Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Kyrië: de dood van kabouterkoning Kyrië

Een (),

Onderwerp

AT 0113A - King of the Cats is Dead    AT 0113A - King of the Cats is Dead   

Beschrijving

King of the Cats is Dead

Tekst

De kabouters stonden in Noord-Brabant bekend als knaapjes die graag het werk van een ander opknapte mits ze daarvoor in de plaats een kleinigheid (zoals wat voedsel, een pijpje tabak, of het lenen van potten en pannen e.d.) kregen. In speciale gevallen wilden ze zelfs nog wel eens voor niks helpen. Normaliter werkten de kabouters het liefst ongezien: werd er gegluurd, dan volgde een straf. De kabouters waren, zo vertellen de sagen, erg snel beledigd. Op het moment dat ze niet serieus genomen werden, pakten ze hun biezen, met als gevolg dat de zaken een stuk slechter gingen. Dat was meestal straf genoeg. Toch wordt er ook verteld dat bespieders de ogen werden uitgestoken of uitgeblazen, of dat de kabouters als wraak een werkpaard verminkten. Ze konden veel voor je betekenen, maar als je ze (onbewust) kwaad maakte dan had je een probleem (zie het lemma over de Behulpzame kabouter).
     
Dit is het beeld van de kabouter dat geschetst wordt in de vele Noordbrabantse kaboutersagen. De meeste van deze sagen spelen zich af in de buurt van de Noordbrabantse Kempen (een gebied ten zuiden van Eindhoven en ten westen van natuurgebied De Peel). De kabouters uit deze omgeving waren volgens de verhalen een georganiseerde groep onder leiding van koning Kyrië. De laatste belediging die deze trotse mannetjes hebben moeten ondergaan is de moord op hun koning geweest. Het verhaal gaat, samengevat, als volgt: Op zekere dag schoot een jager op de hei bij Riethoven, niet ver van de Duivelsberg, op een kabouter en trof hem dodelijk. De kabouter kon zich nog net naar de Duivelberg slepen, waaruit kort daarna het mistroostige bericht klonk: "Kyrie is dood!". Het bericht verspreidde zich snel. Een voerman zag op de weg van Riethoven naar Keersop een manneke dat treurig zei: "Kyrie is dood!" Bij Adriaan Konings in Keersop vertelde de voerman het verhaal dat hij gehoord had en nauwelijks was zijn verhaal geëindigd of er sprong een kabouter onder de tafel uit en riep: "Ach, is Kyrie dood?". Overal in de Kempen klonk het bericht. Een Veldhovense boer besloot de aftocht der aardmannekes eens gade te slaan. Hij verborg zich in een droge sloot die langs de Goorstraat loopt. Om middernacht zag hij een grote stofwolk naderbij komen. Van angst verborg hij zich onder een bruggetje, waar de kabouters bij duizenden overheen trokken. Sindsdien zijn de aardmannetjes verdwenen. De meeste Kempense kabouters vertoefden, volgens de verhalen, in grafheuvels. De twee bekendste zijn wel de Kabouterberg te Hoogeloon (Bladel), waar Kyrië volgens de bronnen woonde en ook begraven werd, en de Duivelsberg te Riethoven (Bergeijk), waar Kyrië zijn dood vond. De boer uit Veldhoven slaat de aftocht van de kabouters gade in de Goorstraat richting Duizel (Eersel), op weg naar de begrafenis van hun koning in Hoogeloon. Kabouterkoning Kyrië wordt het meest genoemd in de context van zijn eigen dood. Een enkele keer duikt hij op in levende staat: Erdmennekes zaten op de Moosdijk. Ze heetten Arië en Kyrië en hielpen 's nachts de mensen bij het karnen en bij ander werk. Jaon van Guste kwam op zijn weg naar huis een kabouter tegen. 't Manneke zei vriendelijk goeien avond, en vroeg hem om een pijpje tabak. "Ge kunt er wel honderd krijgen," zei Jaon gemoedelijk met een lach, waarop de kabouter antwoordde: "Nee, aan één heb ik genog. De ander negen en negentig zijn voor jou." Voordat hun wegen splitsten riep de kabouter, wijzend naar de Duizelse toren: "Zeg vriend, den dieë giender zal de kets [klap, slag] wel doorstaan, want ik heb 'm zelf gebouwd met m'n mennekes! Ik zal 't u maar zeggen! Ik ben Kyrië, de koning der Kabouters. Toen den toren klaar was, heb ik m'n vrouwke daar in getrouwd!" Toen was ie weg. Jaon kon 's avonds honderd pijpen tabak tracteren uit zijn tabaksbuiltje! In de tweede helft van de 19e eeuw begon men interesse te tonen voor het Nederlandse volksverhaal. Voor Noord-Brabant hebben in die tijd Jacques Cuijpers (1850-1926) en Petrus Panken (1819-1904) de belangrijkste rol gespeeld. Zij waren onder de eersten die Noordbrabantse volksverhalen verzamelden en opschreven. Rond 1890 hebben beiden de eerste Kyrië-verhalen gepubliceerd. De twee onderwijzers waren jammer genoeg niet altijd even nauwkeurig in het opgeven van hun schriftelijke of mondelinge bronnen. Later zijn hun verzamelingen, samen met andere verhalen, gebundeld in de werken van J.R.W. Sinninghe (1933) en Willem de Blécourt (1979). Wanneer de eerste verhalen omtrent Kyrië ontstaan zijn is moeilijk te ontdekken vanwege de moeilijk terug te voeren mondelinge overlevering. De inhoud van de verhalen kan ons meer vertellen. 'Kyrië' Maar eerst een korte verklaring van de naam Kyrië. Kyrië is afkomstig uit het Grieks waar het de aangesproken vorm van Kyrios is, wat Heer betekent. De term Kyrië is ons bekend uit het Kyrie Eleison ('Heer, ontferm U'), een zin die in zijn Griekse vorm nog in Nederland gebruikt wordt in zowel de Rooms-katholieke als de protestantse eredienst (evenals in het kerstlied 'Nu Zijt Wellekome'). De formule is te vinden in zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Niettemin zijn de eerste bewijzen van het gebruik ervan in het Westen pas te vinden in de 6e eeuw na Christus, en deze bewijzen suggereren dat het Kyrie pas net geïntroduceerd was in Italië (Fortescue 1910). Al in de late middeleeuwen kwam bovendien het tussenwerpsel Kir (of Kyr, of Cur) voor in Nederland als uiting van verontwaardiging of verwondering. Het is een afgeleide van Kyrie (dat mogelijk al eerder in zijn volledige vorm op dezelfde manier gebruikt werd), en betekent ook in deze context Heer! (Verwijs 1894). Kyrië als kabouternaam komt uitsluitend in Noord-Brabant voor. Magnus Pan Mortuus Est De sage van koning Kyrië vertoont duidelijke overeenkomsten met de verhalen rond de Griekse god Pan. Pan was de god van natuur en patroon van herders en jagers. Kyrië was de koning der aardmannetjes. De aardmannetjes, toebehorende tot de aardgeesten, werden sterk geassocieerd met de natuur. Verder stond Pan in de verhalen bekend om zijn afstotelijke uiterlijk. Hij stond dichtbij de mensen, maar leefde afzijdig. Ook de kaboutertjes waren lelijk en op zichzelf: volgens de sagen kwamen ze vooral 's nachts te voorschijn om maar niet gezien te worden, maar tegelijkertijd stonden ze wel in dienst van de mensen. Het opmerkelijkste is wel het verhaal rond de dood van Pan. Pan staat bekend als de enige Griekse god die gestorven is. Volgens Plutarchus (een Griekse historicus die leefde van 46 tot ca. 125 na Christus) werd een stuurman van een Grieks schip op weg naar Italië vanaf een eiland toegeroepen: 'Thamus! Thamus!', na de derde keer antwoordde Thamus (de stuurman) en kreeg toen het volgende verzoek te horen: 'Vertel de mensen van Palodes dat de grote Pan dood is'. De stuurman deed wat hem gevraagd werd en riep zodra hij Palodes bereikte: 'De grote god Pan is dood!', waarop een luid geweeklaag uitbarstte alsof een grote menigte aan het treuren was. Dit verhaal vind men ook in de Kyrië-sage: Nadat een boer uit Hoog Kasteren een pannenkoek had gekregen van een kabouter, werd hem gevraagd: "Zeg aan Arie, dat Kyrië dood is." Toen de boer thuis kwam, vertelde hij wat hem overkomen was en een stemmetje, onder de tafel weeklaagde: "Och, is Kyrië dood?" Enkele mannen werd nageroepen: "Oudeman! Oudeman!" Toen een van hen antwoord gaf, zei de kabouter: "Zeg aan Abraham dat Kyrië dood is." 't Ventje had zeker gedacht, dat er een van zijn volk langs ging. Een boer uit Eersel werd nageroepen: "Adriaan, zeg tegen Christiaan, dat Kyrië dood is!" De boer ontstelde, want hij zag niemand. Thuisgekomen heeft hij dadelijk zijn avontuur verteld, waarop een kabouterken, dat onder tafel zat, zei: "Is Kyrië dood?" Zou de sage van Kyrië gebaseerd kunnen zijn op Pan's mythe? Zodra Tiberius Caesar (42 v.C. - 37 n.C.) van de gebeurtenissen hoort, roept hij Thamus bij zich, en hij laat de kwestie onderzoeken. In welk jaar dit alles precies gebeurd is, weten we niet. De mogelijkheid bestaat dat de geruchten van Pan's dood qua tijd samenvielen met de dood (en opstanding) van Jezus, zoals die in de Bijbelse verhalen worden beschreven. Eusebius, een christelijke geleerde uit de derde eeuw, interpreteerde het bericht van de dood van Pan als een aankondiging van de dood van alle ('pan' is Grieks voor al-/alle(s)) demonen (d.i. Grieks-Romeinse goden), in het werk gesteld door Christus. Deze interpretatie was ook in de Renaissance populair (Borgeaud 1983). Het is niet ondenkbaar dat deze interpretatie zijn sporen heeft nagelaten in de vertelcultuur. Deze in de Hochkultur ontstane versie--een demonisch volk betreurt de dood van hun koning, gedood door Christus--zou dan opgepikt zijn door de volkscultuur en in een kabouterverhaal zijn veranderd, al is deze veronderstelling speculatief. Van de kabouters wordt immers niet alleen gezegd dat ze vertrokken zijn door de dood op hun koning, maar ook omdat de paus of het luiden van kerkklokken ze heeft verjaagd. (Zie verderop voor variaties op het Kyrië-verhaal.)
     
Rabelais, een 16e-eeuwse Franse schrijver, gaf echter een precies tegenovergestelde, eveneens populaire, betekenis aan het verhaal. Hij meende dat Pan (Het Al) voor Christus zelf stond, en dat de aankondiging dus op de dood van Christus sloeg (Borgeaud 1983). Deze laatste interpretatie zou de cirkel rond maken en de naam Kyrië (Heer) kunnen verklaren. Ook nu weer is niet uit te sluiten dat de in de Renaissance geconstrueerde versie van het Pan-verhaal--waarin Pan synoniem is aan Jezus Christus--terecht is gekomen in de mondelinge volkscultuur en daar tot een kabouterverhaal gemuteerd is. De dualiteit die Pan over de eeuwen heen verworven heeft weerspiegelt op interessante wijze het ambigue karakter van de kabouter. (Zie lemma Behulpzame Kabouter.)
     
De relatie tussen de mythe en de sage is niet noodzakelijk zo direct als hierboven geschetst wordt. De twee verhalen maken deel uit van een veel groter corpus met archetype ATU 113A, Pan is Dead en SINSAG 0101: "Magnus Pan mortuus est." (Het moet gezegd dat het hij Sinninghe slechts om een deel van de Kyrië-sage gaat: de aankondiging van zijn dood.) Sinninghe's bijschrift bij dit type luidt: 'Zwerge teilen einander durch Vermittlung eines Menschen den Tod ihres Königs mit'. Het gaat echter niet altijd om kabouters, de karakters nemen vaak de vorm aan van een in dat gebied populair wezen, waardoor de bij dat wezen betrokken verhalen ook dikwijls een rol gaan spelen. Het verhaaltype komt in verschillende Noord-Europese landen voor; in Zuid-Europa is het vrijwel niet bekend. De kenmerkende verhaallijn is als volgt: De tussenpersoon hoort een stem of ontmoet iemand die hem vraagt om, wanneer hij thuis (of op een bepaalde plaats) komt, door te geven dat een bepaald (mysterieus) iemand is overleden. Een derde individu of een groep individuen, de onbekende geadresseerde(n), komt (komen) tevoorschijn en begint (beginnen) luid te treuren of barst(en) juist in vreugde uit, waarna hij (zij) vertrekt (vertrekken). Archer Taylor, die in 1922 al 240 varianten van dit verhaal heeft kunnen vinden, maakt een onderscheid tussen twee verschillende vormen van dit type: in de eerste vorm betreft het verhaalfiguren met een menselijke vorm (dwergen, kabouters, elfen, demonen, geesten, enz.); in de tweede vorm gaat het om katten. In Denemarken, bijvoorbeeld, wordt verteld over een man die een dwerg tegenkomt. De dwerg klapt in zijn handen en zegt: "Groet Ati en zeg dat Wati dood is!". De man, die geen idee heeft wie dat zijn, vertelt thuis wat hem is overkomen. Vervolgens springt er iemand tevoorschijn, loopt heen en weer, klapt in zijn handen en zegt: "Ah, is Wati dood, is Wati dood?" In Tirol wordt verhaald over de wilde vrouwen (Fanggen): Een herder vindt een kind in het bos, dat overal haar heeft. Hij neemt het meisje mee naar huis en maakt haar tot dienstmeid. Op een dag horen twee mannen een stem in het bos: "Zeg Stutzfärche (de spar) dat Rohrinde (ruwe schors) is omgekapt en dood is." Ze overleggen het met de herder. De dienstmeid hoort het en rent huilend het bos in. In Bretagne gaat het verhaal dat een kat, nadat hij hoort dat de kat van de buren is gestorven, uitroept: "Robert is dood" en in de schoorsteen verdwijnt.
     
De eerste categorie verhalen (met antropomorfe figuren i.t.t. katten) komt voor in heel Duitsland, in Denemarken, vermoedelijk (vroeger) in Noorwegen, tenminste één keer in Frankrijk, en wat Taylor nog niet gevonden had, ook in Nederland. De meeste gevonden verhalen zijn niet van voor de achttiende eeuw. De twee oudste gedrukte versies zijn echter een verhaal verteld in de roman Der Edelmann (1696) van Paul von Winckler en een gecorrumpeerde versie in de Zimmersche Chronik (1584). (Er is ook nog een Duitse versie uit 1572 maar deze bevat het motief van de tussenpersoon niet.) De tweede categorie (met katten) is door heel Noord-Europa verspreid: het verhaal komt voor in Denemarken, Ierland, Engeland, Schotland, Bretagne, Tirol, en een enkele keer in bepaalde delen van Duitsland. Baldwin's versies zijn de oudste die we kennen: hij schreef in circa 1553 een satirisch pamflet genaamd Beware the Cat, waarin hij de Rooms-katholieke kerk ridiculiseert. Twee subverhalen die daarin zijn opgenomen behoren tot ons type verhaal. Het kaderverhaal zegt dat deze subverhalen uit Staffordshire (Engeland) en Ierland komen.
     
Het verhaaltype in Noord-Europa gaat dus terug tot de 16e eeuw. Tussen de tijd van Plutarchus en de 16e eeuw is er niks concreets bekend. De overeenkomst tussen de sagen en de mythe van Pan is zo aanzienlijk dat, zo zegt Taylor, het niet simpelweg toeval kan zijn. Hij zegt ook stellig dat de overeenkomst niet een 'half-learned borrowing' van de Grieken kan zijn. De tijd van de vroegste moderne vondsten, de Renaissance, doet dit laatste wel vermoeden. Opvallend blijft dat er niet één parallel van Plutarchus' berichtgeving van Pan's dood te vinden is in Griekenland of de Balkan. Daarnaast is er ook niets gevonden in Italië, Spanje en Frankrijk (buiten het Bretonse invloedsgebied). Taylor beweert dat de oorsprong van het type verhaal te vinden is in universele 'auditieve illusies', opgewekt door bijvoorbeeld natuurgeluiden - wat betrekkelijk speculatief lijkt. Variaties en verwanten Waar de verhalen ook vandaan komen, en van wanneer ze zijn, de boodschap is duidelijk: de kabouters zijn voorgoed verdwenen; volgens de Kempenaren door de dood op hun koning Kyrië, maar onder meer de Limburgse kabouters wonende op de Pijpersberg (Haelen), de Krekelsberg (Roggel), en bij de Busschop (Heythuysen) zijn door het (christelijke) klokgelui vertrokken. Andere redenen die in Limburg voorkomen zijn bijvoorbeeld een te laag loon, of omdat ze (te vaak) bespied zijn. Ze zijn, volgens één Limburgs verhaal, hun geluk gaan beproeven op Kaap de Goede Hoop. Een Vlaams verhaal zegt dat ze vertrokken zijn naar een gebied boven de Rijn, of, volgens een ander verhaal, zelfs naar Noorwegen. De kabouters die zo ver woonden als Milmort (Luik) zijn vertrokken nadat de mensen doelbewust een kruis geplaatst hadden in de nis van een huis. Te Hever (Vlaams-Brabant) zijn de kabouters vertrokken nadat één van hen was gevangen genomen. Zoals gezegd wordt in zowel Noord-Brabant als Limburg beweerd dat de paus ze weggestuurd heeft, of dat ze verjaagd zijn door de Fransen (of, specifieker, de sansculotten). Soms zijn ze vertrokken omdat ze op de één of andere manier beledigd of verwend zijn (bijvoorbeeld door nieuwe kleren). Andere vaak genoemde oorzaken zijn de komst van de spoorwegen, grote steden, of door de technologie. Opvallend daarbij is dat kabouterverhalen zich inderdaad vooral afspelen in gebieden met een relatief laag bevolkingsaantal, en niet in de geürbaniseerde gebieden (zie het lemma over de Behulpzame Kabouter).
     
De witte wieven hebben veel gemeen met de kabouters. In één verhaalvariant, bijvoorbeeld, zijn deze spookachtige sagenwezens hulpvaardig: ze bewerken 's nachts het veld of schuren potten en pannen voor een beloning (bijv. pannenkoeken). Zowel de wieven als kabouters wonen in de buurt van grafheuvels; beiden snoepen van de melk; beiden lusten graag katten; ze verwisselen kinderen; en ze roken allebei uit kleine pijpjes die o.a. in Overijssel wittewievenpijpjes worden genoemd, terwijl ze in Noord-Brabant eerder aardmannekespijpjes heten. Verder krijgen ze in de verhalen allebei, tot groot ongenoegen van henzelf, melk met as of eten met oud leer voorgeschoteld; én ze kunnen vuur maken, in een schuur of nabij hooi, zonder dat er brand van komt. Sinninghe (1936) vermeldt zelfs een wittewievenverhaal waarin wordt verkondigd: 'Lerps, gauw naar huis komen, het spit is dood.' Hoewel de gelijkenis met de verkondiging van Kyrië's dood overduidelijk is, lijkt de uitspraak hier niet echt op zijn plaats.
     
Niet alleen de witte wieven delen eigenschappen met de kabouters. Het is ook opvallend dat veel van deze eigenschappen, zoals het maken van (magisch) vuur dat niet overslaat op hooi, het oplappen van potten en pannen, het eten van kattenvlees, het stelen van kinderen, en het straffen van bespieders, óók werden toegeschreven aan de zigeuners (Sinninghe 1933; Blécourt 1980; Lucassen 1990). De Blécourt voegt daaraan toe dat het vertrek van de kabouters omdat hun aanvoerder gestorven is ook betrekking heeft op de zigeuners. Interessant om daarbij te vermelden is dat deze zigeuners de titels van hertog en graaf voerden (Lucassen 1990), en dat de taal (talen) die ze spraken veel Griekse elementen bevatte(n). Ook de mededeling dat de paus het vertrek van de kabouters bevolen zou hebben duidt op een link met de zigeuners: zigeuners hingen immers niet de Rooms-katholieke godsdienst aan (Blécourt 1980). Bovendien werden de zigeuners, die in 1420 voor het eerst ons land aandeden, een eeuw later door Karel V de toegang tot het Heilige Roomse Rijk ontzegd. Veel later nog, in het begin van de 18e eeuw, werden er in diverse gewesten zelfs op grote schaal jachten georganiseerd. (Ook hier vindt men weer een link met het verhaal dat Kyrië door een jager zou zijn vermoord.) Pas in 1750 gingen de autoriteiten ervan uit dat de 'heidenen' definitief uit Nederland waren verdreven. Van 1750 tot 1868--de Franse tijd valt hier ook onder--is er geen enkele vreemdeling tot de categorie 'heiden' of 'zigeuner' gerekend. (Eén verhaalvariant die begin 20e eeuw werd opgetekend zegt dat de sansculotten de kabouters verjaagd zouden hebben.) Hun beeld werd echter levend gehouden in reisverhalen, toneelstukken, romans, encyclopedieën en de wetenschap. In 1868 kwamen de eerste nieuwe zigeuners Nederland binnen: Hongaarse ketellappers (Lucassen 1990).
     
Een andere invloed die van kracht is geweest op de kabouter zoals we die nu kennen komt voort uit zijn verwantschap aan de huisgeest. Het woord 'kabouter' is afgeleid van 'kubla walda' wat huisbewaarder betekent. De huisgeest, in sommige gevallen een overleden voorvader, hoort bij een familie of een huis en verricht 's nachts werk. Hij diende daarnaast om oude normen en waarden te bekrachtigen. Het vertrek van de kabouters door het opzetten van fabrieken (de opkomende technologie) kan hiermee verklaard worden. Ook het beledigen van de kabouters zou een aanval zijn op die oude normen en waarden. In een verhaal dat dit mooi illustreert lacht een boer een kabouter uit omdat deze afgepeigerd op de trap ligt met één graankorrel naast zich. De kabouter, beledigd, besluit om als wraak korrel voor korrel het graan weer van de zolder te halen, waarna de boer in armoede vervalt. (Wie 't kleine niet eert is het grote niet waard.) Het schenden van een verbod (kabouters mogen niet bespied worden) heeft weer betrekking op plaaggeesten (Blécourt 1980; zie ook het lemma over de Behulpzame Kabouter).
     
Hoewel de kabouterkoning bijna altijd Kyrië (of soms Kyria) heet, worden er af en toe ook andere koningsnamen genoemd. Jertjen Aartjes komt bijvoorbeeld in één verhaal voor dat oorspronkelijk door Cuijpers werd opgetekend. De context ("Boer hui! Boer hui! als ge 't avond thuiskomt, dan zeg, dat Jertjen Aartjes dood is.") wijst erop dat het slechts een (eenmalige?) vervanging is van de naam Kyrië. In Limburg spreekt men van Aart met den (grijzen) baard, de koning der kabouters, die samen met Wigant den Strooper, Wim den Visscher en Wieland den Smid in de Eerd woont, en zich daar zal blijven verschuilen, omdat de mensen hem en zijn kabouters te slecht behandeld hebben. Kabouterkoning Santos en zijn onderdanen die vroeger in de Koppelberg te Dieteren woonden hebben deze, afgeschrikt door de wrede daden van de mensen, verlaten en zijn naar de Peel verhuisd. In Vlaanderen wordt ook de naam van het mythologisch figuur Alberich (of Obéron, of Holderik) gebruikt. Andere theorieën Onderzoek van onder meer Nico Roymans toont aan dat de kabouterverhalen in Nederland veelal in de buurt van Romeinse urnenvelden spelen. Dit opmerkelijke feit is de basis van Gert Frens' in 2007 verschenen boekje 'De Dood van Koning Kyrië: Kabouters hebben echt bestaan!' Frens redeneert dat de eerste vertellers van de verhalen zich op zijn minst nog de locaties van de urnenvelden moesten herinneren. Hij beweert dat de kabouters een inheemse bevolking waren die tussen de tijd van de Romeinen vanaf de 4e eeuw n.C., en de tijd van het Frankische rijk de bijna verlaten Kempen hebben bewoond. Pas in de loop van de 8e eeuw, onder druk van het Frankische imperialisme en de gelijktijdige groei van het Christendom, zouden ze zijn verdwenen. Maar dat is nog niet alles: Kyrië in het bijzonder heeft echt bestaan volgens Frens. Kyrië's verblijf, de kabouterberg in Hoogeloon, ligt middenin een Gallo-Romeins urnenveld. Naast een Gallo-Romeins urnenveld werden er ook een Romeinse villa (gebouwd in de 2e eeuw na Christus), de resten van een grootschalige ijzerindustrie en resten van een nederzetting gevonden. Frens' theorie is dat ook na het vertrek van de Romeinen de villa bewoond werd door een Heer die leiding had over de ijzerproductie. Deze functie werd, volgens Frens, aan volgende generaties doorgegeven tot de laatste Kyrië, de laatste Heer van Hoogeloon, in de 8e eeuw door de Franken werd verjaagd (of zelfs vermoord).
     
Rien Poortvliet en Wil Huygen schreven in 1976 een quasi-wetenschappelijk werk waarin ze beweren dat de kabouters van vroeg-Scandinavische oorsprong zijn. Volgens hen trokken ze tijdens de Grote Volksverhuizingen in de 4e en 5e eeuw na Christus de Kempen in, en vestigden zich op de beste plekken, namelijk nabij Romeinse nederzettingen.
     
Volgens Ton van Reen (2002) zijn de kabouterverhalen pas veel later ontstaan. Het woord 'kabouter' is volgens hem een verzamelnaam voor alle rondtrekkende of zich van de mensen afzijdig houdende kleine lieden (mismaakte kinderen, dwergen, gehandicapten) van wie de mensen een afkeer hadden. Tot en met de 19e eeuw bestonden er dus volgens hem nog kabouters, totdat deze in de 20e eeuw een plek kregen in de maatschappij in opgerichte tehuizen of anderzijds geaccepteerd werden als echte mensen. Kyrië nu Een lied dat nog steeds bekend is en gezongen wordt over kabouterkoning Kyrië is 't Hèrmenieke van Bergeyk. Het lied is waarschijnlijk in de tweede helft van de 19e eeuw geschreven. Bijzonder is vooral de combinatie met het kerkelijke Kyrie Eleison. Hier volgt het eerste couplet en het refrein (voor het complete lied zie Franken): 't hèrmenieke van Bergeijk dè spulde toch zo schon èn ze hebben saam geklonken ze hebben saam gedronken van 't gerstebier van kyrië ‘t gerstebier van kyrië 't gerstebier van kyrië eleïson Ter nagedachtenis aan de koning staat in Hoogeloon op het Valensplein een beeld van Kyrië, gemaakt door Wim Gubbels in 1985. Koning Kyrië zit 'wakend op de dorpspomp, kijkend of de waarden van goedheid, gemoedelijkheid en hulpvaardigheid in acht worden genomen.' Bij de VVV-kantoren in Zuidoost-Brabant is een fietsroute verkrijgbaar die o.m. leidt langs Kyrië's beeld; langs het Koebos in Hoogeloon, waar vroeger de Kabouterberg was (Kyrië's woning en begraafplaats); en langs het Braambos in Riethoven, waar vroeger de Duivelsberg lag (Kyrië's sterfplek).

Literatuur

- Blécourt, Willem de: Volksverhalen uit Nederlands Limburg. Utrecht 1981, p. 24, 46-47, 58-59, 65, 77, 82, 84-85, 88, 92, 94, 99-100, 124-130, 146-147, 180.
- Blécourt, Willem de: Volksverhalen uit Noord Brabant. Utrecht 1980, p. 15-19, 26-31, 38-39, 45-46, 51-53, 56-62, 115, 282-284.
- Borgeaud, Philippe: 'The Death of the Great Pan: The Problem of Interpretation', in: History of Religions 22.3 (1983), p. 254-283.
- Bree, Elise de: 'De Behulpzame Kabouter.' Nederlandse Volksverhalenbank. Meertens Instituut. 26 maart 2008. <a href="http://www.verhalenbank.nl/lijst_lexicon.php?act=detail&volksverhaal_type=SINSAG%200063" target=_new>Link</a>
- Cock, A. de, & Is. Teirlinck: Brabantsch Sagenboek. Dl. 1. Gent 1909, p. 183-206.
- "Definitions for Medieval Christian Liturgy 'Kyrie eleison'." AdHoc. Michael G. Powell (ed.). 4 dec. 1996. Yale University. 26 maart 2008. <a href="http://www.yale.edu/adhoc/research_resources/liturgy/d_kyrie.html" target=_new>Link</a>
- Fortescue, Adrian: 'Kyrie Eleison', in: The Catholic Encyclopedia VIII (1910). New Advent. Ed. Kevin Knight. 1999. 26 maart 2008. <a href="http://www.newadvent.org/cathen/08714a.htm" target=_new>Link</a>
- Franken, Harrie: "'t Hèrmenieke van Bergeijk." Liedarchief Weebosch-Bergeijk. Jan. 1994. 26 maart 2008. <a href="http://www.volksliedarchief.nl/artikelen/h%E8rmenieke%20van%20bergeijk.htm" target=_new>Link</a>
- Frens, Gert: De dood van Koning Kyrië: Kabouters hebben echt bestaan! Eersel 2007.
- Kemp, Pierre: Limburgs Sagenboek. Maastricht 1925, p. 119-123.
- Lenaerts van Zonhoven, L.W.J.: De Verdwijning der Alvermannekens. Antwerpen 1898.
- Lucassen, Leo: 'En men noemde hen zigeuners'. Amsterdam 1990.
- Panken, P.: Spokerijen in de Kempen. Zaltbommel 1973, p. 16, 18-19, 26-37, 63.
- Peeters, K.C.: Vlaams sagenboek. Leuven 1979, p. 27-51.
- Reen, Ton van: Klein Volk: De geschiedenis van de kabouter. Breda 2002.
- Roeck, A & L. Marquet: Belgische Sagen en Legenden. Antwerpen 1980, p. 59-62, 203-206.
- Sinninghe, J.R.W.: Katalog der Niederländische Märchens, Ursprungssage, Sagen und Legendenvarianten. Helsinki 1943, p. 58-59. (FFC 132)
- Sinninghe, J.R.W.: Limburgsch Sagenboek. Zutphen 1938, p. 221-230.
- Sinninghe, J.R.W.: Noord-Brabantsch Sagenboek. Zutphen 1933, p. 11-31.
- Sinninghe, J.R.W.: Noordbrabants Sagenboek. Den Haag 1964, p. 10-28.
- Sinninghe, J.R.W.: Overijselsch Sagenboek. Zutphen 1936, p. 5-17.
- Taylor, Archer: 'Northern Parallels to the Death of Pan', in: Washington University Studies 10.1 (1922), p. 3-102.
- Verwijs, E. & J. Verdam: Middelnederlandsch woordenboek. Dl. 3. 's-Gravenhage 1894, p. 1447.
- Woordenboek der Nederlandsche taal [WNT]. Dl. 7. A. Beets (ed.). 's-Gravenhage 1926, p. 762-766.