Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Belezer geneest mens of dier

Een (),

Onderwerp

TM 3102 - Belezer geneest mens of dier    TM 3102 - Belezer geneest mens of dier   

Beschrijving

Belezer geneest mens of dier

Tekst

Sjors van de Berg , ook zo’n heibewoner, kon belezen, daarvoor stond hij op Soesterberg bekend. Dat belezen bestond uit het wegnemen van de pijn, wonden en zo kon hij natuurlijk niet genezen. Hij streek met zijn hand over de wond of legde zijn hand op de pijnlijke plek, deed er een gebedje bij, wat hij zei kon je nooit horen, hij prevelde maar zo wat en de pijn hield direct op. (Bron: E. Heupers, Volksverhalen uit Gooi- en Eemland en van de westelijke Veluwe Nederlandse Volksverhalen deel 1 (Amsterdam 1979) verhaal 91, p. 56.) Bovenstaand fragment komt uit een verhaal dat in 1962 is opgetekend in Soesterberg (Utrecht). Hierin wordt uitgelegd wat een belezer precies doet. Een belezer is iemand die met gebeden en bepaalde handelingen sommige kwalen en kwetsuren kan behandelen, zowel bij mensen als bij vee. Zoals in het verhaal al wordt gezegd kunnen de meeste kwalen niet geheel genezen worden; de belezer neemt alleen de pijn weg. Over het algemeen behandelen de belezers bij mensen voornamelijk de kleine, acute kwalen en aandoeningen zoals brandwonden, verschillende vormen van pijn (bv. kiespijn), verstuikingen en huiduitslag en kunnen ze bloed stelpen. Bij vee worden met name kreupelheid en verschillende veeziektes behandeld. Voor de belezer zelf heeft het belezen meestal geen effect. Een enkele keer wordt vermeld dat de belezer de klacht tijdelijk zelf overneemt of er hoofdpijn van krijgt, maar dit zijn uitzonderingen. Belezers kwamen voornamelijk voor op het platteland. In de negentiende en begin twintigste eeuw had bijna ieder dorp of gehucht wel een belezer (of een andere genezer) die kleine kwalen kon behandelen. Belezers werkten meestal alleen lokaal; hun klanten kwamen voornamelijk uit het eigen dorp. Daarbij waren de belezers meestal werkzaam in de landbouw en veeteelt, net als hun klantenkring. Het belezen deden ze dus naast hun gewone beroep. In een groot deel van Nederland wordt deze vorm van genezen ‘belezen’ genoemd, maar er bestaan wel variaties. In het zuiden heet het ‘overlezen’ en in het westen wordt het meestal ‘aflezen’ of ‘strijken’ genoemd. In het noordoosten van het land is het ‘bezetten’ of ‘buiten’ en in Friesland heet het ‘knoffelbânlizze’. Een ‘knoffelbân’ is letterlijk een (magische) band die om een verstuikt lid wordt gelegd, en hoewel Friese belezers de patiënten geen verband omdeden, behandelden ze wel voornamelijk verstuikingen. Verder wijkt alleen het ‘strijken’ enigszins af van het belezen doordat het niet altijd gepaard gaat met gebed: het gaat dan meer om de handoplegging. Belezers verschillen van andere genezers, zoals wonderdokters en duivelbanners, op een aantal punten. Ten eerste de behandeling. Belezers genezen met gebed en maken geen gebruik van drankjes en andere medicijnen zoals de wonderdokters en duivelbanners. Ten tweede heeft een belezer maar een beperkt aantal kwalen en aandoeningen die hij kan behandelen. ‘Magische kwalen’, veroorzaakt door hekserij, worden over het algemeen niet belezen. Ten slotte behandelen belezers niet alleen mensen, maar ook vee. De verhalen De verhalen over belezen uit de Nederlandse Volksverhalenbank zijn vaak persoonlijke ervaringen van de vertellers of verhalen uit hun omgeving en sommige verhalen zijn zelfs door belezers zelf verteld. De periode waarin deze verhalen zijn verzameld loopt van 1880 tot 1990. De meeste vertellers waren mannen ouder dan 60 jaar uit dorpen in heel Nederland. Zij waren voornamelijk werkzaam in de landbouw, veeteelt en aanverwante beroepen. Het grootste deel van de vertellers is in het laatste kwart van de negentiende eeuw geboren en in de jaren ’60 en ’70 van de twintigste eeuw geïnterviewd door verzamelaars die werkten voor het Meertens Instituut. Deze verzamelaars gingen gewapend met een vragenlijst het platteland af op zoek naar volksverhalen. Dat het belezen toen nog voortleefde, al was het maar in de eigen herinnering, blijkt wel uit het feit dat er vele verhalen over het belezen opgetekend zijn, terwijl dit onderwerp niet in de vragenlijsten voorkwam. Een groot deel van de belezers lijkt katholiek te zijn geweest. Een opmerking als “Alleen Roomsen kunnen dat werk.” (WEV000503) komt bijvoorbeeld regelmatig voor in de verhalen uit protestantse gebieden. Er zijn echter ook protestantse belezers en in de verhalen van de verzamelaar Ampt komt zelfs een dominee als belezer voor. Katholieke geestelijken worden ook af en toe als belezers genoemd in de verhalen. Deze kunnen naast de gebruikelijke kwalen vaak ook bezetenheid en beheksingen belezen. De historicus Willem Frijhoff heeft daarnaast ook bronnen gevonden over belezen die teruggaan tot de 17e eeuw. Deze komen uit een katholieke context. Het belezen lijkt dus een lange (katholieke) traditie te hebben. Het belezen lijkt echter wel veranderd te zijn. In het Woordenboek der Nederlandsche Taal uit 1898 wordt het belezen omschreven als het doen van een bezwering om boze geesten te verdrijven. Het belezen van vee en ziekte wordt daarbij ook genoemd, maar dan veroorzaakt door een betovering. Hier staat ook dat het een term is die gebruikt werd in de Rooms-katholieke kerk: “Het uitspreken der Liturgische gebeden ter uitdrijving of afwering van den boozen geest en zijn invloed, of ter beveiliging tegen andere schaedelijke invloeden, b.v. ziekte.” Het belezen van bezetenheid en beheksingen door katholieke geestelijken komt ook in de verhalen uit de jaren ’60 en ’70 van de twintigste eeuw nog steeds voor, maar de ‘gewone’ belezers deden dit meestal niet. Volgens taal- en volkskundige Van Haver is het belezen in het verleden overgenomen van priesters en gaven de ‘nieuwe’ belezers die kracht vervolgens door aan hun kinderen. Vrouwelijke belezers In de verhalen is er sprake van zowel mannelijke als vrouwelijke belezers. Het aantal vrouwelijke belezers is echter klein. Volgens historisch antropoloog Willem de Blécourt (1999a) is dit te verklaren doordat het vee binnen het mannelijke domein viel en dit een belangrijk onderdeel is van het belezen. De vrouwelijke belezers die er waren belazen daarom ook meestal geen vee, alleen mensen, en dan met name kinderen. Hierdoor was vooral op het platteland (waar deze verhalen verzameld zijn) het aantal vrouwelijke belezers vaak klein. Verder werd het belezen meestal doorgegeven van vader op zoon en van moeder op dochter. Hierdoor veranderde er nauwelijks iets in de verdeling van de geslachten. In één geval wordt verteld van een zoon die het belezen van zijn moeder overkreeg. Zijn moeder belas alleen mensen, maar hij ging zelf ook dieren belezen. (Van Uffelen 1989, 55) De meer opvallende vrouwelijke belezers waar ook veel verhalen over verzameld zijn belazen wel vee. Dit waren Miet van Dijk (verzameld door Kooijman) en Malle Gijsje (verzameld door Heupers). Volgens De Blécourt (1999a) zijn zij uitzonderingsgevallen die extra opvielen doordat ze van de norm afweken: door ook vee te belezen begaven zij zich in het mannelijke domein. Bovendien waren zij katholiek in protestants gebied. Waarschijnlijk kwam het doordat ze zo van de norm afweken dat ze ook regelmatig van hekserij werden verdacht. Er werd van hen verteld dat ze zowel mensen konden genezen als ziek maken (betoveren). Volgens De Blécourt (1999a) waren in katholieke streken meer vrouwelijke belezers en waren de vrouwelijke belezers in protestantse gebieden vaker katholiek. Volgens hem werden vrouwelijke genezeressen in katholieke gebieden misschien meer geaccepteerd doordat het katholicisme ook vele vrouwelijke heiligen kent die genezen. De vrouwelijke belezers op het katholieke platteland onderscheidden zich van hun protestantse tegenhangers doordat ze vaker vee belazen en ook doordat ze tot ver in de twintigste eeuw actief zijn gebleven, terwijl de berichtgeving over protestantse genezeressen stopt rond 1900. De behandeling Het geloof speelt een belangrijke rol bij het belezen, voornamelijk het katholieke ritueel. Het belezen gebeurt bijna altijd met een gebed en enkele belezers bidden zelfs de gehele katholieke geloofsbelijdenis, gevolgd door het Onze Vader en een Weesgegroetje en herhalen dat drie keer. Daarbij worden vaak kruistekens gemaakt bij de plek van de aandoening. In de verhalen wordt verder af en toe vermeld dat de ware manier uit de bijbel komt of dat het belezen is doorgegeven vanaf de apostelen. De belezers zelf benadrukken vaak dat alleen God kan genezen en zij zelf niet. God verhoort alleen hun gebed. Regelmatig wordt gezegd dat je er in moet geloven, omdat het anders niet werkt. Er zijn er echter ook enkelen die menen dat geloven niet uitmaakt en dat de kracht in het gebedje zelf zit. De meeste belezers worden als het ter sprake komt omschreven als goede christenen, maar er zitten er ook een paar tussen die vaak dronken zijn, vloeken bij het belezen of zelfs een duivelspact hebben. Daarnaast wordt een aantal vrouwelijke belezers ervan beschuldigd heks te zijn. Hoewel het geloof dus meestal een belangrijke rol speelt, hoeft het niet noodzakelijk te zijn voor de krachten van een belezer. Het belezen gaat gemiddeld genomen als volgt: hoofddeksels moeten vaak af en bij een dier knielt de belezer er vaak naast. De belezer strijkt meestal eerst over het zieke deel. Vaak met zijn handen, maar soms ook met een kluitje aarde of gras en soms in de vorm van een kruis. Daarbij prevelt hij een voor omstanders over het algemeen onverstaanbaar gebed, dat meestal geheim moest blijven. Bij het belezen worden vaak ook enige kruisen geslagen. (Dit doen overigens ook enkele protestantse belezers.) Een verhaal dat wel een duidelijk voorbeeld geeft van hoe het belezen kan gaan is het volgende van een vrouwelijke belezer uit Gendt (Gelderland): Vrouw Brouwer zei tegen mij [= verzamelaar Dinnissen] dat ze dat [belezen] zelf ook kon. Dat had ze overgenomen van Nijenhuis uit Angeren. En dat gebeurt zo. Eerst een gewoon groot kruis maken. Dan op de plek waar de pijn, verstuiking, enz. is, drie keer een klein kruisje maken met de duim en bidden: bij het eerste kruisje: “Ter ere van God de Vader”, bij het tweede kruisje: “Ter ere van God de Zoon”, bij het derde kruisje: “Ter ere van God de Heilige Geest”. Dan bidden: Heden dezer dagen Waar ik de pijn heb gekregen Bloed sta stil, pijn houd op Wil niet weinen en niet pijnen In de naam des Heren Dan bidden: drie keer “Onze Vader” en drie keer “Weesgegroet”. (Bron: Dinnissen, verhaal 67) Van wat er bekend is van de gebeden van de belezers zijn er vaak verschillende gebedsversjes voor verschillende aandoeningen, al dan niet ingebed in het grotere geheel van algemene kerkelijke gebeden. Enkele belezers zeggen alleen het gebedsversje zonder verdere gebeden of rituelen. Dit is een voorbeeld van een gebedsversje voor brandwonden dat bij verschillende verzamelaars in op elkaar lijkende versies voorkomt: Brand, brand, brand Trek in water en in zand En niet tussen vel een vlees Genees in de naam van God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest (Bron: Dinnissen, verhaal 96) Belezers behandelen zowel mensen als vee en gebruiken daarbij dezelfde gebedsversjes en behandeling voor dezelfde kwalen. Alleen specifieke veeziektes bijvoorbeeld kunnen een eigen gebedsversje hebben. Bij kreupele dieren in en rond Gelderland wordt ter behandeling naast het belezen ook regelmatig de graszode om de hoef heen weggesneden. Deze moet vervolgens op natuurlijke wijze drogen (dus niet naast de open haard) en zodra dit is gebeurd, is het dier weer beter. Sommige belezers hoeven overigens niet bij de patiënt aanwezig te zijn en kunnen ook op afstand belezen. Volgens een aantal verhalen mag je niet eens zelf bij de belezer langs, want dan helpt het niet. Dit belezen op afstand gebeurt vaak doordat de belezer aan de patiënt denkt. Regelmatig wordt bij het belezen op afstand ook wel een ‘leesbriefje’ van de belezer meegegeven dat de patiënt over moet schrijven, of wordt (bij brandwonden) een deels verbrand briefje naar de belezer gebracht die dit briefje dan kan belezen. Voor het belezen van vee op afstand moet de belezer vaak de kleur en soms ook de leeftijd van het dier weten en sommige belezers kunnen ook belezen door de telefoon. Volgens Willem de Blécourt (1999a) was dit vooral voor vrouwen een oplossing om er bijvoorbeeld niet midden in de nacht op uit te hoeven. De verplichting van een belezer is namelijk dat hij altijd moet helpen. Sommige belezers maakten gebruik van vormen van belezen die enigszins afweken van de standaard behandeling. Een ‘alternatieve’ belezingsvorm is bijvoorbeeld het belezen met behulp van een ei van Witte Donderdag. Soms wordt bij het belezen de ziekte of pijn overgegeven aan een boom of een (huis)dier. Één belezer uit Friesland hoeft zelfs niet te bidden, hij zegt meestal gebiedend dat het op moet houden en dan doet het dat ook. Toch wordt het in de verhalen nog steeds belezen genoemd. Het belezen van wratten gaat meestal ook anders in zijn werk dan het gewone belezen: deze moeten vaak alleen worden geteld. Genezen of niet In het overgrote deel van de verhalen wordt gezegd dat het belezen direct hielp. De pijn verdween en het bloeden hield op. Bij kreupele dieren of wratten duurt het regelmatig iets langer voordat het belezen effect heeft, een paar dagen of zelfs een paar weken. Voor aandoeningen als huiduitslag waren soms meerdere behandelingen nodig (al dan niet op afstand). Regelmatig wordt ook gezegd dat de tijd om te genezen van een kwaal even lang is als de tijd dat je er al last van had vóór het belezen werd. Als je bijvoorbeeld je enkel verstuikt en je ziet na een half uur een belezer, duurt het ook nog een half uur na het belezen tot de pijn weg is. Veel verzamelaars zijn echter ook sceptici tegengekomen die minder vertrouwen hebben in het belezen. Sommige vertellers zeggen dat het vaak mislukt of dat ze wel beter werden, maar zich later toch afvroegen of dit wel door het belezen kwam. Over mislukte belezingen wordt soms ook gezegd dat het komt doordat er wat anders mis was (met een dier meestal) dan aanvankelijk werd gedacht en gewoon het verkeerde is belezen. Daarnaast kan het belezen ook mislukken doordat mensen het geheime gebed horen of doordat mensen er niet in geloven. Andere talenten Sommige belezers kunnen meer dan belezen alleen. Zoals gezegd kunnen katholieke geestelijken ook bezetenheid en toverij belezen, als een soort tegentoverij. Enkele vrouwelijke belezers worden daarnaast ook als heks gezien en kunnen mensen of vee ziek maken of betoveren. Een aantal belezers heeft de macht om dieren te laten doen wat ze willen of ze kunnen mensen en dieren ‘vastzetten’ (stil laten staan). Belezers die hun kracht hebben gekregen doordat ze met de helm op zijn geboren, zijn daarbij vaak ook helderziend of er wordt van hen verteld dat ze niet door kogels kunnen worden geraakt. Die laatste twee eigenschappen zijn tamelijk gebruikelijk voor zogenaamde 'helmdragers' en ze onderstrepen in voorkomende gevallen de magische capaciteiten van de belezer. De medische markt In verschillende verhalen wordt de patiënt, nadat de belezer bijvoorbeeld de pijn heeft weggenomen, doorgestuurd naar een arts voor verdere behandeling (zoals het zetten van gebroken ledematen of het hechten van wonden). Het gebeurt echter ook wel eens andersom, dat de dokter niet kan helpen en dat mensen daarom naar de belezer toekomen. Het belezen past hiermee in het begrip ‘medische markt’ dat De Blécourt en Gijswijt-Hofstra (1993) in hun artikelen behandelen. Dit wil zeggen dat je met een bepaalde aandoening naar een genezer gaat die hierin gespecialiseerd is. Voor de kleine, acute kwalen gingen mensen vaak naar een belezer. Een reden om bij een belezer langs te gaan met kleine kwalen in plaats van de dokter, was volgens Van Haver bijvoorbeeld het feit dat de belezer gratis werkte en de dokter niet. Verder woonden belezers vaak dichterbij. Volgens de Blécourt (1999b, 1991, 1990) sloot de behandeling van een belezer daarnaast beter aan bij de belevingswereld van de mensen en hun idee van ziekte en gezondheid. Dit komt bijvoorbeeld naar voren in het feit dat dieren en mensen dezelfde behandeling kregen voor dezelfde kwaal. De behandelingen van een arts werden volgens De Blécourt bovendien vaak als risicovol beschouwd omdat deze opereerde en mogelijk giftige medicijnen voorschreef. De belezer bad daarentegen alleen voor zijn patiënten. Een aantal belezers had ook hun eigen niche binnen de medische markt van het belezen. Dit kwam wellicht doordat er vaak meerdere belezers waren per dorp of regio. Zij waren gespecialiseerd in bepaalde aandoeningen, zoals bloedstelpen of brandwonden. Zoals deze belezer uit Soest: “Jan Visser wier d’r altied bie gehaald als iemand zich had verbraand. Hie was meroakels best in ’t belezen van braand.” (Heupers, verhaal 37). Of een belezer uit Loo (Gelderland): “Men kon niet voor alle ziekten bij hem aankloppen. Hij besprak hoofdzakelijk wratten, hoofdpijn, bloedneuzen, kiespijn en verstuikingen aan de knie, de enkel en de teen.” (Goossen 2011, 18). Enkele belezers behandelden alleen vee, of zelfs alleen paarden. Volgens De Blécourt (1999a) specialiseerden mannelijke genezers zich vaak op een kwaal en vrouwelijke genezers op kinderen. De gave De gave van het belezen kon op verschillende manieren worden verkregen. Het meest gebruikelijke was dat de kracht om te belezen werd doorgegeven van vader op zoon en van moeder op dochter. Sommige vertellers noemen hierbij dat de kracht al generaties lang in een familie wordt doorgegeven. De nieuwe belezer moet daarbij de gebedsversjes leren en de juiste manier van handelen. Als er echter geen kinderen zijn of als deze de gave niet willen, kan het ook worden doorgegeven aan anderen. Één persoon kan de kracht maar overnemen. Als de belezer zijn gave heeft doorgegeven kan hij zelf niet meer belezen: dan is hij de kracht kwijt. In een aantal verhalen uit het midden van het land wordt daarbij ook vermeld dat een belezer niet kan sterven voordat hij zijn kracht heeft doorgegeven. De nieuwe belezer moet daarna deze gave gebruiken. Af en toe wordt verteld dat als hij dit weigert hij zelf ziek wordt of zijn vee sterft totdat hij het belezen weer oppakt. Daarnaast zijn er ook andere manieren om de gave van het belezen te krijgen waarbij de belezer zelf niets te kiezen heeft. Als iemand bijvoorbeeld wordt geboren als zevende zoon of veertiende dochter zou hij of zij de kracht van het belezen automatisch bezitten. Dit wordt voornamelijk vermeld in Zuid-Holland en Utrecht. De zevende zoon van een zevende zoon of een eenentwintigste zoon is zelfs nog krachtiger. Mensen die met de helm op zijn geboren en zondagskinderen zouden de gave van het belezen eveneens hebben. In Friesland woonde daarnaast een belezer die zijn gave had verkregen door een pact met de duivel en een man in Drenthe had de gave gekregen van een pater als dank voor een bewezen dienst. De kracht wordt meestal van persoon op persoon doorgegeven, maar bij veel belezers lijkt de kracht ook in de gebeden te zitten. Bij een deel van de belezers mogen anderen de gebeden wel eens horen, want mensen die de kracht niet hebben kunnen er toch niets mee. Voor de meeste belezers is geheimhouding van de gebeden echter zeer belangrijk. Een aantal mensen vertelt dat je er zelfs niet nieuwsgierig naar mag zijn. De belezer zou zijn kracht verliezen als de gebeden bekend werden en moest ze daarom altijd onverstaanbaar mompelen, zoals ook bij het verhaal hierboven. In Groningen en Drenthe wordt zelfs verteld dat het belezen niet werkt als er anderen bij aanwezig zijn. Een man vertelt dat hij als kind erg nieuwsgierig was en toch stiekem ging kijken bij de belezer toen deze een schaap van zijn vader belas. Het schaap stierf vervolgens en de jongen werd bestraft. (WEV0004003) Een andere regel, naast de geheimhouding, is dat de belezer geen geld mag vragen voor zijn diensten. Volgens de verhalen is het belezen een gave van God en werkt het niet meer als de belezer daar geld voor krijgt. In sommige verhalen raakt hij dan zelfs zijn gave kwijt. Een aparte regel daarbij is dat de belezer in verschillende streken zelfs niet mag worden bedankt. Voor een geslaagde genezing is het soms echter wel noodzakelijk om wat geld voor de armen te geven in de kerk. De belezer later nog eens een beloning geven mag soms wel. Daarnaast is het bij sommige belezers van belang dat de patiënt gelooft (waarin wordt niet altijd gespecificeerd, maar meestal is dit geloof in God of geloof in het belezen zelf). Dit is niet zo verwonderlijk, aangezien er meestal genezen wordt met een gebed. Volgens Marijke Gijswijt-Hofstra (1991) werd (en wordt) ziekte soms gezien als een gave of straf van God. In deze context is het dan logisch dat genezing kan worden verkregen door gebed. En dit gebed werkt alleen als je gelooft. Daarnaast zijn er ook praktische redenen: geloof in genezing heeft bijvoorbeeld een grote (psychologische) invloed op het genezingsproces. Verder kan een gebrek aan (voldoende) geloof als verklaring dienen als een patiënt niet geneest. Onttovering, rationalisering, medicalisering en secularisatie Tegenwoordig zijn er nog steeds genezers die mensen behandelen met gebed, maar zoals bij het belezen gebeurt het toch meestal niet meer. Vroeger waren er vaak meerdere belezers per dorp of regio en genazen ze alleen pijn, kleine kwalen en vee. Waar belezers heel lokaal en individueel werkten zijn de diensten van huidige gebedsgenezers vaak vrij massaal en trekken ze mensen aan uit een veel groter gebied. Een overeenkomst is wel dat in beide gevallen de belezer of gebedsgenezer zegt dat God geneest en zij zelf niet. Daarnaast worden in de recentere verhalen over het strijken bijvoorbeeld geen gebeden meer gebruikt. Er zijn wel vele verschillende vormen van geneeswijzen en genezers te vinden die overeenkomsten vertonen met het belezen, maar echte dorpsgenezers die ook dieren behandelen lijken tegenwoordig nauwelijks meer voor te komen. In een deel van de verhalen uit de jaren ’60, ’70 en ’80 van de twintigste eeuw lijkt het belezen al wat af te nemen. Een groot deel van de mensen vertelt nog wel vanuit eigen ervaring, maar er is ook al een groep die zegt dat het vooral vroeger gebeurde: “Vroeger waren er meer minsen in Soest die bovennatuurlijke gaven hadden dan ’s teugenswoordig. Er waren er zelfs veul in die doagen die belezen konden.” (Heupers, verhaal 37). Hier lijkt het belezen samen te gaan met een algemeen geloof in magie en het bovennatuurlijke. Het geloof in magie lijkt volgens de onderzoeker Ton Dekker al af te nemen in de verhalen na 1920. Dat het geloof in het belezen lijkt af te nemen blijkt ook uit een opmerking van de verzamelaar Dinnissen bij een van zijn verhalen: “Telkens als ik bij mijn onderzoekingen even het bespreken aanraakte, kwam de naam van Stève Geveling voor den dag. Dat was, zoals reeds vermeld, de grootvader van de verteller. Deze Stève Geveling was vroeger een beroemdheid in het bespreken. Zijn zoon Willem had de kracht overgenomen, maar heeft nooit de hoogte bereikt van zijn vader. Men merkte nu en dan op, dat Jan Geveling “ok nog wel wa kos". Hij had de macht overgekregen. Maar zijn roem was toch niet zo groot meer.” (Dinnissen, p. 25, bij verhaal 73.) Het geloof in de kracht lijkt hier af te nemen met de generaties. Deze afname in het belezen zou verklaard kunnen worden aan de hand van theorieën over rationalisering en medicalisering. Deze zeggen dat de (medische) wetenschap vanaf het midden van de negentiende eeuw steeds belangrijker is geworden en dat mensen daardoor ook steeds meer op een wetenschappelijke manier naar ziekte en gezondheid zijn gaan kijken. Volgens Willem de Blécourt (1999a) klopt het echter niet dat de irreguliere geneeswijzen daardoor minder belangrijk zijn geworden. Mensen gingen en gaan nog steeds naar irreguliere of alternatieve genezers en de medische markt is nog steeds breed geschakeerd. De irreguliere behandelingen zijn vaak minder ingrijpend dan die van een arts, net als bij het belezen. Deze behandelingen zijn vaak psychologisch getint of bestaan bijvoorbeeld uit een massage of een dieet. Tegenwoordige irreguliere geneeswijzen beroepen zich echter vaker op de levensenergie en de zelfgenezende kracht van het lichaam dan op God. Volgens historicus Marijke Gijswijt-Hofstra (1991, 1993) was religie heel lang de belangrijkste context voor de betekenisgeving van ziekte en genezing. Volgens haar gaan mensen tegenwoordig veel vaker naar reguliere artsen, maar geloven mensen nu ook meer in de ‘magische handelingen’ van een arts. Volgens socioloog Meerten ten Borg heeft de geneeskunde zelfs een deel van de functie van de kerk overgenomen. Waar het heil vroeger in de religie werd gezocht, zoekt men dit tegenwoordig in de geneeskunde. De geneeskunde wordt hiermee tot zingeving, goed en kwaad worden gezond en ongezond. Artsen geven, net als bij een religie, adviezen over de beste manier van leven en geven mensen hoop. Geloof en ziekte en genezing zijn dus altijd met elkaar verbonden geweest. Vroeger kreeg de ziekte haar betekenis vanuit het geloof en kon daarmee ook, dankzij het geloof in de kracht van het christelijke gebed, genezen worden. Tegenwoordig is juist een deel van het geloof en de zingeving gemedicaliseerd en krijgt het geloof betekenis vanuit de medische wetenschap.

Literatuur

Primaire literatuur Woordenboek der Nederlandsche Taal. Tweede deel / Eerste stuk, (’s-Gravenhage en Leiden 1898). Woordenboek der Friese taal. Deel 11 (Leeuwarden 1994). Brieven uit het Archief van het Meertens Instituut: 67:47 Manuscripten van volksverhalen opgetekend door Dinnissen, M. Met correspondentie. 1962-1975. Aldaar brieven van 1965 tot 1967. Verhalen met het typenummer TM 3102 uit de verhalenbank: Collectie Ampt (Archief Meertens Instituut) Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut) Collectie Boekenoogen (Archief Meertens Instituut) Corpus Jaarsma (Archief Meertens Instituut) Collectie Kusters (Archief Meertens Instituut) Collectie Wever (Archief Meertens Instituut) Typoscripten van volksverhalen, opgetekend door A. van Oirschot. 1966-1969. (Archief Meertens Instituut) Verhalen opgetekend door R. Koman. M.H. Dinnissen, Volksverhalen uit Gendt (Amsterdam 1993) Ed. A.J. Dekker en J.J.Schell (Nederlandse volksverhalen, deel 3). Th.J.G. Goossen, ‘Over bespreken en bestrijken in de Liemers’ in: Driepas. Verenigingsblad van de historische kring Duiven-Groessen-Loo 28-2 (2011) 18-19. E. Heupers, Volksverhalen uit Gooi- en Eemland en van de westelijke Veluwe (Amsterdam 1979) Ed. A.J. Dekker en J.J. Voskuil (Nederlandse volksverhalen, deel 1,1). H. Kooijman, Volksverhalen uit het grensgebied van Zuid-Holland, Utrecht, Gelderland en Noord-Brabant (Amsterdam 1988) Ed. A.J. Dekker en J.J. Schell (Nederlandse volksverhalen, deel 2). J.R.W. en M. Sinninghe, Zeeuwsch sagenboek (Zutphen 1933). Johan van Uffelen, Helers en heiligen. Volksgenezers en wonderdoeners in Brabant (Hilversum 1989). Secundaire literatuur Willem de Blécourt, ‘Bezetters en andere genezers; een bijdrage tot de geschiedenis van de gezondheidszorg in Drenthe’ In: Nieuwe Drentsche volksalmanak 107 (1990) 46-65. Willem de Blécourt, ‘Het Staphorster boertje. De geneeskundige praktijk van Peter Stegeman (1840-1922)’ in: Volkskundig bulletin 17 (1991) 2, 171-194. Willem de Blécourt, Het amazonenleger. Irreguliere genezeressen in Nederland 1850-1930 (Amsterdam 1999a). Willem de Blécourt, ‘Illegale genezers en neppatiënten. Over de aantrekkingskracht van onorthodoxe vormen van geneeskunde rond 1900’ in: Tijdschrift voor sociale geschiedenis 25 (1999b) 4, 425-442. M. ter Borg, S. van der Geest en J. Janssen, Op zoek naar hoop. Over genezing, magie en religie (Katholiek Studiecentrum voor Geestelijke Volksgezondheid) (Nijmegen 1997). Ton Dekker, ‘Heksen en tovenaars in twintigste eeuwse sagen’ in: M. Gijswijt-Hofstra en W. Frijhoff red., Nederland betoverd. Toverij en hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw (Amsterdam 1987) 242-255. Willem Frijhoff, ‘Beeldvorming over toverij in oostelijk Gelderland, zestiende tot twintigste eeuw’ in: M. Gijswijt-Hofstra en W. Frijhoff red., Nederland betoverd. Toverij en hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw (Amsterdam 1987) 232-241. Jozef van Haver, Nederlandse incantatieliteratuur. Een gecommentarieerd compendium van Nederlandse bezweringsformules (Gent 1964). Marijke Gijswijt-Hofstra, ‘Geloven in genezen. Beschouwingen over recent onderzoek’ in: Volkskundig bulletin 17 (1991) 2, 118-142. Marijke Gijswijt-Hofstra, ‘Inleiding’ in: W. de Blécourt, W. Frijhoff en M. Gijswijt-Hofstra red., Grenzen van genezing. Gezondheid ziekte en genezing in Nederland, zestiende tot begin twintigste eeuw (Hilversum 1993) 9-16. Marijke Gijswijt-Hofstra, ‘Inleiding’ in: M. Gijswijt-Hofstra red., Op zoek naar genezing. Medische geschiedenis van Nederland vanaf de zestiende eeuw (Amsterdam 1995) 7-9.