Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Meesterdief: het schathuis van Rhampsinitos

Een (),

Onderwerp

AT 0950 - Rhampsinitus    AT 0950 - Rhampsinitus   

Beschrijving

Rhampsinitus

Tekst

De Egyptische koning Rhampsinitos was heel rijk. Niemand na hem heeft ooit zoveel geld bezeten. Om zijn schatten veiliger te kunnen bewaren liet hij een schatkamer tegen zijn paleis aan bouwen. Maar de bouwmeester bedroog hem. Hij voegde de stenen zo, dat een bepaalde steen gemakkelijk weggenomen kon worden. Vlak voor zijn dood vertelde hij zijn twee zonen hiervan. Zij aarzelden niet en stalen op een nacht uit de kamer een grote hoeveelheid goud uit de vaten waarin het bewaard werd. De koning ontdekt dat er iets weg is, maar omdat er geen zichtbare tekens van inbraak zijn -- ze hebben de steen weer op zijn plaats gezet -- komt hij niet achter de toedracht. Wanneer de broers doorgaan met stelen plaatst de koning vallen rondom de vaten. Eén van de dieven raakt in zo'n val. Hij kan niet meer loskomen en raadt zijn broer aan hem het hoofd af te snijden zodat men hem niet zal kunnen herkennen. De broer doet dit en neemt het hoofd mee naar huis. De koning vindt de volgende ochtend het onthoofde lijk en laat het aan de stadsmuur ophangen. De wachters moeten diegene gevangen nemen, die ze om de dode zien weeklagen. De moeder van de dieven dwingt haar overgebleven zoon het lijk van de muur te halen en te begraven. Met ezels beladen met zakken wijn rijdt hij naar de stadsmuur, laat daar 'per ongeluk' wijn weglopen en sluit vervolgens vriendschap met de wachters die hem te hulp schieten. Hij voert ze dronken en als ze in slaap gevallen zijn neemt hij het lijk van zijn broer weg. De wachters scheert hij om ze te bespotten de rechter wang kaal. Nu wordt de koning echt kwaad. Hij zet zijn dochter in een bordeel en beveelt haar elke man die daar komt ter wille te zijn, op voorwaarde dat hij haar zijn grootste schurkenstreek vertelt. Als de dief van zijn schatten bij haar komt en haar hierover vertelt, moet zij hem grijpen. De dief hoort hiervan. Hij snijdt het lijk een arm af, verbergt deze onder zijn mantel, bezoekt de prinses en doet zijn verhaal. Als zij hem in het donker grijpen wil, pakt ze de arm van de dode. De dief ontkomt. De koning, verbaasd over de slimheid en moed van de dief, geeft zich gewonnen. Hij laat uitroepen dat de dief geen straf zal krijgen maar een grote beloning. De dief maakt zich nu bekend en Rhampsinitos geeft hem, de slimste man op aarde -- want de slimste mensen zijn de Egyptenaren en hij was alle Egyptenaren te slim af -- zijn dochter tot vrouw. Rhampsinitos is waarschijnlijk farao Ramses II (1279-1213 v. Chr.), maar zou ook Ramses III kunnen zijn, de tweede farao van de twintigste dynastie, de laatste grote heerser (1187-1156 v. Chr.) van het Nieuwe Egyptische Rijk en een befaamd bouwheer. Herodotus van Halicarnassus († 425 v. Chr.) vertelt dit in zijn Historiën (II, 121). Hij heeft Egypte bereisd en zegt deze informatie van Egyptische priesters gekregen te hebben. Hij neemt het verhaal voor waar aan al twijfelt hij wel even bij de episode van de dochter van de farao als hoer. Die twijfel was gerechtvaardigd, want hij geeft hier zeker geen meer of minder bijgekleurde historische overlevering weer maar de oudst bekende variant van een novellesprookje dat later een grote populariteit zou krijgen (AT 950: `Rhampsinitus'). Het is zelfs niet helemaal zeker of Herodotus wel een Egyptisch verhaal vertelt. In zijn tijd circuleerde ook al een, zij het veel kortere, Griekse parallel, die de tweede-eeuwer Pausanias in zijn bekende reisboek Beschrijving van Griekenland als volgt weergeeft: Trophonius en Agamedes, zonen van Erginus die leefde in de tijd van Hercules, waren befaamde bouwmeesters. Zij hadden de tempel van Apollo te Delphi op hun naam staan en bouwden voor Hyrieus (een zoon van Apollo en stichter van de stad Hyriai in Boëtië) een schathuis maar zorgden ervoor dat één steen van buiten af weggenomen kon worden. Zo konden zij ongemerkt de schatten plunderen. Hyrieus, ziende dat de sleutels niet gebruikt waren en de zegels onaangeroerd, brengt een strik aan boven de koffers waarin hij zijn goud en zilver bewaart. Agamedes raakt hierin verstrikt en Trophonius snijdt hem op zijn advies het hoofd af. De aarde opent zich en verzwelgt Trophonius als straf voor zijn wandaden (IX, 37). Ook in de Oriënt was dit sprookje al vroeg bekend. We vinden het in de derde eeuw in een uit het Sanskriet vertaalde verzameling Chinese Boeddhistische geschriften, de Tripitaka, en in de negende eeuw in de eveneens op Sanskriet-bronnen teruggaande Tibetaanse Kandjur. Daarin zijn de dieven een wever en zijn neef. Zij breken, op advies van de neef met de voeten vooruit, ergens door een muur maar worden ontdekt. De neef kan de oom niet meer lostrekken en snijdt hem om herkenning te voorkomen daarom het hoofd af. De konig laat het lijk op een viersprong ten toon stellen en bewaken. Maar de dief weet het te verbranden door er een wagen met hout naar toe te rijden en in brand te steken. Vermomd als een Kápálika (een schedeldragende Siva-vereerder) smeert hij zich vervolgens in met de as van zijn oom, vult zijn schedel met de botten en werpt deze in de Ganges. De koning brengt nu zijn dochter in het spel. Hij plaatst haar bij de Ganges; als een man haar benadert moet zij de wachters roepen. De dief weet vermomd als een waterdrager voorbij de wachters te komen en bezwangert de prinses die een zoon krijgt. De koning roept alle mannen uit zijn rijk nu bijeen en geeft zijn kleinzoon een krans met de opdracht die aan zijn vader te geven. De jongen doet dit. De koning vergeeft de dief en geeft hem zijn dochter en het halve koninkrijk. Ook in de Indische, aan ene Somadeva toegeschreven Kathasaritsagara ('De oceaan van sprookjesstromen'), een van 's werelds grootste, in de tiende eeuw te dateren verhalenboeken vinden we dit type. De nadruk ligt hier op de tweede helft en het loopt voor beide dieven -- ze zijn in dit geval geen familie -- slecht af. De eerste, Karpara, breekt in bij een prinses en begint een verhouding met haar. Hij wordt betrapt en de koning laat hem ophangen. Zijn vriend Gatha neemt zijn plaats in bij de prinses en loopt met haar weg. Ook hier laat de koning het lijk bewaken. Gatha weet de bewakers te vergiftigen en het lijk van zijn vriend te verbranden en de botten in de Ganges te werpen. De koning biedt de dief nu de helft van zijn koninkrijk aan, maar de prinses heeft het intussen met een bedelmonnik aangelegd en brengt deze er toe Gatha te vermoorden. De Westeuropese geschiedenis van dit sprookje begint met de eind twaalfde-eeuwse Dolopathos, sive de Rege et septem Sapientibus van de Lotharinger cisterciënzer monnik Johannes de Alta Silva (Haute Seille). Deze Latijnse prozaroman is een vroege Westeuropese loot van de oriëntaalse raamvertelling het Boek van Sindbad, dat via verschillende kanalen hier terecht is gekomen en vooral bekend is geworden als De historie van de zeven wijze mannen van Rome. Voor Johannes' bewerking van 'Het schathuis' zijn echter geen directe oosterse voorbeelden aan te wijzen: een ridder, vroeger schatbewaarder van de koning, verarmt door het verkwistende gedrag van zijn zoon. Met deze breekt hij nu een gat in het schathuis en steelt eruit. De koning roept de hulp in van een oude dief, die hij vroeger de ogen uit heeft laten steken. De blinde laat een vuur in het schathuis aansteken en door de wegtrekkende rook ontdekken ze het gat. Ze plaatsen hier een vat met pek onder en bij een volgende inbraak valt de ridder hier in. Zijn zoon slaat hem het hoofd af. Op advies van de blinde laat de koning het hoofdloze lijk door de straten van de stad slepen. De zoon kan zich niet inhouden, hij begint te huilen maar maskeert zijn verdriet door zich quasi per ongeluk de linker duim af te snijden. Het lijk wordt opnieuw rondgesleept en nu verbergt de dief zijn verdriet door zijn kind in een put te gooien. Het kind verdrinkt en ook nu is de koning overtuigd van zijn onschuld. In een laatste poging om de dief te grijpen laat hij vervolgens, weer op advies van de blinde, het lijk aan een boom hangen en door veertig ridders bewaken: twintig in het zwart op zwarte paarden aan de ene kant en twintig in het wit op witte paarden aan de andere. De dief rijdt des nachts half in het wit en half in het zwart op een half-wit half-zwart paard tussen de ridders door en haalt het lijk van de boom. De zwarte ridders denken dat hij bij de witte hoort en omgekeerd. De koning geeft het nu op. De Franse auteur Herbert vult aan het begin van de dertiende eeuw in zijn versepos Li romans de Dolopathos dit verhaal als volgt aan: de koning nodigt op aanraden van de blinde alle ridders van zijn land uit voor een feest. Hij hoopt dat de dief verliefd zal worden op de prinses en 's nachts in haar kamer zal sluipen. Dit gebeurt ook. De prinses merkt hem met een zwarte streep op zijn voorhoofd, maar zijn dienaren zien de streep als hij bij hen terugkeert en waarschuwen hem. Hij snelt weer naar het slot en brengt eenzelfde merkteken aan op het hoofd van alle ridders, zelfs op dat van de koning. Nu besluit men tot een godsoordeel. Een kind moet de schuldige een mes aanbieden. Als de dief het kind op zich af ziet komen, biedt hij het een stuk speelgoed aan zodat het lijkt alsof hij met hem ruilen wil. De koning laat zich deze keer niet in de luren leggen, maar geeft de dief toch de prinses tot vrouw. De blinde weet hem er van te overtuigen dat zo de schat in de familie blijft en een slimmere en moediger schoonzoon zal hij ook nooit vinden. In de latere Latijnse en volkstaal-bewerkingen van De historie van de zeven wijze mannen van Rome, ook in de Middelnederlandse, en ook in de wel meest geliefde verhalenbundel van de middeleeuwen, de Gesta Romanorum van circa 1300 vinden we het verhaal eveneens, maar dan in een veel kortere versie, die gewoonlijk eindigt met het slepen van het lijk door de stad. De zusters van de dief kunnen hun smart niet verbergen en om hier een verklaring voor te geven steekt de dief zich met een mes in de dij. Latere middeleeuwse versies variëren de tot dusverre genoemde motieven ook wat betreft tijd en ruimte op soms zo vrijmoedige wijze dat niet altijd duidelijk is hoe ze zich onderling verhouden of op welke van de al besproken versies ze teruggaan. Ze bieden echter maar zelden iets nieuws. In de wilde oriëntaliserende Franse avonturenroman Histoire du chevalier Berinus (veertiende eeuw) laat de bestolen vorst, een keizer, om de dief te ontdekken al zijn ridders in een grote zaal slapen. In het midden staat het bed van zijn dochter. Wie haar benadert, zal worden gedood. De dief waagt het toch. Zij markeert hem met haar duim met een zwarte vlek, maar hij weet haar liefde te winnen en zij onthult hem het complot en overhandigt hem de verf zodat hij de andere ridders ook van het teken kan voorzien. Een vriend ontdekt echter dat de duimafdruk bij de anderen groter is dan bij de dief, maar hij onthult dit pas nadat de keizer beloofd heeft dat hij de dief niet zal straffen. Uiteindelijk trouwt hij na vele andere avonturen met de prinses. In het Middelnederduitse gedicht De Deif van Brügge (eerste helft vijftiende eeuw) besteelt deze dief met een compaan de koning van Frankrijk. Om het lijk van zijn vriend terug te krijgen voert hij de wachters dronken en trekt hij hen tot spot monnikspijen aan. De prinses merkt hem hier met een rood kruisje. Een heel nieuw motief brengt de Florentijn Ser Giovanni aan in zijn novellenbundel Pecorone (1378). Hij laat het verhaal spelen in Venetië en een bouwmeester met zijn zoon de schatkamer van het dogenpaleis plunderen. De vader komt in het vat met pek enzovoort. De zoon en zijn vrienden verkleden zich als Lucifer en zijn dienaren en weten zo de wachters te verjagen, zodat hij het ten toon gestelde lijk van zijn vader kan stelen. De doge probeert hem nu te verschalken met een geslacht kalf. Hij maakt dit zo duur dat de dief zich wel uitgedaagd zal moeten voelen om dit te stelen. Dit lukt hem ook; hij verdooft de wachters met opium. Deze versie eindigt met de markeringsepisode met de dochter van de doge als lokaas. De dief krijgt haar aan het slot tot vrouw en eindigt zijn carrière als doge (9,1). Een andere Italiaanse novellist, Giovanni Sercambi (1347-1424), laat het verhaal weer tragisch aflopen. Van de dieven, twee broers, komt de ene om in een lijmvat en wordt de tweede, hoewel hij om het geweeklaag van de vrouwen te verklaren zich in de hand snijdt, gevangenomen en ter dood gebracht. Met de Renaissance wordt Herodotus' tekst, die in de middeleeuwen op de achtergrond maar niet vergeten was geraakt, weer bekender en samen met de middeleeuwse versies uitgangspunt voor een rijke, breedgeschakeerde, ook in allerlei volksboeken gedistribueerde literaire overlevering, die eveneens in operateksten en toneelbewerkingen vorm kreeg. In de negentiende en twintigste eeuw bleek het verhaaltype zich vastgezet te hebben in de mondelinge overlevering van India tot West-Europa, in Noord-Afrika en geheel Amerika. Zeker in Europa moet daarbij met een sterke invloed van de literaire overlevering rekening worden gehouden. In Vlaanderen is het verhaaltype niet genoteerd, in Nederland kennen we het alleen uit Friesland, waar het in de negentiende-eeuwse volkslectuur verschillende malen opduikt en in 1974 ook een keer uit de volksmond is opgetekend. De veelzijdige volks- en broodschrijver en verzamelaar van volksverhalen Waling Dykstra (1821-1914) publiceerde in zijn jaarboekje De Bije-koer twee versies: in 1872 een die teruggaat op de Dolopathos-lijn en in 1895 een bewerking van een De historie van de zeven wijze mannen van Rome-traditie. Uit de laatste hoek komt ook de lezing die Roel Piters de Jong uit Ouwsterhaule (geb. 1905) aan Ype Poortinga (1910-1975) vertelde: de dieven, vader en zoon, graven een onderaardse gang naar de schatkamer van de koning. Die maakt op advies van een raadsheer een lijmput en de vader valt erin. De zoon onthoofdt hem maar raakt hierdoor zo van streek dat hij de tering krijgt en sterft. Het motief van de nachtelijke markering van (het huis van) de held vinden we ook in veel varianten van -> Ali Baba en de Veertig Rovers en de -> Tondeldoos. In de jongere mondelinge overlevering wordt 'Het schathuis' vaak gecombineerd met andere motieven uit de meesterdiefcyclus (-> Meesterdief: de jongen die stelen leerde).

Literatuur

Teksten: Gilleland 1981, p. 43-49; Poortinga 1976, p. 201-204.
Studies: AT 950; VDK p. 385-386; EM 1, 211 en s.v. Rhampsinit; Scherf 1995, 2, p.1005-1009; Tubach 1969, nr. 1996; BP 3, p. 395-406; Clouston 1887, 2, p. 115-165; Liungman 1961, p. 244-245; Meier 1970, p. 35-58; Tawney & Penzer 1924-1928, 5, p. 245-286.