Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Blauwbaard

Een (),

Onderwerp

AT 0312 - The Giant-killer and his Dog (Bluebeard)    AT 0312 - The Giant-killer and his Dog (Bluebeard)   

Beschrijving

The Giant-killer and his Dog (Bluebeard)

Tekst

Een rijke maar vreemde man, met een blauwe baard en met enkele verdachte huwelijken achter de rug, trouwt de jongste dochter van een alleenstaande dame. Kort na het huwelijk gaat hij op reis. Voor hij weggaat geeft hij zijn vrouw een bos sleutels, maar één bepaalde kamer verbiedt hij haar te betreden. Een reden geeft hij niet. De jonge vrouw kan haar nieuwsgierigheid echter niet bedwingen, daalt prompt de trappen af naar de kelder en opent de deur naar de verboden kamer. Daar vindt ze de lijken van haar vermoorde voorgangsters. Ze schrikt, waarbij de sleutel uit haar hand valt. De sleutel blijkt een magische sleutel te zijn waar plots bloed aan kleeft dat er niet meer af gaat. Blauwbaard keert al snel terug en ontdekt wat zij heeft gedaan. Zij moet sterven, maar mag nog een laatste gebedje doen. Zij laat haar zuster, die toevallig op bezoek is, op de toren uitkijken naar haar broer die zijn komst al aangekondigd had. De drie kreten om hulp van de in doodsangst verkerende vrouw laten de spanning tot grote hoogte stijgen: `Zuster Anna, ziet ge al iets komen?' De broer dringt het slot binnen op het moment dat Blauwbaard toe wil slaan. Hij doodt hem en bevrijdt zijn zuster. Zij hertrouwt en met de schatten van Blauwbaard kunnen allen voortaan een onbekommerd bestaan leiden. Dit bekende sprookje van de bloeddorstige Blauwbaard staat in de Aarne-Thompsoncatalogus vermeld onder nummer AT 311, 'Rescue by the Sister'. Het verhaalverloop en de plot van het sprookje vertonen verwantschap met AT 312, 'The Giant-killer and his Dog'. Het is geen wondersprookje in de eigenlijke zin van het woord: het is eerder een novellesprookje, want in plaats van op het bovennatuurlijke, ligt het accent op het spannende avontuur en de redding op het laatste moment. Perrault heeft het sprookje in 1695 voor het eerst in handschrift opgetekend. In 1953 is een eerste afschrift van de originele tekst teruggevonden, in lederen band en met het wapen van Elisabeth Charlottes, Mademoiselle de Chartres, een nicht van Lodewijk de Veertiende. Aan haar is ook de eerste uitgave van Contes de ma mère l'Oye in druk opgedragen, die in 1697 uitkwam. Het sprookje verscheen hierin onder de titel `La barbe bleue'. Tussen het manuscript en versie in druk zijn minimale verschillen. Mogelijkerwijs heeft een in heel Europa verspreid volkslied over een vrouwenmoordenaar Perrault bij het schrijven van Blauwbaard beïnvloed. Hiermee wordt dan het uit het Oosten stammende taboe-motief van de verboden deur verbonden, evenals de plaats van de moord, het kasteel van Blauwbaard. Ook in de Kinder- und Hausmärchen, Band 2; Anhang van de gebroeders Grimm vinden we het verhaal onder nummer 9 met de titel `Blaubart'. Het verhaal heeft daar een iets ander verloop. Het meisje wordt in deze variant uitgehuwelijkt aan Blauwbaard, maar vraagt haar broers voor zij met de man meegaat of die haar te hulp willen komen als ze haar horen huilen of schreeuwen. Wanneer Blauwbaard haar inderdaad wil vermoorden, rent zij naar boven en roept haar broers driemaal om haar te hulp te komen. Zij dringen het slot binnen, doden de ridder en hangen hem op in de verboden kamer tussen zijn vorige slachtoffers. Bij Ludwig Bechstein vinden we het sprookje van Blauwbaard in zijn Deutsches Märchenbuch uit 1857 onder de titel `Das Märchen vom Ritter Blaubart'. In deze versie is de zus van Blauwbaards jonge echtgenote op bezoek, en samen betreden zij de verborgen kamer. Ook in deze versie blijft er bloed aan de sleutel kleven, maar ook krijgen zij de deur van de kamer niet meer dicht. Wanneer Blauwbaard thuiskomt is hij woedend en wil hij zijn echtgenote doden. De vrouw rent naar haar zuster, die de toren inklimt om haar broers te waarschuwen. Zijzelf smeekt Blauwbaard om genade. Tussen haar smeekbeden door vraagt zij tot drie keer toe haar zuster: `Schwester! Siehst du noch niemand?!' De laatste keer stormt Blauwbaard naar boven, maar zij gooit de deur van haar kamer voor zijn neus dicht. Haar broers hebben zodoende tijd om het slot binnen te dringen en Blauwbaard te doden. In het verhaal zijn twee motieven met elkaar verweven: het motief van de vrouwenmoordenaar die moet boeten voor zijn misdaden, en het motief van de verboden kamer. Beide motieven hebben van oorsprong niets met elkaar van doen. De verboden kamer en het reizen, in combinatie met het negeren van zijn verbod de kamer te betreden zijn slechts legitimaties voor Blauwbaard om zijn vrouw te doden. Hij had zijn jonge vrouw ook zonder opgaaf van reden kunnen vermoorden. Sommige onderzoekers zien een zekere verwantschap met Middelduitse liedteksten als die van `Ritter Ulinger', `Ritter Ulrich', `Ritter Adelger' en het (pas vanaf ca. 1830 bekende) `Lied van Heer Halewijn'. De ridder, Heer Halewijn, lokt met zijn gezang de jonkvrouw. Zij gaat naar hem toe, wordt voor ze gaat nog verscheidene keren voor hem gewaarschuwd (`Die derwaert gaen en keeren niet'), maar komt uiteindelijk bij Heer Halewijn op een plek in het bos. In de Middelnederlandse versie beveelt deze haar dan zich uit te kleden, waarop zij hem het advies geeft zijn kleed uit te trekken anders zou deze wel eens smerig kunnen worden van het rondspattende bloed: `Maer trekt eerst uit uw opperst kleed, Want maegdenbloed dat spreit zoo breed, Zoo 't u bespreide het ware mi leed.' Wanneer de ridder vervolgens het kledingstuk over het hoofd uittrekt, hakt zij hem het hoofd af. Op zijn paard rijdt ze naar huis: `Daer werd gehouden een banket. Het hoofd werd op de tafel gezet.' Het bevel van Heer Halewijn dat het meisje zich uit moet kleden kan als een aanduiding voor het thema van de lustmoord opgevat worden. Blauwbaard, Heer Halewijn, Ritter Ulrich, Adelger en Ulinger staan symbool voor de lustmoordenaar die vrouwen verleidt en ze daarna afslacht. Het sprookje dient dan ook als een waarschuwing opgevat te worden. Een geheel andere visie op het sprookje geeft de psychoanalyticus Bruno Bettelheim. In zijn analyse van Blauwbaard verwijst hij naar Grimms `Fitchers Vogel' en stelt vervolgens dat beide sprookjes in essentie een sexuele boodschap in zich dragen. Tijdens de afwezigheid van de heer des huizes, geeft de heldin zich over aan sexuele ontrouw. De bebloede sleutel zou dan ook fallisch moeten worden opgevat, en symbool staan voor de ontmaagding. Bettelheim stelt dat in bepaalde delen van de wereld de sexuele ontrouw van de vrouw met de dood bestraft wordt. Het sprookje is volgens hem te interpreteren als een verhaal over sexuele verleiding. Echtelijke ontrouw, gesymboliseerd in de bebloede sleutel, is in Bettelheims analyse dan ook iets waarvoor begrip gevraagd moet worden. Als de bedrogen partner de ontrouw niet begrijpt, is hijzelf degene die daar onder lijdt. Wie voor de sexuele ontrouw wraak zoekt, verliest zijn menselijke waardigheid. Daarnaast zijn er ook onderzoekers die verbanden leggen tussen Blauwbaard en andere sprookjes, zoals `Marienkind' (AT 710), de -> Roverbruidegom (AT 955) en `Fitchers Vogel' van de gebroeders Grimm, respectievelijk nummer 3, 40 en 46 in hun Kinder- und Hausmärchen. Vooral `Fitchers Vogel' vertoont qua verhaalopbouw en thema hele sterke gelijkenissen met het verhaal van Blauwbaard. Wat betreft motieven: het motief van de verborgen kamer komt terug in 'Marienkind' en het Roverbruidegom-sprookje. Een aardige omkering van het Blauwbaardsprookje vinden we in Louis Couperus' 'De dochter van Blauwbaard' in Het Vaderland van 30 oktober 1915. Blauwbaard is in deze versie geen man die vrouwen vermoordt, maar een vrouw die mannen verzamelt. Zij wordt daarvoor uiteindelijk wel terechtgesteld. De sprookjesstof is verder door Bela Bartók tot opera bewerkt: De burcht van hertog Blauwbaard uit 1918. Er zijn verschillende films gewijd aan het Blauwbaard-thema, waarin de vrouwenmoord afwisselend serieus en parodistisch behandeld wordt: Bluebeard (USA 1944), Bluebeard (Italië, Frankrijk, Duitsland, Hongarije 1972), Bluebeard (Frankrijk 1963), Bluebeard's Eighth Wife (USA 1938) en Bluebeard's Ten Honeymoons (Engeland 1960). Het mondeling overgeleverde sprookje van Blauwbaard wordt in Europa, Azië en Afrika gevonden. Ook op de Antillen en in de voormalige Spaanse, Franse en Engelse koloniën van het vasteland van Noord- en Zuid-Amerika zijn Blauwbaardverhalen bekend. Voor wat betreft Nederland zijn er vijf Friese, één Groningse en één Drentse versie uit de mondelinge overlevering bekend. In Nederland is het sprookje ook als volksprent verspreid geweest. Uit Vlaanderen kennen we het sprookje maar één keer. De Friese verteller Anders Bijma vertelt het Blauwbaardverhaal als volgt: Blauwbaard trouwt achter elkaar met verschillende rijke vrouwen. Hij verzekert ze hoog en kietelt ze vervolgens dood. Hij verbrandt hun lijken in een salamanderkachel, maar bij het zevende lijk wordt hij betrapt. Hij pleegt daarna zelfmoord door zich op te hangen.

Literatuur

Teksten: Bechstein 1976, p. 323-326; KHM nr. 46, Anhang nr. 9; Perrault 1975, p. 58-65; Jaarsma 1954, p. 22.
Studies: AT 312 (vgl. AT 311); VDK, p. 314; Sinninghe 1943a, p. 19; De Meyer 1968, p. 41-42; EM 8, 1407-1413; BP 1, p. 398-314; Bettelheim 1977, p. 299-303; Cammann 1973, p. 71; Onder de groene linde 1987, p. 76-96; Liungman 1961 p. 57; Mackensen 1930-1940, VI, p. 266-270; Meier 1970, p. 108-135; De Meyer 1962, p. 504; Scherf 1987, p. 216-232; Scherf 1995, 1, p. 94-98, 317-321; Suhrbier 1984; Uther 1988.