Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Nachtmerrie berijdt paard

Een sage (),

Onderwerp

TM 3108 - Nachtmerrie berijdt paard    TM 3108 - Nachtmerrie berijdt paard   

Tekst

Tegenwoordig kennen wij de nachtmerrie als een psychologisch verschijnsel; een nare droom waarvan we gillend of zwetend wakker kunnen worden. Het begrip nachtmerrie heeft echter een historie die in elk geval teruggaat tot aan de Griekse oudheid. Het Oudgriekse woord ephialtes betekent nachtmerrie, maar de oorspronkelijke betekenis is ‘[ergens] bovenop springen’. Een synoniem was pnigalion, dat wurger betekent. (Stewart 2002, 285) Het Latijnse begrip incubus lijkt hier een vertaling van (letterlijk: boven op gelegen. Stewart, 2002, 286); hij is een demon in mannelijke vorm die ’s nachts seks heeft met vrouwen. Het zaad dat hij hiervoor nodig heeft wordt van mannen gestolen door de demon in vrouwelijke vorm: de succubus (uit het Latijn succubare: onderliggen) (Robbins 1959, 254). In het vijftiende-eeuwse handboek voor de vervolging van tovenaars en toveressen, ‘De Heksenhamer,’ wordt de succubus gepresenteerd als een fenomeen dat ook vrouwen kan treffen (Malleus Maleficarum 2014 [1486],136). Dit element is in 19de- en 20ste-eeuwse volksverhalen terug te vinden. Daarin gaat de nachtmerrie ’s nachts op de borst van het (menselijke) slachtoffer zitten. In Duitstalige gebieden bestaat er een vergelijkbaar wezen: de alp. Die gaat eveneens ’s nachts op de borst van zijn slachtoffer zitten. Alptraum betekent dan ook nachtmerrie in het Duits. Een alp, alv(e) of elf is een kwaadaardig wezen, dat net als de incubus gemeenschap kan hebben met zijn slachtoffer (Robbins, 1959, 254). In de film Borgman (2013) van Alex van Warmerdam lijkt deze alp of nachtmerrie ook voor te komen; hier gaat een man ’s nachts op de borst van een vrouw zitten. Dit leidt tot benauwdheid en nare dromen bij de vrouw. Soms zijn deze dromen seksueel getint. Het drukkende, benauwde gevoel dat gepaard gaat met deze nachtmerrie en ook voorkomt in de Nederlandse volksverhalen, kennen wij tegenwoordig onder de naam sleep paralysis; een aandoening waarbij men in de REM-slaap wel bij bewustzijn is, maar zich niet kan bewegen (Davies 2003, 181-182). Dit lemma gaat over de nachtmerrie bij paarden, maar dit fenomeen is niet los te zien van het verschijnsel van de nachtmerrie die bij mensen op de borst ging zitten.
Het woord ‘nachtmerrie’ doet een link met paarden vermoeden. In het etymologisch woordenboek staat bij ‘nachtmerrie’ dat het een Middelnederlands woord is. Het tweede lid van het woord, ‘merrie’ heeft niets te maken met een vrouwelijk paard, maar is een verbastering van het Middelnederlandse mare. Daarom komt in dialecten ook nog de vorm ‘nachtmaar’ voor. Dit lijkt op het Oudhoogduits Mara en het nieuwe Hoogduitse Mahr. In het Oudengels was een mare een nachtelijke kwelgeest (in het Nieuwengels nightmare). Men kan het vergelijken met het Middelhoogduitse Nachtmar en met het Oudierse morrîgain (de koningin van de demonen) (De Vries/ De Tollenaere 1991, 258). Over het woord ‘merrie’ zegt het woordenboek het volgende: volgens het etymologisch woordenboek is het is een Middelnederlands woord uit het vierde kwart van de 13de eeuw. Het is vergelijkbaar het met Oudsaksische en Oudhoogduitse meriha (Mähre in het Nieuwhoogduits), merrie in het Oudfries, het Oudengelse miere (mare in het Nieuwengels). In het Oudnederlands werd merr gebruikt. In het Oudhoogduits Marah, het Oudengelse mearh en het Oudnederlandse marr voor paard. Het lemma eindigt met de opmerking dat het 2de lid van nachtmerrie een geheel ander woord is, zoals hiervoor al is gesteld (De Vries/ De Tollenaere 1991, 246). Het Franse cauchemar doet een link vermoeden, (Robbins 1959, 340) maar er is in het Frans geen vertaling van merrie (jument) die lijkt op het hiervoor besproken merrie, mare of Mähre. Het Duitse Nachtmahr lijkt nog het meeste op de oorsprong van het woord nachtmerrie, nachtmare. De Mahr of mare in het Nederlands, is een kwelgeest, die mensen of dieren ’s nachts lastig valt. Dat de nachtmerrie iets met een (vrouwelijk) paard te maken zou hebben, is dus een vergissing op basis van klankovereenkomst in bepaalde talen.
De nachtmerrie gaat terug op twee oudere begrippen, die vaak door elkaar heen worden gebruikt. Aan de ene kant is er de al besproken incubus/succubus; boven- of onderop liggen verwijst naar de positie tijdens de seks. De meer voor de hand liggende vrouwelijke vorm succuba (of vervoegingen hiervan) bestaat wel, maar wordt minder vaak gebruikt (Zie FAUST60/ Baten 1592, 51v) in de verhalenbank); dit omdat demonen in de basis geslachtsloos zijn. Het Latijnse incubo (een onzijdig woord) wordt vertaald als nachtmerrie. (Robbins 1959, 254)
Aan de andere kant is er de mare. De mare en de incubus/succubus lijken hetzelfde te zijn, maar er zijn subtiele verschillen. Bij de incubus/succubus ligt een sterke nadruk op de seksuele daad. Bij de mare is dit minder, daar ligt de nadruk op het zaaien van angst. Toch kunnen deze zaken in elkaar overlopen. Tijdens de toverijvervolgingen (Blécourt 1992, 331) geven vervolgde vrouwen vaak aan dat seks met de incubus (duivel) alles behalve prettig is: zijn lid is of te groot, of van ijzer, of zijn zaad is ijskoud. Ze kunnen zich vaak niet tegen hem verzetten, maar soms willen ze ook niet van hun demonische minnaar af (Robbins 1959; 258, 466). De nadruk op seksualiteit kan door twee zaken komen. Aan de ene kant kan het komen doordat de ondervrager er gericht naar vraagt. Aan de andere kant kan het komen door seksuele verdringing ten gevolge van het celibaat: nonnen worden bovenmatig veel door incubi bezocht (Robbins 1959; 256, 357, 463)
De mare is een demon die ’s nachts op de borst van mensen komt zitten en daardoor benauwdheid veroorzaakt. In het op de borst komen zitten kan men een seksuele lading zien. Een vroege melding van de nachtmerrie bij paarden stamt uit Engeland in 1646. Thomas Browne suggereerde dat men stenen in de stal moest ophangen om de paarden te beschermen tegen nachtmerries (Robbins 1959, 341; Browne 2014[1646], 415). Het schilderij van Henry Fuseli uit 1781 toont de klassieke nachtmerrie op de borst van een vrouw. Daarachter is echter een sinister paardenhoofd te zien.
Ergens is waarschijnlijk verwarring ontstaan doordat mare en merrie op elkaar lijken. In ieder geval zijn de Nederlandse volksverhalen niet eenduidig over wat nu precies een nachtmerrie is. De nachtmerrie kan zelf een paard zijn. Dat zou het element –merrie wel doen vermoeden, maar soms wordt ook gesteld dat de nachtmerrie een vrouw is. De nachtmerrie kan soms ook door een heks worden veroorzaakt bij paarden. In sommige gevallen is het helemaal niet duidelijk wat de nachtmerrie veroorzaakt. De nachtmerrie wordt dan beschreven als een aandoening waar het paard last van heeft. De onduidelijkheid wat nu precies de nachtmerrie is speelt ook elders. Hufford schrijft in zijn boek ‘The terror that comes in the night’ over het fenomeen old hag. De betekenis van hag is eveneens onduidelijk: is het een persoon die mensen ’s nachts lastig komt vallen of is het een nare droom? (Hufford 1982; 7-8, 10-11)
‘Van zeven dochters uit een familie is er één een nachtmerrie. Van zeven jongens uit een familie is er één een weerwolf.’ (‘Fan sawn dochters út ien húshalding is ien in nachtmerje fan sawn jonges út ien húshâlding is ien in wjerwolf.’) Uit dit verhaal van Jaarsma komt duidelijk naar voren dat de nachtmerrie iets specifieks vrouwelijks zou zijn dat tegenover de mannelijke weerwolf wordt neergezet (CJ098833). De dichotomie weerwolf-nachtmerrie komt ook voor in een verhaal uit Noordeloos in Zuid-Holland van Kooijman: “En as iemand z'n hare in de war zate, dan zeje ze: ,Je lijkt wel een weerwolf'. Ok wel een nachtmerrie.” (KOOIJMAN0362) Volgens een Limburgs verhaal maakt men daar een onderscheid tussen heksen en weerwolven. Heksen zijn vrouwelijk, weerwolven mannelijk: ‘Iedere morgen trof de paardenknecht de twee werkpaarden zwaar bezweet en zenuwachtig in de stal aan terwijl het weer in de winter daar geen aanleiding toe gaf. Manen en staartharen waren kunstig in elkaar gevlochten. De knecht, die een echte paardengek was, ergerde zich daaraan. Hij zwoer, dat hij de heks, die hem dat lapte, onschadelijk zou maken. Hij ging op schuur, vóór de stal waken, gewapend met een dikke knuppel. Om middernacht hoorde hij de paarden briesen. Hij zag een grote zwarte kat over een balk bij de stal lopen. Hij sloeg de kat van de balk af, en deze viel met een smak op de schuurdeel, waarbij ze bloedende schrammen opliep. Op slag veranderde de kat in een bekend vrouwspersoon, n.l. een naaister uit Sevenum, een dorp, hier meer als twee uur gaans vandaan. Deze naaister, die hier en daar bij klanten kwam werken, werd al eerder van hekserij verdacht. Ze jammerde en kermde verschrikkelijk. Uit compassie, en om van haar af te komen, bracht de knecht haar met de kar thuis. Over deze naaister ging het praatje, dat ze zo vol met superstitie zat, als een haag vol mussen! Ze heette Marie.’ (ENGELS008)
Het volksverhaaltype TM 3108, met alleen aandacht voor de nachtmerrie die paarden plaagt en afmat, kent verspreid over Nederland een redelijke hoeveelheid varianten, waarvan de meerderheid sage is. De verhalen komen vooralsnog voornamelijk uit Friesland, Utrecht en Zuid-Holland en Kooijman en Jaarsma hebben het grootste gedeelte van de verhalen verzameld. Daarmee komt het grootste gedeelte van de verhalen uit de periode 1962-1979. De meeste verhalen zijn van na 1962. Dit heeft waarschijnlijk niet zozeer iets te maken met de daadwerkelijke verspreiding van dit verhaaltype, maar meer met de verhalenverzamelaars zelf; sommige regio’s zijn vooralsnog weinig bezocht (of nog niet ingevoerd in de volksverhalenbank) en niet elke verzamelaar was in hetzelfde geïnteresseerd (of volgde zijn lijstje en vroeg niet door wanneer de ondervraagde over iets anders begon).
De symptomen van een bezoek van de nachtmerrie zijn meestal manen die zijn ingevlochten of door de war zijn gemaakt. Dit kan ook betrekking hebben op de staart van het dier. ’s Ochtends is het paard overstuur, bezweet en uitgeput. Dit komt omdat de nachtmerrie de paarden uitput door hen ’s nachts te berijden.
Om de paarden te beschermen tegen de nachtmerrie kan het gezelschap van een geit uitkomst bieden. Waarom wordt niet uitgelegd, maar een ander verhaal kan misschien helpen: een ziek kind knapt sterk op door het drinken van geitenmelk. Dit is zeer tegen de zin van een heks, die juist wil dat het kind ziek blijft (of misschien zelfs dood gaat). Hierom berijdt ze elke nacht de geit. Dit put het dier uit, waardoor het stopt met melk geven. (DYKFRIES2103) Wellicht dat een geit in de stal de aandacht van het paard afleidt? In dat geval is de afleiding niet beperkt tot geiten; een kooi met konijnen is een alternatief.(KOOIJMAN0836)
In Friesland wordt meel op het paard gestrooid; dit kan helpen de nachtmerrie te vangen. (CJ025101) Een kruisje op de buik van het paard helpt ook om de nachtmerrie te weren, alsmede een kruisje boven de stal. Ietwat luguberder is een paardenkop boven de stal, of boven de dijk. (KOOIJMAN0433 en KOOIJMAN0345)
In andere verhalen staat dat de veearts machteloos is tegenover de nachtmerrie (KOOIJMAN0676 en KOOIJMAN0683).
Een beperkt aantal verhalen kent een combinatie van onderwerp TM 3108 met andere onderwerpen. In combinatie met SINSAG 0791 (ontmoeting met mare) zijn er een tweetal verhalen. In de verhalen uit Friesland is te vinden dat van de zeven dochters één de nachtmerrie is. Deze is verplicht nachtelijke tochten te maken om mensen of dieren te plagen. Zij gaat ’s nachts op iemands borst zitten, zodat diegene het benauwd krijgt en zich niet kan draaien. Dit verhaal heeft als eigen verhaaltype TM 3105 (Bij zeven dochters is één de nachtmerrie) (DYKFRIES2222). De combinatie met TM 3101 (Heks maakt kind (dier) ziek) komt weinig voor. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van de heks die de geit berijdt, waardoor het kind geen genezende melk kan drinken. Een combinatie die vooralsnog ook weinig voorkomt is die met SINSAG 0640 (Heksendier verwond, vrouw volgende dag verwond). In een verhaal uit Kessel, Limburg, werden de paarden elke nacht lastig gevallen. Men vermoedt dat dit het werk van een heks was. Na lang bij verschillende stallen gepost te hebben, ziet men bij een stal een zwarte kat. De knecht gooit een riek naar de kat en raakt, waarop deze de stal invlucht. Men durft toen niet naar binnen te gaan, maar treft de volgende dag een naakte vrouw in de stal aan. Het blijkt een heks te zijn die helemaal uit Maashees kwam en naar Kessel is gevlogen. Ze belooft het nooit meer te doen en de boer brengt haar naar Maashees, een reis van twee dagen. (ENGELS103). Gecombineerd met volksgeneeskunde (TM 4302) is er bijvoorbeeld een verhaal uit Langerak in Zuid-Holland over een boom waarvan het duivelskruid zou helpen tegen nachtmerries, bij paarden én bij mensen. Voor de paarden zou je de takjes kruiselings door elkaar in een bosje moeten binden. Als je wat van het kruid in je zak steekt, heb je onderweg ook geen last van blinde belies, een soort boze geesten. Onder die boom waar het duivelskruid groeit, zouden de boze geesten ook met elkaar vergaderen (KOOIJMAN0794). De combinatie met SINSAG 0800 (van Mare bevrijd) is ook zeldzaam. In een verhaal uit Noordeloos wordt verteld dat een kruis op de drempel paarden tegen nachtmerries beschermt (KOOIJMAN0362)
Hoewel de demonologie uit de tijd van ‘De Heksenhamer’ een systematisch, intellectueel geheel vormt, waarbinnen de nachtmerrie/ nachtmare zijn plek heeft, geldt dit niet voor de volksverhalen over de nachtmerries die paarden berijden uit de 19de- en 20ste-eeuw. Zoals gezegd maken deze verhalen niet duidelijk wat de nachtmerrie nu precies is. Voor zover de nachtmerrie als een wezen gezien wordt, is dit altijd vrouwelijk. Doordat mare in nachtmare zo sterk op merrie lijkt is men het waarschijnlijk met paarden gaan associëren. In deze verhalen kunnen nachtmerries, soms in hetzelfde verhaal, paarden én mensen lastig vallen. Het menselijke slachtoffer is meestal een vrouw. Zij kan een Bijbel bij haar bedstee leggen ter bescherming. Deze Bijbelse symboliek is ook te vinden bij de eerder vermelde kruisjes op de buik van een paard of het kruiselings vlechten van takjes.
Het laatste verhaal over nachtmerries bij paarden is verteld in 1979 in Friesland (CJ122913). Dat hierna geen verhalen over nachtmerries bij paarden zijn, kan een aantal oorzaken hebben. De eerste is dat ze er wel zijn, maar nog niet zijn gelinkt aan het onderwerp TM3108. Het kan ook zijn dat er niet meer naar gevraagd is. Aan de andere kant geeft de verteller in veel verhalen uit de jaren ’50 tot ’70 aan dat men vroeger in nachtmerries geloofde. Hijzelf nu niet meer. Het kan zijn dat aan de vertellende kant een zekere mate van rationalisering heeft plaatsgevonden. Op het platteland is de afgelopen jaren veel veranderd; kleine boerenbedrijven maken steeds meer plaats voor grotere. De Waardt (1990,204-208) gaf aan dat in Holland in de loop van de zestiende eeuw sterk rationaliseerde door o.a. goed reken- en wiskundeonderwijs. Boeren werden steeds meer landbouwondernemers die rekening moesten houden met de internationale markt. Holland werd ‘een land van rekenmeesters.’ Dit linkt hij aan de vermindering van de toverijvervolgingen, die in dit gewest al vroeg stopten. De laatste doodstraf was in 1608. (De Waardt 1991, 299). Waarschijnlijk moet deze rationalisering vooral bij de elite gezocht worden; het geloof in hekserij, magie en nachtmerries is tot in de 20ste eeuw in volksverhalen terug te vinden. Deze wel erg langademige rationaliseringsthese is derhalve niet zonder kritiek gebleven: De Blécourt vindt het getuigen van een ‘etno- socio- en hodiecentrische etikettering’ om het verschijnsel toverij te benaderen vanuit het perspectief van rationalisering, door het bijvoorbeeld als achterhaald te benaderen (De Blécourt 1990, 11). Deze visie kan eveneens worden toegepast op het geloof in de nachtmerrie. De ‘rationalisering’ uit de 16de eeuw linken aan de (vermeende) vermindering van het toverijgeloof lijkt ook wat voorbarig; De Waardt geeft zelf al aan dat in de 19de eeuw het toverijgeloof een opleving doormaakte (De Waardt, 1990, 276). Het zou kunnen dat het steeds hogere opleidingsniveau in de agrarische sector (CBS 2011) ervoor zorgt dat de nachtmerrie heeft afgedaan als een verklaring voor vermoeide paarden. Een cynischere verklaring zou kunnen zijn dat het grote aantal veeziektes dat de agrarische sector de afgelopen jaren getroffen heeft (BSE, varkens- en vogelpest en Mond-en-klauwzeer) voor een concretere en vooral urgentere dreiging heeft gezorgd dan een rillend paard met ingevlochten manen. Overigens staat de veearts hier net zo goed machteloos tegenover.

Literatuur

Baten, C., Warachtighe historie van doctor Johannes Faustus (ed. René Blankers) Jasper Troyen (?), Dordrecht 1592, 51v
Blécourt, W. de, ‘Typen van toverij’ in: P. te Boekhorst, P. Burke en W. Frijhoff’ (red.) (Amsterdam 1992) 319-360.
Blécourt, W. de, Termen van toverij. De veranderende betekenis van toverij in Noordoost-Nederland tussen de 16de en 20ste eeuw (Nijmegen 1990)
Browne, T, Pseudodoxia epidemica: the fifth book (Londen 1646), gelezen in: Kevin Killeen, Thomas Browne: 21th century Oxford authors (Oxford 2014)
Davies, O., ‘The nightmare experience, sleep paralysis and witchcraft accusations’, Folklore (2003) 181-203
http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/landbouw/publicaties/artikelen/archief/2011/2011-opleiding-boeren-2010-art.htm
Hufford, D. J., The terror that comes in the night. An experience-centered study of supernatural traditions (Philadelphia 1982)
Mackay, C. S., The Hammer of witches (New York 2009) (vertaald in Engels: F. Institoris en J. Sprenger, Malleus Maleficarum (1486))
Robbins, R. H., The encyclopedia of witchcraft and demonology (Londen 1959),
Stewart, C. ‘Erotic dreams and nightmares from antiquity to the present’, The Journal of the Royal Anthropological Institute (2002) 279-309
Vries, de en J. en F. de Tollenaere, Etymologisch woordenboek (1990)
Waardt, H. de, Toverij en samenleving. Holland 1500-1800 (Den Haag 1991)
Warmerdam, A. van, Borgman (Film, 2013)