen Jack. Hij mag van een oude man drie wensen doen. Naast een fluit en een boog wenst hij dat zijn gehate stiefmoeder telkens winden moet laten als ze begint te schelden (of: moet lachen als zij de jongen aankijkt). De stiefmoeder wordt hier woedend om en zij geeft de monnik Thobias de opdracht om de stiefzoon een preek (of: een pak slaag) te bezorgen waar hij stil van wordt. De jongen laat de monnik evenwel een neergeschoten vogel halen in een doornstruik, en begint te fluiten waardoor de monnik zwaar gehavend raakt. De jongen wordt later bij een bisschoppelijke ambtenaar voorgeleid, maar ook deze moet naar zijn pijpen (= fluitspel) dansen. De Engelse tekst werd vrij spoedig ook in het Middelnederlands bewerkt en gedrukt. In 1528 drukte Michiel Hillen te Antwerpen het volksboekje Vanden jongen geheeten Jacke: die sijns vaders beesten wachte int velt, ende vanden brueder dye daer quam om Jacke te castien. Het verhaal is gesteld in paarsgewijs rijmende verzen, en alhoewel de layout oogt als die van een toneeltekst, hebben we toch te maken met een (voor)leestekst. In veel opzichten volgt de Middelnederlandse tekst het Engelse voorbeeld getrouw na. In de derde wens kiest Jacke aldus voor de flatulentie van zijn stiefmoeder: "Ic wilde alsse op mi beghint te staren [mij aangaapt] / Datse een scheet moest laten varen". De monnik Thobias krijgt van de stiefmoeder opdracht om de jongen een duchtig pak slaag te geven, waarop de dans in de doornstruik weer volgt. De druk van 1528 eindigt gelijk aan de Engelse versie, maar in een Amsterdamse druk van Hermen Jansz. Muller uit het einde van de 16e eeuw is er een vervolg toegevoegd. Nadat het canonieke recht heeft gefaald, wordt het wereldlijke gerecht ingeschakeld. De baljuw slaat Jacke in de boeien en veroordeelt hem ter dood, maar bij de galg wordt hem toegestaan om nog één keer fluit te spelen, waarop vrijspraak volgt. Als zijn stiefmoeder wat later de fluit weet te bemachtigen, gooit ze hem in het vuur. Jacke trekt de wijde wereld in met de schatten van zijn stiefmoeder. Zodra de stiefmoeder bemerkt dat zij van haar verborgen rijkdom is bestolen, verhangt zij zich. Jacke keert terug en realiseert zich dat hij de zelfmoord van zijn stiefmoeder op zijn geweten heeft. De rest van zijn leven slijt hij als kluizenaar en leidt hij een heilig leven. In deze eeuw nog is een mondelinge versie (in proza) opgetekend door de Vlaamse verzamelaar Victor de Meyere. Bij het sprookje tekent hij aan: "Verteld in 1913 te Antwerpen, door Melanie V., geboren te Temsche in 1873 en dienstmeid te Antwerpen. Had het sprookje hooren vertellen door kinderen op de school". De door zijn stiefmoeder geplaagde jongen heet in deze versie in goed Vlaams nog steeds Jaakske. Als derde wens wil Jaakske dat zijn stiefmoeder steeds hardere winden gaat laten als zij begint te kijven. Niet een monnik wordt in de doornstruik zijn slachtoffer, maar de schoolmeester die Jaakske een pak rammel wil geven. Ook de toegevoegde episode met de burgelijke rechter, het stelen van de schat van de stiefmoeder en haar zelfmoord ontbreken niet. Uiteindelijk keert Jaakske naar het huis van zijn vader terug. Dat deze vertelling via de genoemde schoolkinderen teruggaat op een volksboekje, staat wel vast. Een detail als de naam van de vader van de jongen (Hansken van Tichelen) bewijst dit. Maar ook over het geheel genomen zijn de overeenkomsten tussen de mondelinge vertelling en de volksboekjes treffend. Daarbij hoeft het volksboekje niet eens een hoge ouderdom te hebben gehad: de tekst is immers tot ver in de 19e eeuw in proza herdrukt. Zo verscheen in 1884 nog te Roeselare, voor de prijs van "20 centiemen", De kluchtige historie van Jaakje met zijn fluitje, op nieuw aan het Vlaamsche volk verteld. Vanaf de introductie van de burgerlijke rechtbank hebben we dus te maken met een Vlaams-Nederlandse toevoeging ten opzichte van het Engelse volksboekje. De Middelnederlandse laat-16e-eeuwse bewerking inspireerde waarschijnlijk Dietrich Albrecht tot het kluchtige gedicht Historia von einem Bawrenknecht waarvan de oudst bekende druk uit 1599 stamt. Het belangrijkste verschil met de Engelse en Middelnederlandse versies is, dat het motief van de boze stiefmoeder is weggewerkt -- waardoor dus ook de derde wens anders is. De hoofdpersoon is een boerenknecht, die voor drie jaar werk drie penningen ontvangt, waarna hij de wereld in trekt. Een monnik is wederom het slachtoffer dat naakt (hij heeft eerst moeten zwemmen) in een doornstruik moet dansen. De gebroeders Grimm hebben het sprookje in hun Kinder- und Hausmärchen gepubliceerd onder de titel 'Der Jude im Dorn' (nr.110). Hun versie is een contaminatie van mondelinge en literaire overleveringen. De mondelinge bronnen stammen uit Hessen en Paderborn (waarschijnlijk de familie Von Haxthausen). Als literaire bronnen gelden het vastenavondspel van Fritz Dölla mit seiner gewünschten Geigen (1618) van Jakob Ayrer, en de reeds genoemde Historia von einem Bawrenknecht van Dietrich Albrecht. De hoofdpersoon in het Grimm-sprookje is derhalve weer de niet al te slimme knecht die zich na drie jaar noeste arbeid door de boer laat afschepen met drie penningen. Dit luttele bedrag staat hij af aan een klein mannetje en in ruil daarvoor mag hij drie wensen doen. Hij wenst een onfeilbare blaaspijp en een viool waarop ieder moet dansen. Zijn derde wens is dat mensen zijn verzoeken niet kunnen weigeren. Het slachtoffer dat in de doornstruik moet dansen is bij de Grimms -- zoals de titel al aangeeft -- een jood, die niet alleen gewond raakt, maar ook nog zijn buidel met gouden munten moet afstaan. Als de knecht later is opgepakt, verklaart hij dat de jood hem zijn geld uit eigen vrije wil gegeven heeft. De rechter weigert dit te geloven: een jood die vrijwillig zijn geld afstaat...? Op de galg mag de knecht dan zijn viool bespelen. Hij speelt net zolang door tot de rechter hem de vrijheid schenkt en de jood heeft bekend dat de geldbuidel uit een diefstal afkomstig is. Vervolgens is het de jood die als dief wordt opgeknoopt. Het valt niet te ontkennen dat in het Grimm-sprookje zonder veel scrupules een tamelijk kwalijk beeld van de jood wordt geschetst; een beeld dat overigens niet bepaald ongebruikelijk was in de 19e eeuw. Enerzijds worden joden in 19e-eeuwse volksverhalen vaak afgeschilderd als goed van de tongriem gesneden tricksters. Anderzijds krijgt deze bevolkingsgroep gemakkelijk etiketten opgeplakt als 'minderwaardig', 'vrekkig' en 'crimineel', wat geweld tegenover hen gemakkelijk legitimeert. Overigens was de jood al in 1604 in de vertelling van de Dans in de Doornstruik geïntroduceerd, en wel in de Tsjechische bewerking van Tobias Mourenín. Het aantal Nederlandse optekeningen uit de mondelinge overlevering van het sprookje van de Dans in de Doornstruik is op de vingers van een hand te tellen. Drie verhalen zijn opgetekend in Friesland, de oudste door Waling Dykstra in de tweede helft van de 19e eeuw.

Literatuur

Teksten: KHM nr. 110; Boekenoogen 1905a; De Meyere 1924, p. 168-176; Van der Molen 1979b, p. 111-113; Poortinga 1980, p. 50-54.
Studies: AT 592; VDK p. 346; BP 2, p. 490-503; EM s.v. Tanz in der Dornhecke; Just 1991; Liungman 1961, p. 180-181; Scherf 1995, 1, p. 635-637 en 2, p. 878-881.