Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Vuurmannen

Een (),

Onderwerp

SINSAG 0195 - Der Grenzsteinversetzer als feuriger Wiedergänger    SINSAG 0195 - Der Grenzsteinversetzer als feuriger Wiedergänger   

Beschrijving

Der Grenzsteinversetzer als feuriger Wiedergänger

Tekst

Vuurmannen zijn vurige spookgestalten, die zich in hun leven een vloek op de hals gehaald hebben. Het zijn bijvoorbeeld onrechtvaardige landmeters, boeren die hun grenspaal of grenssteen verzet hebben of moordenaars. Deze zondaars kunnen na hun dood niet rusten en vertonen zich als de zogenoemde naloop. Ze zijn vaak te vinden op de plek waar ze de misdaad gepleegd hebben, zoals langs de grenzen waar ze het land verkeerd gemeten hebben of waarvandaan ze de grenspaal hebben verplaatst. De vuurmansage is in Nederland, maar ook daarbuiten, een wijd verbreid verhaal. De sage van de vuurman kent verschillende versies. Het basisverhaal is echter altijd hetzelfde en gaat als volgt: Een boer heeft ten onrechte de grensstenen verplaatst of het land verkeerd gemeten om er zelf voordeel uit te halen. Als straf voor deze daad moet de man na zijn dood ronddwalen als een vurige gedaante. Men ziet hem vaak 's nachts op de heide of in de bossen, en soms ook bij kruisingen van wegen. Hij moet in het gebied blijven dwalen waar hij het land verkeerd gemeten heeft, of waar hij de stenen heeft verzet. Deze basisversie valt, ten behoeve van de wetenschappelijke vergelijking van volksverhalen, onder het typenummer SINSAG 0195, Der Grenzsteinversetzer als feuriger Wiedergänger, maar kan ook worden ondergebracht bij het typenummer SINSAG 0404, Wo soll ich ihn hinsetzen?. De kern van SINSAG 0195 is dat een man die de grensstenen verzet heeft, na zijn dood moet terugkeren als vurige gedaante. De kern van SINSAG 0404 wijkt hier iets vanaf, want hierbij gaat het om een man die de grensstenen verzet heeft en na zijn dood moet terugkeren als geest met de grenspaal of grenssteen op zijn rug. Bij dit type is, in tegenstelling tot SINSAG 0195, een duidelijke manier van verlossing aangegeven. Als de geest zegt: "Waar moet ik hem laten" ('hem' duidt op de grenspaal of grenssteen), moet er worden geantwoord: "Waar je hem vandaan hebt!". Daarna is de geest verlost van zijn bestaan als vuurman. Zoals al duidelijk wordt uit bovenstaande beschrijvingen zijn er twee grote verschillen tussen beide typen. Allereerst is bij SINSAG 0195 de terugkerende geest een vurige man en bij SINSAG 0404 is het een 'gewone' geest met een duidelijk attribuut. Ten tweede wordt er bij SINSAG 0195 niet gerept over verlossing van de geest en bij SINSAG 0404 wordt duidelijk dat er wel degelijk verlossing mogelijk is en ook wordt precies beschreven op welke manier deze verlossing plaatsvindt. Behalve de verschillen tussen beide typen zijn er voornamelijk overeenkomsten, de typen worden ook regelmatig gecombineerd. Zo is er een sage uit Limburg waarin een vuurman moet zeulen met een 'gloeiende steen'. Dit is dus een combinatie tussen een vurige gedaante of een vurig voorwerp en een wederganger. Niet alleen op deze manier wordt de link tussen beide typen duidelijk. In verschillende sagenboeken wordt bij de paragraaf over het ene type verwezen naar de paragraaf over het andere type. Zo ook in het Utrechts Sagenboek van Sinninghe. Hierin wordt bij de paragraaf over de 'grenssteenverzetter' een toelichting gegeven waarbij wordt gewezen op mannen die voor straf na hun dood moeten terugkeren als vurige gedaante. Ook wordt hierbij opgemerkt dat er bij deze vuurmannen niet wordt gerept over verlossing, omdat de lichtverschijnselen, die voedsel geven aan het geloof in de vuurmannen, telkens opnieuw worden waargenomen. (Sinninghe, Utrechts Sagenboek, p. 199) Niet alleen overeenkomsten en verschillen tussen type SINSAG 0195 en SINSAG 0404 duiden op varianten. Ook binnen de typen zelf zijn er verschillende versies van de sage. Deze varianten zijn onder te verdelen in een aantal hoofthema's, te weten: reden van de boetedoening na de dood, uiterlijk van de wederganger en einde van de sage. Deze laatste variant hangt nauw samen met het thema van verlossing, vandaar dat de verlossing bij het laatste thema behandeld wordt. De reden van de boetedoening van de wederganger is in de sage over de vuurman verschillend. Hier richt ik mij vooral op de boetedoening na het verplaatsen van grensstenen of -palen en de valse landmeting. Maar behalve deze vorm van boetedoening zijn er nog twee belangrijke redenen waarom een persoon na zijn dood terug moet keren als vuurman, namelijk de moordenaar (SINSAG 0196) en de brandende scheper (SINSAG 0192). In verschillende sagen wordt gesproken van een vuurman die boete moet doen, omdat hij een moord heeft begaan. Zo is er bijvoorbeeld de sage over Kloas Jonkers uit Kootwijk (Gelderland), die iemand had vermoord. Toen hij bij het gerecht moest verschijnen, zei hij dat hij mocht branden als hij de waarheid niet sprak. Dit gebeurde dan ook, en men ziet de brandende man nog vaak ronddolen in Kootwijk. De sage over de brandende scheper komt ook vaak voor en heeft een basiskern, die als volgt gaat: de scheper loopt met zijn schapen op de heide en plotseling komt er een koets voorbij rijden. De voerman heeft nogal haast en laat in het voorbijgaan een grote kist met geld vallen. De scheper verstopt de kist snel onder een berg bladeren. Als de voerman terug komt, vraagt hij aan de scheper: "Heb jij de kist soms gezien?" De scheper ontkent, maar de voerman gelooft hem niet. De scheper zegt dan: "Als ik de kist met geld heb, dan mag ik heel mijn leven in vuur en vlam ronddwalen". Zodra de scheper dit gezegd heeft, komt zijn 'wens' uit. Een voorbeeld van deze sage is te vinden in Rijsbergen (Noord-Brabant). Zoals hierboven al gezegd wordt hier vooral ingegaan op de wederganger die boete moet doen nadat hij de grenssteen verplaatst heeft, of nadat hij land verkeerd heeft gemeten. Ook bij deze hoofdredenen van boetedoening vinden we variaties. Zo is er de sage waarin een schepen een valse eed aflegt, wanneer hem wordt gevraagd om de grens tussen bepaalde gebieden aan te geven (SINSAG 0191). Een voorbeeld van zo'n sage is te vinden in Venray (Limburg). Bij de grensafbakening tussen Venray en Bakel hadden de schepenen gezworen, bij de Schepper hierboven, dat zij op Venrayse grond stonden. Zij hadden zand uit Venray in hun schoenen gedaan en onder hun petten 'scheppers' (lepels) gelegd, waardoor ze heel wat grond voor hun gemeente hadden gewonnen. Als straf voor deze valse eed moesten ze na hun dood terugkeren als vurige gedaanten. De 'vuurman' kent verscheidene verschijningsvormen. Het kan een man zijn met vurige ogen en met vuurvonken uit zijn hoofd, oren en mond. In Overijssel bijvoorbeeld is de 'gleunige kerel' vaak roodgloeiend, heeft hij vuurogen en vlammende handen. In Hoevelaken (Utrecht) heeft de vuurman een hele andere gedaante en wordt hij het 'Laakmannetje' genoemd. Het is een geest, een lichtspattende gedaante, met een lantaarn in de hand. In Limburg, tussen Arcen en Velden, neemt de vuurman weer een andere gedaante aan. Hier is het een man zonder gezicht, met een grote zwarte mantel, die een gloeiende steen bij zich draagt. De vuurman vertoont zich in de verhalen ook anders in Noord-Brabant. Een sage verhaalt over een persoon te Acht, die de vuurman aanschouwde als een langwerpige, donkere kegel, "zoo dik en hoog als een jongen van tien jaar, van boven met een lichtje, als van een lamp." (Sinninghe, Noord-Brabants Sagenboek, p. 42). Tenslotte wordt de vuurman ook nogal eens gezien als een brandende strobos, zoals het geval is tussen Harderwijk en Nunspeet. Behalve deze specifieke kenmerken van het uiterlijk vertoon van de vuurman, is er een soort van overheersende gedachte over deze verschijning. In veel sagen wordt er niet ingegaan op het uiterlijk vertoon van de vuurman, maar wordt alleen gesproken over een 'glende kerel', 'gleunige kerel', 'vurige landmeter', 'valse landmeter', 'gleunige', 'gloeiige' of gewoon 'de vuurman'. Waarschijnlijk verschijnt deze gedaante in het algemene volksgeloof als een geest met iets gloeiends of brandends, dit kan de man zelf zijn, of een voorwerp dat hij bij zich draagt. Deze boetedoende wederganger wordt dus altijd waargenomen als lichtverschijning. Tot slot de variant met betrekking tot het slot van de sage over de vuurman. Er zijn een aantal aflopen van de sage die telkens terugkeren. Zo doet er in verschillende provincies een variant de ronde over het 'handelsmerk' van de vuurman. De vuurman zou op verschillende plekken een verkoolde handafdruk hebben achtergelaten, ten teken dat hij daar geweest was. Dit was meestal het gevolg van een ontmoeting met de vuurman, waarbij de vuurman door een persoon werd bespot. Als je de vuurman bijvoorbeeld nafloot, kwam hij pijlsnel op je af en moest je het op een lopen zetten (SINSAG 0212). Ook als je de vuurman nariep of hem om een vuurtje vroeg werd hij boos. De volgende dag zag je dan op de deur van je huis of schuur een koolzwarte hand afgetekend. Een al bekend verhaaleinde is, zoals gezegd, de afloop waarbij de vuurman verlost wordt. Het gaat hierbij in het bijzonder om de verlossende woorden. De vuurman loopt met de grenssteen of -paal op zijn rug en roept telkens: "Waar laat ik hem?" Iemand, vaak een dronkelap, antwoordt vervolgens: "Leg hem (potverdikkeme) neer waar je hem vandaan hebt!" Na het uitspreken van deze woorden hoort men meestal een doffe klap, wat betekent dat de steen of de paal weer op de juiste plek staat. De vuurman wordt vervolgens niet meer gezien en is dus verlost, zijn straf is opgeheven. Een ander einde is het verjagen van de vuurman door het slaan van drie kruizen. Deze versie komt niet heel regelmatig voor, maar is wel de belangrijkste versie in Limburg. De sage over de vuurman die zich afspeelt tussen Arcen en Velden eindigt op deze manier. Na het slaan van drie kruizen gaat de vuurman weg. Wat opvalt bij deze specifieke sage uit Arcen en Velden, is dat er eigenlijk twee thema's, met betrekking tot het einde van de sage, worden behandeld. Tussen Arcen en Velden dwaalt iedere nacht een vuurman rond. Hij jammert: "Waar leg ik den gloeienden steen?" Geef vooral geen antwoord op deze vraag, want dan wordt de vuurman woedend. Als hij achter je aan komt, moet je drie kruizen slaan om hem te verjagen. Een gedicht over de vuurman sluit met deze regels af: Ten eerste: "geen grenspaal mag worden verlegd, Want vroeg toch of laat, eens bereikt u 't Gerecht." Ten tweede: "Laat jokken en liegen steeds zijn." Ten derde: "Roep God aan, in nood en in pijn." (Welters, Limburgse legenden, sagen, sprookjes en volksverhalen, p. 31-32.) Bij deze sage wordt dezelfde gebeurtenis gebruikt als bij SINSAG 0404, maar door de bemoeienis van een sterveling wordt de vuurman in deze sage echter niet verlost, maar wordt hij heel boos. Drie kruizen slaan is de oplossing om van zijn toorn af te komen, anders doodt hij je. De beschrijvingen van de verschillende varianten laat al een duidelijke verspreiding binnen Nederland zien. Er is gesproken over vuurmansagen in Noord-Brabant, Limburg, Overijssel, Drenthe en Utrecht. Maar ook in Groningen wordt er melding gemaakt van de 'glende kerel'. In de provincie Gelderland kent men in sommige dorpen en steden ook zijn eigen vuurman, maar vaak zonder combinatie met het landmeten. Het gaat dan meestal om een moordenaar of andere misdadiger. In Noord-Brabant en Limburg is het verschijnsel van de valse landmeter die moet terugkeren als vurige gedaante het meest bekend. Er zijn in deze provincies dan ook vele varianten en bijna elke regio heeft wel een vuurman. Niet alleen in Nederland is de vuurman een bekend verschijnsel, maar ook in Duitsland, België en Luxemburg kent men deze geestverschijning. In Duitsland is er sprake van 'der Feuermann' in combinatie met landmeten, maar ook als moordenaar of andere misdadiger. Verder kent men in Duitsland vele verschijningsvormen van de vuurman, maar is hij bijna altijd een menselijke gedaante. Volgens het Duitse volksgeloof wordt een valse landmeter of iemand die de grenspaal heeft verzet, na zijn dood zwaar gestraft. Hij moet ronddolen als een vurige gedaante, met gloeiende ploeg, meetlat of meetlint, op een vurige ros of een andere verschijning. Ook wordt er gesproken van het slepen/dragen van de grenssteen of grenspaal, waarbij de vuurman jammert. De vuurman kan met dezelfde woorden als in de Nederlandse versie van zijn lot worden verlost. Een opmerkelijk gegeven in de Duitse volksoverlevering is dat er melding wordt gemaakt van het eerste verhaal over een vuurman, dat zou geweest zijn in 1120. In de Sächsische Weltchronik, uit de 13de eeuw, staat het volgende: "al sin lichame was also en bernende blas oder en glowende clot". (Sächsische Weltchronik, ed. L. Weiland, Hannover 1877, p. 193). Het gaat hierbij om een vurige verschijning, maar zonder sage eromheen. Men ziet deze 'vurige gestalte' alleen maar van de ene naar de andere vesting lopen, en dat driemaal achtereen. Het is dus niet de sage over de grenssteenverzetter. Bovendien grijpt de kroniek terug op een waarneming die een eeuw eerder zou hebben plaatsgehad. In België kent men de vuurman als 'vierman', 'schoevert', 'schoeffer', 'sjoufert' en 'sjoverik'. De vuurman wordt voornamelijk in verband gebracht met het laten verdwalen van wandelaars, het springen op de bok bij de koetsier, nagefloten worden en als boze geest. De verschijning van de vuurman als onrechtvaardige landmeter komt ook wel voor, maar is veel minder bekend dan bovengenoemde typen. In Luxemburg kent men een vuurman en een grenssteenverzetter als aparte verschijningen. Beide gestalten zijn dus wel bekend, maar bestaan niet in combinatie. Niet alleen dicht bij huis vinden we de vuurman sage. Ook in Noorwegen is er sprake van een vuurman. Hij wordt hier 'deildegast' genoemd. Hij was een geestverschijning van een persoon die in zijn leven een grenspaal had verzet. De 'deildegast' moest met de grenspaal rond blijven dwalen, totdat hij hem weer op de juiste plek had teruggezet. Dit lukte hem echter nooit, hij was dus voor eeuwig verdoemd. Het is moeilijk om bij sagen een oorsprong aan te geven en om te kijken wanneer een sage voor het eerst bekendheid kreeg. Toch zou ik graag een voorstel willen doen over het mogelijke ontstaan van de vuurmansage. De sage lijkt het meest waarschijnlijk te zijn ontstaan uit twee factoren: het waarnemen van lichtverschijnselen en de christelijke associatie met zielen, in het bijzonder verdoemde zielen. Er zijn wetenschappers die zeggen dat het geloof in vuurmannen is ontstaan door de fosforische dampen vanuit de venen en moerassen. In de tijd dat er nog veel volksverhalen werden verteld was er bijna geen straatverlichting en waren de wegen nog erg onbegaanbaar. Men verdwaalde nog wel eens en allerlei verhalen over spookverschijningen en dergelijke maakten de mensen angstig om 's nachts op pad te gaan. Teenstra zegt in Volksverhalen en Legenden (p. 122-130) dat veel luchtverschijnselen en neerslag door mensen werden aangezien voor mythologische en spookachtige wezens. Bij stil weer, een drukkende, dampige lucht en motregen zouden verhevelingen, natuurlijke lichtende en waterachtige verschijnselen in de dampkring, te zien zijn. Deze verhevelingen, Ruils genaamd (Gronings woord voor dwaallichtje), zou men aangezien kunnen hebben voor vurige landmeters. Het zijn volgens Teenstra eigenlijk niet meer dan fosforische lichtsoorten, die uit een moerassige grond opstijgen. Fosfor is een geelachtige, doorschijnende stof, die in de natuur in verbinding met andere elementen licht ontvlamt en bij gewone temperaturen zeer langzaam verbrandt, zodat het in de duisternis licht verspreidt. De sage van de vuurman zou, volgens deze theorie, dus zijn oorsprong hebben in natuurverschijnselen. En aangezien de moerassen en venen dicht bij de akkers lagen, heeft dit geloof daar dan ook nog lang voortgeduurd en het bleef bestaan omdat het telkens opnieuw waargenomen werd. Een tweede factor die bijgedragen kan hebben aan het ontstaan van de vuurmansage is de christelijke associatie met verdoemde zielen. Het proefschrift van Katrien Van Effelterre geeft wat meer duidelijkheid over christelijke fenomenen in sagen. Zij schrijft dat in de vroege Middeleeuwen het fenomeen van terugkerende doden door de kerk werd aangegrepen om verschillende aspecten van de christelijke leer te benadrukken. Terugkerende doden illustreerden op treffende wijze het bestaan van onsterfelijke zielen, het geloof in het hiernamaals en de principes van straf en beloning na de dood. Vanaf de twaalfde eeuw zou de kerk zelfs hebben bijgedragen aan de verspreiding van verhalen over terugkerende doden om de verhalen over het vagevuur en de waarde van gebeden en offers voor de doden te ondersteunen. In een aantal sagen wordt verwezen naar het vagevuur, doordat de verlossing zou leiden tot een toegang naar de hemel. De vuurmannen zouden dus mannen kunnen zijn die in het vagevuur verkeren, totdat ze verlossing krijgen om naar de hemel te gaan. Het brandend karakter van de vuurmannen zou met deze theorie verklaard kunnen worden. Weerkerende doden kregen op deze manier een exemplarische functie en stonden in dienst van de morele leer van de kerk. Terugkerende doden kennen volgens het onderzoek van Van Effelterre als visueel aspect regelmatig 'het vuur'. Wel hebben deze voorstellingen van vuur een ambivalente betekenis als het gaat om de sagen- en legendenoverleveringen. Enerzijds is vuur karakteristiek voor de hel, de duivel, zondige terugkerende doden en arme zielen. Anderzijds heeft vuur met zijn eigenschappen van licht, warmte en zuiverheid een sacrale betekenis voor de christelijke kerk. De verschijning van de vuurman zou met deze eerste betekenis in verband gebracht kunnen worden. De sagen met betrekking tot de boetedoende wedergangers die moeten terugkeren als straf, zouden in een religieus kader functioneel kunnen zijn om de levenden af te schrikken. Andere aanwijzingen voor een eventuele christelijke grondslag van de vuurman sage zijn te vinden in de sage zelf. Er wordt in sommige sagen letterlijk verwezen naar het vagevuur, onder andere in Belgische sagen. Ook de sage die zich in Arcen afspeelt heeft een religieus karakter: een persoon heeft zich de toorn van de vuurman op zich gehaald en kan zichzelf alleen redden door drie kruizen te slaan. Het laatste deel van de sage, waarin drie lessen worden genoemd, houdt ook duidelijk verband met God en de kerk. Bij bovenstaande theorie over een christelijke grondslag rijst vrijwel meteen de vraag waarom de grenssteenverzetters op deze manier werden gestraft. Met andere woorden, waarom werd deze daad gezien als een misdaad en moesten ze daarvoor als verdoemde ziel boeten, al dan niet in het vagevuur? In de Bijbel vinden we een aantal passages aan de hand waarvan het geloof in de vuurman en het ontstaan van de sage wellicht verklaard kunnen worden. Job uit zich woedend tegen iedereen "die grensstenen verplaatsen, die kudden stelen en ze weiden als de hunne" (Job 24:2). Daarnaast zijn er nog drie vermaningen in de Bijbel te vinden om de grensscheidingen niet te verleggen: Spreuken 22:28 "Verplaats geen oude grenzen, je voorouders hebben ze vastgesteld", Deuteronomium 19:14 "U mag in het gebied dat de Heer, uw God, u toewijst in het land dat Hij u in bezit geeft, de stenen die al generaties lang andermans grond begrenzen niet verplaatsen" en Deut. 27:17 "Vervloekt is eenieder die de grensstenen van een ander verplaatst. Dan antwoordt heel het volk: 'Amen.'" Men zou dus kunnen stellen dat deze verwijzingen in de Bijbel er toe hebben bijgedragen dat de vuurmansage ontstond of in ieder geval een duidelijker karakter kreeg. De sage van de vuurman is dus een verhaal dat in grote delen van ons land, en ook daarbuiten bekend is. Tegenwoordig speelt de vuurmansage in het volksgeloof geen rol van betekenis meer. In de folklore en het toerisme speelt de sage echter nog wel een rol. In de populaire cultuur wordt aandacht besteed aan deze sage. Zo is er een Suske & Wiske stripalbum dat gaat over de Vonkende Vuurman (No. 246). Hierin wordt het verhaal verteld van een boer die vroeger de grenspaal had verzet, waardoor hij land van zijn buurman had gestolen. Suske en Wiske komen deze vuurman tegen en proberen hem te helpen. Als de grenspaal op de juiste plek wordt teruggezet zal de vuurman verlost zijn. Hiermee eindigt de strip dan ook. In Arcen is de gemeente in samenwerking met een project groep, in 1997 een programma gestart om Arcen meer toeristische allure te geven. De vuurmansage, die vroeger veel in Arcen de ronde deed, is hier voor gebruikt. Er zijn beeldjes van de vuurman gemaakt en er worden nachtelijke rondleidingen verzorgd waarin de geschiedenis van de vuurman centraal staat. Op wegwijzerbordjes in de omgeving van Arcen, Lomm en Velden staat een beeltenis van de vuurman. De vuurman die de gemeente wil promoten is een man met een gloeiende steen (zoals de sage in het boek van Welters luidt). De man heeft geen gezicht en straalt daardoor geheimzinnigheid uit. Verder wil de gemeente vermijden om van de vuurman een angstaanjagende boeman te maken.

Literatuur

Drentsche Volksalmanak. 1845, p. 232-239. Effelterre, K. Van., Terugkerende doden in de Vlaamse mondelinge overlevering. Vergelijkende motievenstudie en cultuurhistorische duiding (Leuven 2006) Proefschrift ingediend tot het behalen van de graad van Doctor in de Taal- en Letterkunde: Germaanse Talen. Deel I, p. 86-88, 146, 155, 177, 397-398; Deel II, p. 866-867. Gewin, Everard, Nederlandsch Volksgeloof (Zutphen 1925) p. 43. Gredt, N., Sagenschatz des Luxemburger Landes (Luxemburg 1883) No. 685, 693, 694, 697-699; No. 702-717. Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens (Berlijn en Leipzig 1927 usw.) II, 1406-1411; III, 1157-1158. Huizinga-Onnekes, E.J., en K. ter Laan, Groninger Volksverhalen (Groningen 1930) p. 58-59. Kemp, P., Limburgsch Sagenboek (Maastricht 1925) p. 191, 215-217. Koman, R.A., Dalfser Muggen. Volksverhalen uit een Overijsselse gemeente (Bedum 2006) p. 90-91. Laan, K. ter, Folkloristisch Woordenboek (Utrecht 2005; oorspronkelijke uitgave in 1949 te 's-Gravenhage) p. 142, 281, 492, 493. Schrijnen, J., Nederlandse Volkskunde, Essays en Studiën in vergelijkende Godsdienstgeschiedenis, Mythologie en Folklore. (Venlo 1910) I, p. 106-107. Sinninghe, J.R.W., Limburgsch Sagenboek (Zutphen 1938) p. 242. Sinninghe, J.R.W., Noord-Brabantsch Sagenboek (Scheveningen 1933) p. 42, 45. Sinninghe, J.R.W., Utrechts Sagenboek (Zutphen 1938) p. 183, 199. Teenstra, M.D., Volksverhalen en Legenden (Groningen 1840) I, p. 122-130. Top, S., Limburgs Sagenboek. 'Op verhaal komen'. (Leuven 2004) No. 16, 18, 19, 22. Weiland, L. ed., Sächsische Weltchronik, Monumenta Germaniae Historica (Hannover 1877) p. 193. Digitaal geraadpleegd op dMGH, Bayerische StaatsBibliothek. Welters, H., Limburgsche legenden, sagenå, sprookjes en volksverhalen, II (Venlo 1875-1876) p. 31-33. Wolf, J.W., Niederländische Sagen (Leipzig 1843) p. 509-510, 526. Woordenboek der Nederlandsche Taal ('s-Gravenhage 1931) XII, I, p. 1488-1489; XIII, p. 1673-1674. Internet: Alphen, T. van, www.sl8n8.nl (voor het laatst bekeken op vrijdag 5 oktober 2007) Berns, E., http://www.grenspalen.nl/webdoc2.html (voor het laatst bekeken op donderdag 4 oktober 2007) Effelterre, K. Van, http://www.volksverhalenbank.be (voor het laatst bekeken op donderdag 27 september 2007). Zie ID 486 en 3070. Hof, P. van 't, www.vuurman.info (voor het laatst bekeken op vrijdag 5 oktober 2007) Meder, Theo, http://members.chello.nl/m.jong9/map11/suskewiske.html (Voor het laatst bekeken op donderdag 27 september 2007) Visser, C. J., www.denieuwebijbelvertaling.nl (voor het laatst bekeken op vrijdag 5 oktober 2007) www.vvvarcen.nl (voor het laatst bekeken op vrijdag 5 oktober 2007)