Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Sneeuwkoningin

Een (),

Onderwerp

TM 0748A - De Sneeuwkoningin    TM 0748A - De Sneeuwkoningin   

Beschrijving

De Sneeuwkoningin

Tekst

Een duivelse trol creëert een boosaardige spiegel. In de spiegel kijkend ziet men de wereld op een verdraaide manier. Het goede en het mooie verschrompelt, terwijl het slechte juist extra opvalt en verergert. Op een dag valt de spiegel vanuit de hemel in miljoenen stukjes kapot op aarde. Wanneer zo’n glassplinter in de ogen van een mens komt, ziet hij alles verdraaid en zijn hart verandert in een klomp ijs. Bovenstaand fragment is het begin van Hans Christian Andersens sprookje De Sneeuwkoningin. Een verhaal over de twee kinderen en elkaars beste vrienden Gerda en Kay. Als Kay een steek in zijn hart en oog voelt, verandert alles. Hij is getroffen door een spiegelsplinter, waardoor zijn karakter verslechtert. Op een dag wordt hij ontvoerd door de Sneeuwkoningin; iedereen in het dorp denkt dat Kay dood is. Gerda weigert dit te geloven en gaat op zoek naar haar beste vriend. Haar zoektocht verloopt echter niet zonder slag of stoot. Zo wordt ze betoverd, gevangengenomen door rovers en volgt ze het verkeerde spoor. Uiteindelijk vindt ze Kay in het ijspaleis van de Sneeuwkoningin en vliegt ze hem dolgelukkig om de hals, maar Kay verroert zich niet. Gerda huilt hete tranen op zijn borst, waardoor de ijsklomp om zijn hart smelt en de glassplinter uit zijn oog spoelt. Moe gaan ze op de vloer liggen in de figuur van de oplossing van een raadseltje van de Sneeuwkoningin. De koningin had Kay beloofd dat als hij met een ijsblokkenlegpuzzel het woord ‘eeuwigheid’ zou vormen, zij hem vrij zou laten. Als de kinderen eindelijk na hun lange reis thuiskomen, zijn ze volwassen geworden. We weten wie de maker van dit verhaal is, namelijk de schrijver Hans Christian Andersen. De Sneeuwkoningin is daardoor geen volkssprookje, maar een kunst- of cultuursprookje. Een volkssprookje is in de loop der tijd op ‘natuurlijke wijze’ ontstaan in de mondelinge overlevering. Volkssprookjes zijn anoniem, door een heel volk ‘gecreëerd’, dat wil zeggen: meerdere vertellers hebben er elementen aan toegevoegd, weggelaten of veranderd. Er bestaan dan ook meerdere versies. Van een kunstsprookje daarentegen is wel te achterhalen wie die ene bedenker is. Deze verhalen zijn namelijk door een schrijver als het ware in één keer achter zijn bureau bedacht en opgeschreven. Vroeger werd er door volkskundigen weinig onderzoek gedaan naar kunstsprookjes, want ze zouden meer tot de letterkunde behoren. Het DOC Volksverhaal heeft dan ook nog niet eerder onderzoek gedaan naar de kunstsprookjes van Andersen. Tegenwoordig ziet men dit onderscheid echter niet meer zo strikt. De mening is nu dat er altijd wel een wisselwerking plaatsvindt tussen de orale en literaire traditie. Gekunsteld of niet, voor de meeste mensen zijn Andersens verhalen synoniem aan sprookjes en qua populariteit hebben zij zich een plaats naast de volkssprookjes van Grimm verworven. In eerste instantie is Andersen - net als de gebroeders Grimm - begonnen met de bewerking van volkssprookjes. Maar zijn ‘als niemendalletjes bedoelde verhalen’ werden zo’n succes, dat hij zelf nieuwe sprookjes moest gaan bedenken om aan de grote vraag te kunnen voldoen. Bijzonder aan Andersens sprookjes is daarnaast de schrijfstijl die hij toepaste. Hij heeft de verhalen opgeschreven, zoals hij ze aan kinderen zou vertellen. In zijn geschreven teksten weet hij de indruk van spontane spreektaal op te wekken. Het lijkt net of de verhalen uit de mondelinge overlevering zijn getranscribeerd. Zoals de verteller het aan zijn toehoorders zou vertellen: levendig, met spanning, uitroeptekens en in interactie met zijn publiek. Je zit meteen in het verhaal, hij vertelt het zodat men het als het ware voor zich ziet gebeuren, met zinnen als ‘kijk daar stonden ze’. (Andersen 1975, p. 485) Op deze wijze weet Andersen zijn kunstsprookjes te verbinden met de mondelinge volkssprookjes. De Deense schrijver H.C. Andersen (Odense, 2 april 1805- Kopenhagen, 4 augustus 1875) werd wereldberoemd met de 156 sprookjes die hij in zijn leven schreef. Zijn leven begon echter een stuk minder rooskleurig. Andersen kwam uit een arm gezin, zijn vader stierf toen Hans nog jong was en nogal wat familieleden waren aan lager wal geraakt. Op zijn veertiende besloot hij alleen naar Kopenhagen te vertrekken. Na een mislukte acteercarrière, kwam hij onder de bescherming van de invloedrijke ambtenaar Jonas Collin, die hem liet studeren. Veel is bekend over Andersens geestesgesteldheid, vanwege zijn zeer gedetailleerde autobiografieën. Hij voelde zich onzeker en eenzaam, zijn liefdes werden onbeantwoord en hij kon niet genieten van zijn succes doordat hij zich alle kritiek sterk aantrok. Andersen zocht zijn hele leven naar goedkeuring van zijn werk door de Deense burgerlijke elite en intelligentsia. De eerste erkenning voor zijn sprookjes kwam echter uit het buitenland. De Deense culturele elite vond zijn sprookjes maar kinderachtig en ongepast. Ze mistten de traditionele moraal en bekende vorm, Andersen zou een voorbeeld moeten nemen aan de Franse sprookjes. Wellicht verklaart dit ook waarom Andersen bij latere uitgaven de ondertitel ‘aan kinderen verteld’ weg wilde hebben. Hij wilde niet slechts als kinderschrijver gezien worden, maar als een genie die alle schriftvormen beheerste. De sprookjes maakten Hans Christian wereldberoemd. Hij reisde veel en kwam bij hooggeplaatste lieden over de vloer, zoals het Engelse hof van koningin Victoria. Een arme jongen die een gevierd sprookjesschrijver wordt, het lijkt wel een sprookje. Vaak wordt gesteld dat met name het sprookje van Het lelijke, jonge eendje gebaseerd zou zijn op Andersens eigen leven: “Het doet er niets toe dat je in een eendenhof bent geboren, als je maar in een zwaneëi hebt gelegen!” (Andersen 1975, p. 588) Maar volgens sprookjesdeskundige Jack Zipes heeft Andersen deze mythe, waarin hij een Romantische held was, zelf gecreëerd. Andersen ontsnapte volgens hem nooit aan zijn lage afkomst; hij droeg het zijn hele leven met zich mee en verwerkte het later in zijn verhalen. Als zijn leven al een sprookje was, dan was het een diep tragisch sprookje. Het sprookje van een man die rusteloos naar roem en erkenning van de elite zocht, in een verwoede poging om zijn verleden in armoe van zich af te schudden. Andersen heeft wel veel gebeurtenissen uit zijn leven verwerkt in zijn sprookjes. Zo zegt hij over De Sneeuwkoningin: “In de dakgoot tussen ons huis en dat van de buren stond een bloembak met bieslook en peterselie erin. Dat was de enige tuin die mijn moeder bezat. In het sprookje van de Sneeuwkoningin staat die tuin weer vol in bloei.” (autobiografie Andersen, The Fairy Tale of my Life 1868, p. 2) De Sneeuwkoningin is één van Andersens langste sprookjes. Het sprookje is verdeeld in zeven geschiedenissen, met als overkoepelende verhaal Gerda’s zoektocht. Hieromheen zijn verschillende verhaallijnen verweven, zoals het verhaal over het kleine roversmeisje, de prinses die zocht naar een slimme prins en de oude tovervrouw die naar een dochter verlangde. In tegenstelling tot bij volksprookjes is in De Sneeuwkoningin de setting van het verhaal wel bekend. Het slot van de Sneeuwkoningin ligt namelijk op het eiland Spitsbergen in Lapland. Daarnaast begint het verhaal niet met het bekende ‘Er was eens…’, maar met ‘Ziezo, nu beginnen we. Als we aan het eind van de geschiedenis zijn weten we meer dan wij nu weten’. (Andersen 1975, p. 427) Het kunstsprookje doet ondanks dit wel aan als een volkssprookje. Andersen maakte namelijk gebruik van traditionele sprookjesmotieven. Motieven zijn terugkerende thema’s in meerdere verhalen, bijvoorbeeld de boze stiefmoeder. Volkskundige Stith Thompson heeft alle volksverhaalmotieven samengebracht in zijn overzichtswerk de Motif-Index of Folk-Literature, waarbij hij alle motieven van een code heeft voorzien. De Sneeuwkoningin bevat zowel ingrediënten uit het kindersprookje, het diersprookje of de fabel, het tover- of wondersprookje als het religieuze sprookje. De hoofdrolspeelster is het jonge meisje Gerda, de heldin van het verhaal die de wijde wereld intrekt op zoek naar haar vriend Kay. Onderweg krijgt zij veel hulp van mensen (de prins en prinses, het kleine roversmeisje, de Lappenvrouw en de Finnenvrouw) en dieren (de kraai, het rendier en de duiven) (vgl. de motieven B430 Helpful wild beasts; B443.1 Helpful Deer (stag, doe); B312.1 Helpful animals a gift; B557.3 Man carried by deer; B563 Animals direct man on journey). Het verhaal bevat magische elementen zoals de toverspiegel (D1163 Magic mirror; D572 Transformation by magic object) en het verbreken van de betovering door de kracht van tranen (D753.2 Disenchantment of another by weeping jug of tears). Dieren en mensen kunnen met elkaar spreken en levenloze voorwerpen, zoals de bloemen in de tuin van de tovervrouw, voorziet Andersen van een ziel (personificatie). De winterachtige setting (F704 Land of cold and mist; F771.1.7 Palace of ice) ondersteunt de droevigheid van het verhaal, de onbereikbaarheid van een goede vriend. Op het eind, wanneer de beide kinderen elkaar gevonden hebben en de betovering verbroken is, wordt deze vrolijke sfeer ondersteund door de mooie zomerse natuur. Zoals kenmerkend bij een toversprookje moet de heldin vertrouwen op haar eigen talent. Gerda beseft zelf echter niet hoeveel macht ze bezit, zoals de Finnenvrouw vertelt: ‘Ik kan haar geen grotere macht geven dan zij reeds heeft! Zie je niet hoe groot die is? Zie je niet hoe mensen en dieren haar moeten dienen, hoe zij het op blote voetjes zo ver gebracht heeft in de wereld? Zij mag van ons niet weten welke macht zij bezit, die zit in haar hart, die zit hierin dat zij een lief onschuldig kind is.’ (idem, p. 443) In haar zoektocht moet Gerda meerdere hindernissen overwinnen: een betovering, het volgen van het verkeerde spoor en haar gevangenschap. Eindelijk aangekomen bij het paleis van de Sneeuwkoningin wacht een nieuw probleem: de levende sneeuwvlokken die het paleis bewaken. Gerda vraagt de hulp van God, en tijdens het bidden van het Onzevader ontstaat ‘een legioen om haar heen; zij hakten met hun speer op de angstwekkende sneeuwvlokken in zodat zij in honderden stukken sprongen, en de kleine Gerda ging heel gerust en moedig verder. De engeltjes wreven haar voetjes en handjes en toen voelde ze minder hoe koud het was.’ (idem, p. 444) De Sneeuwkoningin bevat dan ook een duidelijk belerende christelijke moraal. Andersen wilde middels zijn sprookjes zijn lezers morele standaarden en ideële doelen voorhouden. Zo staat Gerda als voorbeeld voor een goed vroom christelijk meisje. Zij zal altijd gered worden door God, zolang zij vertrouwen in Zijn almacht houdt, en zal uiteindelijk toegang krijgen tot het paradijs - ze lost met andere woorden de puzzel van de "eeuwigheid" (het eeuwige leven) op. Volgens Jack Zipes onthult het verhaal Andersens sterke geloof dat kinderen alleen konden overleven en op het goede pad zouden blijven, als zij zich volledig zouden overgeven aan Gods wil. Dit sloot aan bij de heersende moraal van die tijd en bij het socialisatieproces van de gegoede burgerij. Andersens sprookjes moesten aansluiten bij de smaak en behoeften van zijn leespubliek uit de gegoede middenklasse. De duidelijke protestants-christelijke elementen zijn typisch voor de sprookjes van Andersen. Zipes stelt zelfs dat: ‘No other writer of literary fairy tales in the early nineteenth century introduced so many Christian notions of God, the Protestant ethic, and bourgeois enterprise in his narratives as Andersen did.’ (Zipes 2005, p. 58) Religie komt in volkssprookjes op deze expliciete manier niet vaak voor. Zij bevatten over het algemeen, in tegenstelling tot het werk van Andersen, geen sterke christelijke laag. Daarnaast is in het verhaal Andersens afkeer ten aanzien van het Verlichtingsdenken terug te zien. Andersen wordt zelf tot de Romantiek gerekend, een reactiestroming op de Verlichting. De Romantiek keerde zich tegen het rationele en het koele objectieve van de Verlichting. Bij de Romantici draaide het juist om het gevoel, het onbewuste en het onverklaarbare. De onderliggende moraal in De Sneeuwkoningin is dan ook de strijd tussen enerzijds het verstand of de rede en anderzijds het gevoel en het geloof. Aan de ene kant staat het kwaad als de Sneeuwkoningin, die gevoelloos is en alleen denkt met haar verstand. Kay is verblind door de rede, in zijn ogen is de Sneeuwkoningin dan ook volmaakt. Aan de andere kant staat Gerda, die vanuit haar gevoel en geloof denkt. Volgens Mathias Mayer en Jens Tismar is de ‘Schneekönigin eine Allegorie der Verstandeskälte, die den Blick auf den Welt verzerrt und das Individuum aus der Wärme der Mitmenschlichkeit isoliert.’ (Mayer en Tismar 1997, p. 108) De sprookjes van Andersen zijn zowel op kinderen als volwassenen gericht. Ze bevatten een diepere betekenis. Zo eindigt De Sneeuwkoningin met een citaat uit de bijbel (Matteüs 18:3): ‘Als gij niet wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.’ (Andersen 1975, p. 447) Het is een oproep aan de lezer dat men in zijn hart altijd kind moet blijven. Dat men niet vanuit zijn koele verstand moet denken, maar vertrouwen moet hebben in het geloof en moet doen wat zijn hart, zijn gevoel hem ingeeft. Aan het eind van hun avontuur snappen de kinderen dan ook het terugkerende vers in het verhaal: ‘De rozen bloeien in het dal waar ik Kindeke Jezus treffen zal’. (idem, p. 429) Jack Zipes interpreteert het verhaal zelfs als een doopritueel. Gerda en Kay moeten hun ‘onschuld’ tonen en laten zien dat ze het kwaad de rug toe hebben gekeerd, voordat God hen zal redden. De voortstuwende kracht van het sprookje is de onvoorwaardelijke loyale vriendschap van Gerda voor Kay, zelfs ondanks zijn veranderde karakter. Loyaliteit in een vriendschappelijke relatie was een belangrijke Romantische levenshouding. Het verhaal bevat overigens een aantal onlogische overgangen en denksprongen. Je krijgt het idee dat Andersen zoveel tegelijk wil vertellen, dat hij daardoor een aantal tussenstappen vergeet. Zo blijft het vaag hoe precies de eeuwigheidpuzzel wordt opgelost. Het is onduidelijk wat de relatie tussen de spiegel en de Sneeuwkoningin is en wat de koningin met Kay wil. Andersen wilde symbolische lagen in zijn verhaal stoppen, maar door deze symbolische raadselachtige lading blijven er wel een aantal losse eindjes over. Het sprookje eindigt nogal abrupt; er vindt geen spectaculaire strijd met de Sneeuwkoningin plaats. De koningin komt überhaupt in het verhaal weinig voor. Het zijn vooral Gerda’s zoektocht en haar onvoorwaardelijke vriendschap die centraal staan. In huidige bewerkingen van het verhaal zijn de christelijke elementen grotendeels verdwenen. Ze passen niet meer in deze tijd, zoals ze wel in de leefwereld van Andersens tijd pasten. Op deze manier zal de symbolische laag alleen maar raadselachtiger worden. De bewerkers zullen zelf een draai aan het verhaal moeten geven om de losse eindjes aan elkaar te knopen. De kunstsprookjes van Andersen zijn echter wel nog steeds populair. Zo blijkt wel toen, ter ere van zijn 200ste verjaardag in 2005, de Deense speelgoedfabrikant LEGO een aantal van zijn sprookjes, waaronder De Sneeuwkoningin, in LEGO uitbracht. Maar ook in de bioscoop is de Sneeuwkoningin nog te bewonderen als de slechte White Witch in The Chronicles of Narnia, die ervoor zorgt dat er in Narnia een eeuwigdurende winter heerst. C.S. Lewis, schrijver van de Narnia-serie, liet zich hiervoor inspireren door Andersens verhaal. De White Witch draagt net als Andersens Sneeuwkoningin een witte pels. Walt Disney Pictures baseerde zich lichtjes op het sprookje in de animatiefilm Frozen (2013), maar hierin gaat het over twee rivaliserende zusters, waarvan er eentje magische krachten heeft waarmee ze sneeuw en ijs kan maken. Na een incident trekt zij uit eigen beweging de ijswereld in.

Literatuur

Hans Christian Andersen, Sprookjes en vertellingen. Bussum 1975, 5-7, 427-447. Hans Christian Andersen, The Fairy Tale of my Life, an autobiography (origineel uit 1868) New York 1975, 2, 178. Dossier Hans Christian Andersen, Koninklijke Bibliotheek, www.kb.nl/dossiers/andersen/andersen.html (geraadpleegd op 21-2-2011). Douglas A. Anderson, Tales before Narnia: The Roots of Modern Fantasy and Science Fiction Z.pl., 2008. C. P. R. van Geuns, ‘Hans Christiaan Andersen, een tragisch sprookje’, in: Roeping 12 (1943) 465-474. Sarah Gilead, ‘Magic Abjured: Closure in Children’s Fantasy Fiction’, in: PMLA vol. 106 nr. 2 (1991) 292. Erik Haugaard en Isabelle Jan, Hans Christian Andersen, Buiten het boekje nr. 13. Den Haag 1978. Bengt Holbek, ‘Hans Christian Andersen’s Use of Folktales’, in: Hilda Ellis Davidson en Anna Chaudri ed., A companion to the Fairy Tale. Cambridge 2003, 149-158. H. Hudig-Kapteijn, H.C. Andersen: De groote onbekende. Amsterdam 1947, 199. Volkert Klotz, Das europaïsche Kunstmärchen. Stuttgart 1987, 245-255. Mathias Mayer en Jens Tismar, Kunstmärchen, Sammlung Metzler – Realien zur Literatur 3e druk. Stuttgart-Weimar 1997, 1-6, 107-111. Dorinda Outram, Panorama of the Enlightenment Londen 2006. Liesbeth Rusch ed., Mijn leven is een aardig sprookje… Leven en werk van Hans Christian Andersen. Den Haag 1990, 7-8, 18. Stith Thompson, Motif-Index of Folk-Literature: A Classification of Narrative Elements in Folktales, Ballads, Myths, Mediaeval Romances, Exempla, Fabiaux, Jest Books and Local Legends Bloomington 1966. Volksverhalenbank (www.verhalenbank.nl), ID-nummer ANDERSEN1844. Jack Zipes, The Misunderstood Storyteller New York 2005.