Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ALIBABA003 - Geschiedenis van Aly Baba en de veertig roovers

Een sprookje (boek), 1889

Screen Shot Ali Baba ezel.png

Hoofdtekst

GESCHIEDENIS VAN ALY BABA EN DE VEERTIG ROOVERS.
Machtige sultan, in zekere stad in Perzië, aan de grenzen van uw rijk, leefden twee broeders, van welke de een Kassim en de andere Aly Baba heette. Daar hun vader hun zeer weinig vermogen had nagelaten en zlJ het onder elkander verdeeld hadden, zou men denken, dat beider toestand. tamelijk gelijk zijn moest. Het toeval echter wilde het anders.
Kassim huwde een vrouw, die kort na haar huwelijk een welbeklanten winkel, een welvoorzien magazijn en verscheidene landerijen erfde, al hetgeen hem op eens vermogend en tevens tot een der rijkste kooplieden in de geheele stad maakte. Aly daarentegen, die eene arme vrouw gehuwd had, woonde in een armzalig huisje en had geen ander middel van bestaan, dan hetgeen hij verdiende met in een naburig bosch hout te hakken, dat hij op drie ezels, welke zijn eenige rijkdom waren, naar de stad bracht en daar verkocht.
Eens had Aly juist weder zooveel hout geveld als zijne ezels konden dragen, toen hij van verre eene groote stofwolk zag oprijzen, die rechtstreeks de plaats naderde, waar hij zich bevond. Hij sloeg ze aandachtig gade en onderscheidde weldra een troep ruiters, die in goede orde kwamen aanrijden.
Ofschoon men in deze streek nooit van roovers had gehoord, kwam Aly toch op de gedachte, dat deze ruiters wel van dat volkje konden zijn; en zonder er aan te denken, wat er misschien van zijne ezels zou worden, dacht hij alleen aan zijne eigen redding. Hij klom in een boom, waarvan de kroon zeer dicht was en zette zich daarin neder, zoodat hij van zijne schuilplaats alles zien kon, zonder zelf gezien te worden.
De ruiters, die zeer sterk gespierd, goed gekleed en wel gewapend waren, naderden een rots in de nabijheid waar zij van hunne paarden stegen, Aly, die er veertig telde, en hun voorkomen en uitrusting gadesloeg, twijfelde
niet meer aan de juistheid van zijn vermoeden. Hij bedroog zich dan ook geenszins. Het waren inderdaad roovers, die hunne rooverijen in verafgelegene oorden uitoefenden, en hier alleen de plaats hunner bijeenkomst hadden. Wat hij hen hier zag doen, versterkte hem in dit gevoelen.
Ieder ruiter nam toom en zadel van zijn paard af, bond het vast, wierp het een zak met haver over den kop, dien hij achter zich aan het zadel gehad had, en nam zijn reiszak af. De meesten dezer zakken schenen Aly zeer zwaar toe, zoodat hij begreep, dat zij vol goud- en zilvergeld moesten zijn. De kloekste onder de roovers, dien Aly Baba voor hun hoofdman hield, naderde met zijn reiszak bij zich de rots, welke zich dicht bij den grooten boom bevond, waarop hij gevlucht was, en nadat hij zich door eenige struiken den weg had gebaand, sprak hij de woorden : “Sesam, open u!” en wel zóó luid, dat Aly het hoorde. Zoodra de rooverhoofdman deze woorden had uitgesproken, opende zich eene deur, en nadat hij al zijn volk vóór zich had laten binnentreden, volgde hij hen en de deur sloot zich achter den troep.
De roovers bleven langen tijd in de rots en Aly, vreezende, dat een van hen of allen te zamen, op het oogenblik , dat hij zijne plaats verliet, om de vlucht
te nemen, er zou uitkomen, was genoodzaakt in den boom te blijven en geduldig te wachten. Nochtans geraakte hij in verzoeking om af te stijgen, zich van twee paarden meester te maken, het eene te bestijgen en het andere tegelijk met zijne ezels aan den toom mede te voeren, en alzoo de stad te bereiken; de onzekerheid van den uitslag echter deed hem besluiten, aan het zekere boven het onzekere de voorkeur te geven.
Eindelijk opende zich weder de deur en de veertig roovers kwamen buiten. De aanvoerder, die het laatst was binnengegaan, trad er thans het eerst uit en liet de overigen voorbij trekken. Aly hoorde hem thans zeggen: “Sesam, sluit u !” waarop de deur zich weder sloot. leder keerde naar zijn paard terug en zadelde het, bond zijn re1szak op zijn paard vast en zette zich in het zadel. Toen de hoofdman zag, dat zij allen gereed waren, stelde hij zich aan het hoofd en reed met hen denzelfden weg terug, dien zij gekomen waren.

763ste nacht
Aly Baba klom niet terstond uit den boom. “Zij konden,” dacht hij bij zichzelven, “iets vergeten hebben en terugkomende mij betrappen; dan was het met mij gedaan.” Daarom volgde hij hen met zijne oogen, totdat zij uit zijn gezicht waren verdwenen en klom daarna eerst af. Daar hij de woorden had onthouden, door welke de rooverhoofdman de deur geopend en gesloten had, was hij nieuwsgierig of deze woorden, indien hij ze uitsprak, ook dezelfde uitwerking zouden doen. Hij drong
derhalve door het kreupelhout en ontdekte weldra de deur, die daarachter verborgen was ; toen plaatste hij zich ervoor, sprak de woorden: “Sesam, open u” en oogenblikkelijk sprong de deur open.
Hij had verwacht een donker hol te zullen zien; maar hoe verwonderde hij zich, toen hij eene zeer heldere en ruime plaats ontdekte, die door menschenhanden in den vorm van een hoog gewelf was uitgehouwen en dat boven in de rots door eene opening zijn licht ontving. Hij zag allerlei levensmiddelen, balen met rijke koopmansgoederen op hoopen gestapeld, stoffen van zijde en goudlaken, tapijten van groote waarde, verschillende wapenen en bovendien veel goud- en zilvergeld, dat deels in hoopen opgestapeld, deels in kisten of lederen zakken of beurzen hier en daar verspreid lag. Bij het zien van al deze dingen kwam het hem voor, alsof deze grot niet alleen sinds jaren, maar reeds sinds eeuwen, aan roovers tot een schuilplaats gestrekt moest hebben.
Aly bedacht zich niet, welk besluit hij thans zou nemen. Hij trad de grot in en nauwelijks was hij daarbinnen, of de deur sloot zich weder: dat verontrustte hem echter geenszins; hij kende immers het geheim, om haar weder te openen. Hij bekreunde zich niet om het zilvergeld, maar des te meer om het goud, inzonderheid om hetgeen
reeds in zakken was. Hiervan nam hij herhaalde malen zooveel weg als hij kon dragen en toereikend was voor eene ezelsvracht. Hij belaadde zijne lastdieren met zakken vol goud en opdat het niet zichtbaar zou zijn, stapelde hij er hout boven op, zoodat niemand daar iets van kon bemerken. Toen hij gereed was plaatste hij zich voor de deur; en zoodra hij de woorden “Sesam, sluit u” had uitgesproken, sloot zij zich weder; zij had zich namelijk iederen keer, wanneer hij was binnengaan, van zelve gesloten en was telkenreize, wanneer hij was buitengegaan, opengebleven.
Zoodra dit geschied was, spoedde Aly zich naar de stad terug. Te huis gekomen liet hij ziJne ezels op eene kleine binnenplaats en sloot zorgvuldig de deur achter zich toe. Daarop laadde hij het weinige hout af, dat zijn schat bedekte, droeg de zakken in huis en legde ze voor zijne vrouw naast elkander neder.
Zijne vrouw nam de zakken in de hand; en toen zij voelde, dat zij vol geld waren, vermoedde zij, dat haar
man dit had gestolen, zoodat, toen hij ze alle had binnengedragen, zij zich niet kon onthouden te zeggen: “Aly, zoudt gij zoo slecht geweest zijn deze zakken te.....” Aly viel haar in de rede met de woorden:“Bedaard, lieve vrouw, wees onbezorgd; ik ben geen dief; of het moest een diefstal heeten, als men roovers iets ontneemt. Gij zult ophouden, deze kwade gedachte omtrent mij te koesteren, wanneer ik u mijn geluk verhaald heb.” Hij schudde nu de zakken uit, waarvan de inhoud geheel uit blinkende goudstukken bestond, en die te zamen een grooten hoop geld vormden. Hierop vertelde hij aan zijne vrouw zijn wedervaren en beval haar vóór alle dingen de zaak geheim te houden.
Toen de vrouw van hare verbazing bekomen was, verheugde zij zich met haar man over het geluk, dat hun te beurt was gevallen en wilde zij het geld stuk voor stuk natellen. “Lieve vrouw,” zeide Aly tot haar, “gij zijt niet wijs. Wat begint gij? Wanneer zoudt gij met tellen klaar zijn? Ik zal een kuil maken en het geld en het geld daarin begraven; want wij hebben geen tijd te verliezen.” - “Het zou toch niet kwaad zijn,” antwoordde de vrouw, “als wij tenminste wisten, hoeveel er nagenoeg is. Ik zal hier in de buurt even eene kleine maat gaan leenen en het daarmede meten, terwijl gij den kuil graaft.” - “Lieve vrouw,” hernam Aly, “ook dit raad ik u af, maar wilt gij het volstrekt doen, denk er dan aan, dat gij zwijgt.”
Om aan haar verlangen te voldoen, ging de vrouw van Aly naar haar zwager Kassim, die niet ver vandaar woonde. Deze vond zij niet tehuis, daarom wendde zij zich tot zijne vrouw, met verzoek om haar voor eenige oogenblikken eene maat te leenen voor het meten van een partijtje graan. Hare zuster gaf haar de keus tusschen eene groote en eene kleine; zij koos de laatste, welke haar dan ook dadelijk ter hand gesteld werd.

764ste nacht
Kassim's vrouw wist dat Aly arm was; daarom was zij nieuwsgierig, om te weten, welke soort van graan diens vrouw wilde meten, en om dit te ontdekken, had zij op den bodem der maat ongemerkt eenige kleefstof gesmeerd. Aly's vrouw keerde nu naar huis terug, gebruikte de maat tot haar doel en was na den afloop zeer tevreden over de groote hoeveelheid goud, welke in hun bezit was.
Terwijl Aly het geld in den kuil stortte, bracht zijne vrouw de maat terug. “Gij ziet,” zeide zij tot hare zuster, “dat ik uwe maat niet te lang gehouden heb. Ik bedank u wel voor uwe vriendelijkheid.” Nauwelijks had Aly's vrouw haar den rug gekeerd, of hare zuster keek in de maat en was niet weinig verwonderd, toen zij een goudstuk op den bodem zag kleven. “Hoe,” zeide zij, “heeft Aly zoo veel goud, dat hij het bij maten vol meet? En van waar heeft de arme man plotseling dien rijkdom ?”
De tijd tot aan de tehuiskomst van haar man, die aan zijne zaken was, scheen haar eene eeuwigheid toe, zóó ongeduldig was zij, om hem een nieuwtje mede te deelen, waarover hij, naar hare meening, niet minder verbaasd zou zijn dan zij.
Zoodra zij na zijne terugkomst gelegenheid had, zeide zijne vrouw tot hem: “Kassim, gij denkt een rijk man te zijn, maar gij dwaalt. Aly is rijker dan gij; hij telt zijn geld niet, maar hij meet het.”
Kassim verlangde opheldering van dit raadsel. Zij gaf hem die, door te verhalen, op welk eene wijze zij deze ontdekking gedaan had; tevens liet zij hem het goudstuk zien, dat zij op den bodem der maat had gevonden, en dat zoo oud was, dat de naam van den vorst, die er op te lezen stond, haar onbekend was.
In plaats van zich te verheugen in het geluk, dat zijn broeder ten deel was gevallen werd Kassim door wangunst jegens hem aangetast en hij bracht bijna den ganschen nacht slapeloos door. Den volgenden dag ging hij vóór zonsopgang naar hem toe. Daar hij, sinds zijn huwelijk met de rijke weduwe, hem volstrekt niet meer als broeder behandelde en dezen naam bijna scheen vergeten te hebben, sprak hij hem aldus aan: “Aly, gij zijt toch zeer achterhoudend in uwe zaken; gij houdt u arm en behoeftig, en schijnt een bedelaar, en toch meet gij het goud met maten.” - Aly zag hem aan of hij hem volstrekt niet begreep. - “Houd u maar niet zoo dom,” vervolgde Kassim, terwijl hij hem het goudstuk liet zien, dat zijne vrouw hem gegeven had, en vroeg toen: “Hoevele stukken hebt gij van dit soort, dat mijne vrouw in de maat heeft gevonden, die gij gisteren van haar leendet.”
Uit deze woorden bemerkte Aly, dat Kassim en zijne vrouw door het aandringen van zijn gade om het goud te meten reeds hun geheim hadden ontdekt. Maar de fout was nu eenmaal begaan en niet meer te herstellen. Zonder zijn broeder het geringste teeken van verbazing of verdriet te geven, verhaalde hij hem, door welk toeval hij de schuilplaats der roovers ontdekt had, en in welk oord deze zich bevond, en bood hem, indien hij de zaak geheim wilde houden, een aandeel in deze schatten aan. “Dat eisch ik,” antwoordde Kassim op trotschen toon. “Bovendien,” vervolgde hij, “wil ik nauwkeurig weten, waar deze schat ligt, waaraan men de plek kan herkennen en hoe ik er zelf wel zou kunnen komen, indien ik er lust toe had; anders zal ik de zaak bij het gerecht aangeven. Als gij mij dat weigert, dan zult gij niet alleen niets 'meer te genomen, terwijl ik voor mijne aangifte mijn aandeel daarvan zal bekomen.”
Aly gaf, meer uit aangeboren goedaardigheid, dan omdat hij voor de bedreigingen van zijn broeder bevreesd werd, hem volkomen inlichting omtrent al wat hij wenschte, en zelfs omtrent de woorden, waarvan hij zich bedienen moest, om in het hol te komen en er weder uit te gaan.
Kassim begeerde van Aly niets meer te weten. Hij verliet hem met het plan om hem voor te komen. In de hoop van zich van den schat alleen meester te zullen maken, begaf hij zich den volgenden morgen vààr het aanbreken van den dag op weg met tien muilezels, die met groote kisten beladen waren, welke hij zich voornam alle te vullen. Hij sloeg den hem aangeduiden weg in, kwam bij de rots en ontdekte de kenteekenen en den boom, waarop Aly verborgen geweest was. Daarop zocht en vond hij de deur. Nu haastte hij zich de woorden: “Sesam, open u!” uit te spreken. De deur opende zich dadelijk, en na zijn binnentreden sloot zij zich weder. Zijn scherpe blik ontdekte al zeer spoedig in de grot meer rijkdommen dan hij vermoed had en met klimmende verbazing beschouwde hij ieder voorwerp op zichzelf. Als een gierig en schraapzuchtig man, zou hij den ganschen dag hebben doorgebracht, om zich met het zien van deze schatten te verlustigen, zoo hem niet ware ingevallen, dat hij eigenlijk gekomen was, om ze vandaar weg te nemen en op zijne muilezels te laden. Hij nam derhalve zooveel zakken goud als hij dragen kon; doch toen hij aan de deur gekomen was, en die wilde openen, was hij het juiste woord vergeten; in plaats van “sesam” zeide hij: “gerst, open u!” Een onbeschrijfelijke angst overviel hem, toen hij zag, dat de deur zich niet opende; hij noemde verscheidene andere namen van graansoorten, maar de deur was en bleef gesloten.

765ste nacht
Op deze ontrouwe streek van zijn geheugen was Kassim niet voorbereid. Door het groote gevaar, waarin hij zich bevond, geraakte zijn geest nog meer in verwarring, zijn geheugen weigerde hem den dienst en hij kon zich volstrekt het rechte woord niet herinneren. Hij wierp de zakken op den grond, ging met groote stappen de grot op en neder en al de schatten hadden nu voor hem hunne waarde verloren.
De roovers intusschen keerden tegen den middag naar hun hol terug. Toen zij in de nabijheid gekomen waren en de met kisten beladen muilezels van Kassim ontdekten, werden zij hierover zeer ongerust; zij renden er op los en verstrooiden de rustig grazende dieren, die Kassim had vergeten vast te binden. Het was voor de roovers nu van het grootste belang den eigenaar van de muilezels te ontdekken. Terwijl eenigen rondom de rots onderzoek deden, stegen de hoofdman en de overige roovers van hunne paarden en gingen met blanke sabels rechtstreeks op de deur af.
Kassim, die in de grot het hoefgetrappel gehoord had, twijfelde niet meer aan de nabijheid der roovers, maar wel aan zijn behoud. Hij besloot echter nog ééne poging te doen, om aan hunne handen te ontkomen en zich te redden; hij hield zich gereed om naar buiten te snellen zoodra de deur zich zou openen. Nauwelijks hoorde hij het woord “sesam” uitspreken en zag hij de deur opengaan, of hij stormde zoo onstuimig naar buiten, dat hij den rooverhoofdman omver wierp. Maar hij ontsnapte niet aan de andere roovers, die hem oogenblikkelijk het leven benamen.
Hun eerste werk was nu het hol binnen te gaan. Zij vonden nabij de deur de zakken, welke Kassim daar had nedergeworpen, en legden ze weder op hunne vorige plaats, zonder te bemerken, dat er verscheidene ontbraken, namelijk die, welke Aly eerst had weggenomen. Terwijl zij nu over dit voorval met elkander beraadslaagden, begrepen zij niet, hoe Kassim het hol had kunnen binnenkomen. Zij kwamen op de gedachte, dat hij er van boven in kon zijn neergedaald; maar de opening, waardoor het licht inviel, was zoo hoog en de kruin der rots van buiten zoo ontoegankelijk, dat zij dit eenparig voor onmogelijk verklaarden. Dat hij door de deur zou zijn binnengekomen, konden zij niet gelooven, wanneer hij niet het geheim kende, om ze te openen; maar dit bezat, naar zij meenden, niemand buiten hen.
Intusschen, wat er dan ook van de zaak mocht zijn, daar het er hier op aankwam, om hunne gemeenschappelijke schatten in veiligheid te stellen, kwamen zij overeen, om Kassim's lijk te vierendeelen, en de stukken binnen de grot nabij de deur, twee ter linker- en twee ter rechterzijde op te hangen, ten einde een ieder, die de vermetelheid mocht hebben, om eene dergelijke onderneming te wagen, daarvan af te schrikken, terwijl zij zelven het besluit namen, om eerst na verloop van eenigen tijd, naar het hol terug te keeren. Nauwelijks was dit besluit genomen, of zij brachten het ook ten uitvoer, en daar hen verder niets meer terughield, verlieten zij de grot. Nadat zij deze op de gewone wijze gesloten hadden, stegen zij weder te paard en doorkruisten de vlakte in de richting, waar de meest bezochte karavaanwegen liepen, ten einde deze aan te vallen en hun gewonen roof te plegen.
Intusschen verkeerde Kassim's vrouw in groote ongerustheid, toen het donker werd en haar man niet terug kwam. Vol bekommering ging zij naar Aly en zeide tot hem: “Lieve zwager, het zal u, denk ik, niet onbekend zijn, dat uw broeder Kassim naar het bosch gegaan is, en met welk oogmerk. Hij is nog niet terug en toch is het reeds laat in den nacht; ik vrees, dat hem een ongeluk zal zijnoverkomen.”
Aly had, ten gevolge van hun gesprek wel vermoed, dat zijn broeder alleen het hol zou bezoeken en had daarom nagelaten, er denzelfden dag naar toe te gaan, om hem geene aanleiding tot argwaan te geven. Zonder zijne zuster eenig verwijt te doen, dat haar of haren man had kunnen beleedigen, zeide hij tot haar, dat zij er zich niet ongerust over zou maken, daar Kassim het waarschijnlijk raadzaam geoordeeld had, om eerst laat in den nacht naar de stad terug te keeren.
Kassim's vrouw geloofde dit eveneens; zij keerde derhalve weder naar huis terug en wachtte daar tot middernacht. Nu echter nam haar angst en vrees in dubbele mate toe en werd voor haar des te pijnlijker, daar zij gedwongen was te zwijgen, want de reden van hare droefheid moest voor de buren een geheim blijven. Thans gevoelde zij berouw over hare groote nieuwsgierigheid, om in de huiselijke zaken van haar zwager en zijne vrouw te willen indringen, maar het was te laat. Zij bracht den nacht weenend door en bij het aanbreken van den dag, liep zij weder naar haar broeder en meldde hem meer door tranen dan door woorden, de reden van hare komst.

766ste nacht
Aly wachtte niet totdat de ongelukkige hem verzocht, om Kassim op te sporen; hij maakte zich oogenblikkelijk met zijne ezels gereed om zich naar het bosch te begeven, nadat hij haar vooraf had aanbevolen om hare droefheid te matigen. Toen hij in de nabijheid van de rots kwam, verwonderde hij zich over het bloed, dat voor den ingang vergoten was, en hield dit reeds voor een kwaad voorteeken. Het ontzettend schouwspel van het gevierendeeld lijk zijns broeders trof hem dadelijk, toen hij de rots binnentrad. Hij stond evenwel niet lang in beraad omtrent hetgeen hem hier te doen stond. In het hol vond hij het noodige, om het lijk zijns broeders in twee zakken te pakken, die hij op een zijner ezels legde.
De twee andere ezels belaadde hij onverwijld met goud, en bedekte alles met eene laag hout. Zoodra hij gereed was en de deur bevolen had zich te sluiten, nam hij weder zijn weg naar de stad, maar hij was nu zoo voorzichtig, om aan den uitgang van het bosch zoo lang te wachten, dat hij niet vóór het aanbreken van den nacht de stad bereikte. Bij zijne tehuiskomst liet hij alleen de twee met goud beladen ezels zijn huis binnentreden, en nadat hij aan zijne vrouw het afladen had overgelaten, en haar met weinige woorden Kassim's lot had medegedeeld, bracht hij den derden naar zijns broeders vrouw.
Aly klopte aan de deur en deze werd door de slavin Morgiane geopend. Deze Morgiane was slim, handig en trouw; men kon haar gerust bij de moeielijkste aangelegenheden gebruiken, en Aly kende haar als zoodanig. Toen hij dan ook de binnenplaats was opgereden en het hout benevens de pakken van den ezel afgeladen had, nam hij Morgiane ter zijde en zeide tot haar: “Morgiane, het eerste, dat ik thans van u verlang, is stilzwijgendheid; gij zult weldra zien, hoeveel uwe gebiedster en mij daaraan gelegen zijn. In deze twee pakken is het lijk van uw heer gewikkeld; het komt er nu op aan, om het ter aarde te bestellen, alsof hij een natuurlijken dood gestorven was. Laat mij met uwe gebiedster spreken en luister goed naar hetgeen ik u zal zeggen.” Morgiane deelde dit hare meesteres mede, en Aly, die haar op den voet volgde, werd binnengelaten.
“Nu, zwager,” vroeg Kassim's vrouw vol ongeduld, “welk bericht brengt gij omtrent mijn man? Uit uw gelaat lees ik niets geruststellends.” - “Zuster,” antwoordde Aly, “ik kan u niets zeggen, voor dat gij beloofd hebt, mij van het begin tot het einde te zullen aanhooren, zonder mij in de rede te vallen; wapen u intusschen met geduld en lijdzaamheid. Bij hetgeen er is voorgevallen, moet er u zoowel als mij, om uwe rust en uw welzijn, alles aan gelegen zijn, om het diepste stilzwijgen in acht te nemen.” - “Ach,” riep zijne zuster uit, “deze woorden doen mij begrijpen, dat mijn man niet meer in leven is; maar tevens zie ik ook de noodzakelijkheid in van dat stilzwijgen, dat gij van mij vordert. Ik zal mij geweld
aandoen; spreek, ik zal luisteren.”
Aly verhaalde haar nu den ganschen uitslag zijner reis tot aan zijne terugkomst met Kassim's lijk. “Zuster,” eindigde hij, “gij hebt dus groote reden tot droefheid, die des te grooter moet zijn, nu gij geheel iets anders verwacht hadt. Dit ongeluk is intusschen niet meer te verhelpen; maar indien iets in staat is u te troosten, zoo doe ik u het voorstel, om bij u te komen inwonen en het vermogen, dat Allah ons geschonken heeft, te vereenigen, waarbij ik u de verzekering geef van de toestemming mijner vrouw. Staat u mijn voorstel aan, dan verzoek ik u mij uwe schriftelijke toestemming te geven. Vervolgens moeten wij er vóór alle dingen aan denken, om ons te houden alsof mijn broeder zijn natuurlijken dood gestorven was, - eene zaak, waarin gij u, naar ik meen, op uwe slavin Morgiane en mij kunt verlaten.”
Geene betere partij had Kassim's weduwe kunnen kiezen dan die Aly haar voorsloeg. Zij wees dan ook zijn voorstel geenszins van de hand, maar beschouwde het als een zeer verstandigen maatregel. Hoewel met een gebroken hart, schreef zij de gevraagde toestemming en stelde die Aly ter hand.
Nu verliet Aly zijns broeders weduwe, en nadat hij Morgiane had aanbevolen om hare rol goed te spelen, keerde hij met zijn ezel naar huis terug. Morgiane ging dadelijk naar een arts in de buurt. Zij trad diens winkel binnen en verlangde een geneesmiddel, dat bij gevaarlijke ziekten zeer heilzaam is. De arts gaf haar dit en vroeg haar tevens, wie in het huis van haar meester ziek was. - “Ach," antwoordde zij met een diepen zucht, “het is mijn goede heer zelf. Men kan uit zijne ziekte niet wijs worden; hij spreekt niet, hij lust geen eten, kortom, wij maken er ons zeer ongerust over.” Bij deze woorden nam zij het geneesmiddel en ging heen.

767sten nacht
Den volgenden morgen kwam Morgiane weder bij den arts terug en vroeg met tranen in de oogen zekeren drank, dien men aan zieken toedient, welke op sterven liggen. “Helaas,” riep zij vol droefheid uit terwijl de arts haar het gevraagde ter hand stelde, “ik vrees zeer dat dit middel even weinig zal helpen, als het geneesmiddel, dat ik gisteren haalde! Ach, welk een goeden heer verlies ik!”
Daar men ook Aly en diens vrouw den ganschen dag met een bedroefd gelaat Kassim's huis zag in- en uitloopen, verwonderde men zich te minder, toen men des avonds het jammeren en weenen van Aly, van Kassim's vrouw, en hare dienaren hoorde, waaruit men maar al te goed begreep, dat Kassim gestorven was.
Den volgenden morgen bij het krieken van den dag ging Morgiane, dIe een ouden schoenlapper wist te wonen, welke des morgens zijn wInkel vóór de anderen opende, het huis uit en zocht hem op. BIJ den eersten groet en vóór zij nog een woord had gesproken, drukte zIJ hem een goudstuk in de hand. De schoenlapper, die in de gansche stad onder den naam van Mustafa bekend en tevens een man van zeer vroolijken aard en vol snaaksche invallen was, bezag het stuk, en daar hij bemerkte, dat het goud was, zeide hij: “Een mooi handgeld! Wat is er van uw dienst? Ik ben bereid alles te doen wat gij beveelt.” - “Mustafa,” zeide Morgiane tot hem, “neem al uwe gereedschappen, die tot schoenlappen noodig zijn, met u, en kom spoedig met mIJ mede, maar onder voorwaarde, dat ik u, wanneer wij op zekere plek zIJn, moge blinddoeken.” Bij deze woorden maakte Mustafa eenige bezwaren. “Ach,” zeide hij, “dan zal ik zeker iets moeten doen, dat met mijn eer en geweten strijdig is.” - “De hemel beware ons,” antwoordde Morgiane, hem een tweede goudstuk in de hand drukkende; “ik vorder niets van u, wat gij niet met een goed geweten zoudt kunnen doen. Maar kom nu mede, vrees niets.”
Mustafa liet zich door Morgiane geleiden en deze, nadat zij hem op de aangeduide plek een doek voor de oogen gebonden had, leidde hem in het huis van haar overleden heer en nam hem den doek eerst af in de kamer, waar zij het lijk uit de vier stukken had bijeengevoegd. Toen zij den doek van zijn gelaat genomen had, zeide zij tot hem: “Mustafa, ik heb u hier gebracht, opdat gij deze vier stukken aan elkander zoudt naaien. Haast u en, als gij gereed zijt, zal ik u nog een goudstuk geven.”
De schoenmaker was spoedig met zijn werk gereed; hij ontving zijn loon en vertrok even geheimzinnig als hij gekomen was, onder belofte van te zullen zwijgen.
Morgiane had intusschen heet water doen gereedmaken, zoodat Aly, die juist binnentrad, Kassim's lijk kon wasschen, bewierooken en met de gewone plechtigheden in den lijkdoek wikkelen. Kort daarop
bracht men de doodskist, die Aly inmiddels besteld had.
Opdat de mannen, die haar brachten niets zouden bemerken, ontving Morgiane de kist aan de deur en zond hen dadelijk weder heen; vervolgens legde zij, met Aly's hulp, het lijk in zijne laatste planken woning. Toen ging zij naar de moskee met het bericht, dat alles voor de
begrafenis gereed was. De dienaren der moskee, die tot het wasschen der lijken bestemd zijn, boden hun dienst voor deze plechtigheid aan, maar zij zeide, dat dit reeds was geschied.
Nauwelijks was Morgiane te huis gekomen of reeds kwam de iman met de overige dienaren der moskee. Vier buren namen de kist op hunne schouders en droegen haar achter den biddenden man naar het kerkhof. In hare hoedanigheid als slavin van den overledene, volgde
Morgiane den stoet weenend en blootshoofds, terwijl zij een hartroerend geschrei aanhief, zich hevig op de borst sloeg en zich de haren uitrukte. Achter haar ging Aly, door de buren vergezeld, die van tijd tot tijd en op hunne beurt de andere buren aflosten, welke de kist droegen, totdat men eindelijk het kerkhof bereikt had. Kassim's vrouw echter was te huis gebleven; ze gaf zich aan hare
droefheid over en jammerde luid in gemeenschap
met de buurvrouwen, die, volgens het bestaand gebruik,
gedurende de begrafenisplechtigheid, in den rouw der weduwe deelden en de gansche wijk met hare klachten vervulden.
Op deze wijze werd Kassim's treurig uiteinde door zijne betrekkingen verborgen en wel met zulk eene zorg, dat geen mensch in de stad daaromtrent eenigen argwaan koesterde, veel minder er iets van vernam.
Drie of vier dagen na Kassim's dood bracht Aly zijn weinig huisraad benevens zijn geld des nachts over naar het huis van zijns broeders weduwe, om voortaan daar te wonen.
Wat Kassim's winkel betrof: Aly had een zoon, die sinds eenigen tijd zijne leerjaren bij een ander groot koopman had voltooid, welke steeds de beste getuigenissen omtrent zijn gedrag gegeven had. Aan dezen deed hij nu den winkel over, met belofte, dat, indien hij zich bij voortduring wel gedroeg, hij hem voordeelig zou uithuwelijken.

768ste nacht
Onmogelijk kan men zich een denkbeeld maken van de verbazing der roovers, toen zij bij hunne terugkomst in hun hol het lijk van Kassim misten en hunne geldzakken zoo aanmerkelijk verminderd zagen. “Wij zijn ontdekt en verloren,” zeide de hoofdman, “indien wij niet behoedzaam te werk gaan en spoedig maatregelen nemen, om te behouden wat door onze voorgangers en onszelven met zoovele moeite en zorg is bijeenverzameld. Al wat wij uit de schade, die men ons berokkend heeft, kunnen opmaken, is, dat de dief, dien wij betrapten, door tooverkunsten het geheim is te weten gekomen, om de deur te openen, en dat wij gelukkig juist op het oogenblik kwamen, toen hij op het punt was om er uit te gaan. Maar hij was niet de eenige, die er kennis van droeg, nog een ander moet het eveneens weten. Het verdwijnen van zijn lijk en de vermindering van onzen schat zijn de doorslaande bewijzen daarvan. En daar het nu schijnt, dat ten minste twee personen het geheim wisten, moeten wij, nadat wij den eenen hebben gedood, ook den anderen eveneens uit den weg ruimen. Wat zegt gij er van, kameraden, zijt gij van hetzelfde gevoelen?”
Het voorstel van den hoofdman werd door de geheele bende zoo verstandig gevonden, dat zij het allen goedkeurden en het daarover eens werden, dat men vooreerst alle andere ondernemingen moest ter zijde stellen, om zich alleen met deze bezig te houden en niet
moest rusten, voordat men zijn doel bereikt had. “Ik verwachtte inderdaad niets minder van uw moed en uwe dapperheid,” vervolgde de hoofdman; “doch vóór alle dingen moet een van u, die stoutmoedig, geslepen en ondernemend is, zonder wapenen en in de kleeding van een vreemdeling, naar de stad gaan en al zijne behendigheid in het werk stellen, om uit te uit te vorschen, of men daar niet van den zeldzamen dood van dengenen spreekt, dien wij naar verdiensten gestraft hebben; voorts wie hij was en in welk huis hij gewoond heeft. Dit te weten is ons vóór alle dingen van het grootste belang, opdat wij niets doen, waarover wij ooit berouw zouden kunnen hebben, of ons verraden in een land, waar wij sinds zoo langen tijd onbekend geweest zijn en ook om ons eigen belang moeten trachten te blijven. Intusschen, om dengene van u, die zich tot deze zending wil aanbieden, aan te sporen, en te verhinderen, dat hij ons misleidt en ons een verkeerd bericht brengt, vraag ik u, of gij het niet raadzaam acht, dat hij In dat geval met den dood gestraft zal worden?”
Zonder eerst het gevoelen zijner kameraden af te wachten, zeide een der roovers: “Ik onderwerp mij aan deze voorwaarde en stel er eene eer in, om deze zending op mij te nemen en voor het goede doel mijn leven op het spel zetten. Wanneer het mij niet mocht gelukken, dan zult gij ten minste dervinden, dat het miJ noch aan goeden wil noch aan moed voor het welzijn van ons allen heeft ontbroken.”
Deze roover, nadat hij de grootste lofspraken van den hoofdman en zijne metgezelIen ontvangen had, verkleedde zich zoo, dat niemand hem zou gehouden
hebben voor hetgeen hij in werkelijkheid was. Hij vertrok
des nachts en nam zijne maatregelen zoo goed, dat hij juist met het aanbreken van den dageraad in de stad aankwam. Hij ging regelrecht naar het groote plein, waar hij slechts één winkel geopend vond, namelijk dien van Mustafa.
Deze zat op zijn driestal en was reeds met zijn werk bezig. De roover sprak hem aan en wenschte hem goeden morgen; daar hij zijn hoogen ouderdom bemerkte, voegde hij er bij: “Goede vriend, reeds zoo vroeg aan het werk? Hoe is het mogelijk, dat gij nog alles zoo goed kunt zien? Zelfs bij vol daglicht, dunkt mij, moesten uwe oogen niet scherp genoeg meer zijn.” - “Gij schijnt mij niet te kennen,” antwoordde Mustafa. “Hoe oud ik ook reeds ben, mijne oogen zijn toch nog zeer goed; zoo zelfs, dat ik onlangs een doode heb
samengenaaid en wel op eene plaats, waar het niet lichter was dan hier.” - “Een doode,” riep de roover schijnbaar verbaasd, doch inwendig verblijd, dat hij zich juist tot den rechten man gewend had, die misschien in staat was hem de noodige inlichting te geven; “een doode samengenaaid? Gij zult de lijkwa meenen, waarin hij gewikkeld was.” - “Neen, neen,” antwoordde Mustafa, “ik weet zeer goed, wat ik zeg. Maar, daar ik beloofd heb de zaak geheim te zullen houden, kan ik er mij niet verder over uitlaten.”

769ste nacht
De roover behoefde niets meer te weten, om overtuigd te zijn, dat hij den man ontdekt had, om wien hij was afgezonden. Hij haalde daarom een goudstuk te voorschijn, drukte het Mustafa in de hand en zeide tot hem: “Het is volstrekt mijn bedoeling niet, om in uw geheim door te dringen; hoewel ik u verzekeren kan, dat ik het niet verder zou verspreiden, indien gij het mij toevertrouwdet. Het eenige, waarom ik u verzoek, is, dat gij zoo vriendelijk zijt, mij het huis aan te wijzen, of liever zelf mij daarheen te brengen, waar gij het lijk hebt aan elkaar genaaid.” - “AI had ik ook lust, om uw wensch te vervullen,” antwoordde Mustafa, terwijl hij deed alsof hij het goudstuk weder terug wilde geven, “verzeker ik u, dat ik er niet toe in staat zou zijn. De reden daarvan is, dat men met mij tot op zekere plek ging, mij daar blinddoekte, naar het huis leidde en mij vandaar, nadat mijne taak was afgeloopen, op dezelfde wijze naar dezelfde plaats terugvoerde. Gij ziet derhalve, dat het mij onmogelijk is, u dezen dienst te bewijzen.” -
“Niettemin,” begon de roover opnieuw, “zult gij u toch ten naastenbij den weg wel herinneren, dien men u geblinddoekt heeft doen gaan. Kom derhalve, bid ik u, met mij mede; ik zal u op dezelfde plek de
oogen toebinden, dan kunt gij een oogenblik den vorigen stand aannemen en wij zullen te zamen wel op de plaats terecht komen waar gij toen geweest zijt en daar elke moeite zijn loon waard is, geef ik u dit tweede goudstuk. Kom nu en bewijs mij de vriendschap, waarom ik u verzoek.”
Dit tweede geschenk miste zijne uitwerking niet. Mustafa bekeek het een tijd lang stilzwijgend in zijne hand, alsof hij overlegde wat hij doen zou. Eindelijk haalde hij zijne beurs te voorschijn, stak het er in en zeide toen tot den roover: “Ik kan er u niet voor instaan, dat ik den weg zal vinden, dien men mij toenmaals leidde, maar daar gij het nu eenmaal zoo begeert, zal ik al het mogelijke doen, om mij dien te herinneren.”
Tot groote blijdschap van den roover stond Mustafa op, en zonder zijn winkel te sluiten, waarin hij niets bijzonders te verliezen had, bracht hij hem tot aan de plek, waar Morgiane hem had geblinddoekt. Toen hij
daar gekomen was, zeide Mustafa: “Hier bond men mij de oogen toe." De roover, die een doek gereed hield, bond hem dien voor de oogen en vergunde hem eenige oogenblikken tijd om na te denken, daarna nu gingen zij al gissende en overleggende op het doel af. Na eenigen tijd geloopen te hebben, zeide Mustafa: “Mij dunkt, dat ik niet verder gekomen ben dan hier.” En inderdaad bevond hij zich voor Kassim's huis, waar thans Aly woonde. De roover maakte nu met krijt een teeken op de deur en vroeg Mustafa, of hij wist wien dit huis toebehoorde. Deze antwoordde, dat hij in deze wijk niet bekend was en er hem niets van kon zeggen.
Daar de roover zag, dat hij uit Mustafa niets meer krijgen kon, bedankte hij hem voor zijne moeite en nam zijn weg naar het bosch, in de overtuiging, dat hij daar goed zou ontvangen worden.
Vroeg in denzelfden morgen, nadat de roover en Mustafa vertrokken waren, ging Morgiane eene boodschap doen. Terugkeerende, bemerkte zij het teeken, dat de roover op de deur gemaakt had. Zij beschouwde het opmerkzaam. “Wat moet dit beteekenen ?” dacht zij. “Wil iemand mijn heer eenig leed aandoen? Of heeft men het alleen voor
de grap gedaan? Intusschen, wat er ook van zijn moge, het is raadzaam, zich op ieder i;eval te wapenen.” Daarop nam zij een stuk krijt, en daar de deuren van verscheidene huizen in die buurt er bijna evenzoo uitzagen, merkte zij die op dezelfde plaats en ging vervolgens in huis, zonder haar heer of iemand anders er een enkel woord van te zeggen.
De rover vervolgde intusschen zijn weg naar het bosch en kwam vroegtijdig weder bij het overige gezelschap aan. Bij zijne komst deed hij mededeeling van den gelukkigen uitslag zijner zending, terwijl hij inzonderheid het toeval prees, reeds terstond iemand gevonden te hebben, van wien hij de zaken had vernomen waarnaar hij had moeten onderzoek doen. Allen verheugden zich daarover. Toen nam de hoofdman het woord, prees zijn ijver en zeide hierop, zich tot de gansche bende wendende: “Makkers, wij hebben thans geen tijd te verliezen : laat ons gewapend vertrekken, maar zonder dat men dit aan ons bemerkt; wanneer wij dan de een na den ander, om geene verdenking te geven, in de stad zijn gekomen, moet gij, van verscheidene kanten op het groote plein u verzamelen, terwijl ik met onzen makker, die ons zoo even de goede tijding gebracht heeft, het huis zal trachten te vinden en vervolgens de voor ons doel geschikte maatregelen nemen.”

770ste nacht
Het plan van den hoofdman werd met algemeene stemmen aangenomen en allen waren weldra reisvaardig. Zij begaven zich nu bij gedeelten op weg, en daar zij zich altoos op behoorlijken afstand van elkander hielden, kwamen zij onopgemerkt in de stad. De kapitein en zijn metgezel kwamen er het laatst aan. Deze leidde den hoofdman in de straat, waar hij het huis van Aly met krijt geteekend had en toen hij aan de eerste huisdeur kwam, die door Morgiane gemerkt was, zeide hij, dat dit het huis was. Maar toen zij, om geene verdenking te wekken, hun weg vervolgden en de hoofdman bemerkte, dat de volgende deur met hetzelfde teeken op dezelfde plaats voorzien was, maakte hij zijn leidsman daarop opmerkzaam en vroeg hem, of dit of het vorige het rechte was. De roover geraakte in verwarring, en wist niet wat hij zou antwoorden, inzonderheid toen zij zagen, dat de vijf volgende deuren hetzelfde teeken droegen. Hij verzekerde den hoofdman met een eed, dat hij slechts eene enkele deur geteekend had.
“Ik weet niet,” vervolgde hij, “wie de overige op zulk eene misleidende wijze nagemaakt heeft; maar in deze onzekerheid moet ik bekennen, dat ik het rechte huis niet kan onderscheiden.”
De hoofdman, die zijn plan verijdeld zag, begaf zich naar het groote plein, waar hij tot zijn volk zeide, dat ditmaal hunne moeite vergeefsch en hunne gansche reis vruchteloos ondernomen was, terwijl er thans niets anders te doen viel, dan in hunne gewone verblijfplaats, vanwaar zij hunne rooftochten aanvingen, zich weder te verzamelen. Hij zelf zou hen voorgaan.
Toen de roovers zich weder in het bosch hadden verzameld, deelde hun hoofdman hun de reden mede, waarom hij hen had doen terugkeeren. Daarna werd de aanwijzer eenparig des doods schuldig verklaard. Hij zelf verklaarde, dat hij betere voorzorgsmaatregelen had moeten nemen en gaf zich vrijwillig over in de handen van hem, die den post van scherprechter bekleedde.
Daar er de bende zeer veel aan gelegen was, dat de haar gespeelde poets niet ongewroken bleef, trad een andere roover op, die geloofde, dat het hem beter zou gelukken dan den eersten, terwijl hij verzocht, dat deze zaak aan hem mocht worden opgedragen. Het werd hem toegestaan. Hij begaf zich naar de stad, zocht eveneens den schoenmaker Mustafa op en knoopte met hem een gesprek aan. Evenals zijn makker gedaan had, kocht hij Mustafa om, en deze bracht hem weder voor Aly's huis. Hij teekende het terstond op eene minder in 't oog loopende plaats met rood krijt, in de meening, dat hij het hierdoor des te zekerder van de witgeteekende zou kunnen onderscheiden. Kort daarna echter trad Morgiane het huis uit, even als den vorigen dag. Terugkomende, ontging het roode merkteeken haar scherpzienden blik niet. Zij dacht er even zoo over als den vorigen keer, terwijl zij met hetzelfde krijt op de naburige deuren gelijke teekens maakte.
De roover stelde, bij zijne terugkomst in het bosch, den maatregel door hem genomen aan de gansche bende als onfeilbaar voor, zoodat men het geteekende huis thans gemakkelijk kon herkennen. De hoofdman en zijn volk begaven zich derhalve in dezelfde orde en met dezelfde voorzorgen als vroeger naar de stad, om hun plan ten uitvoer te brengen. Bij hunne komst echter aan het huis van Aly ondervonden zij dezelfde zwarigheden als de eerste maal. De hoofdman werd daarover zeer vertoornd en deze rover onderging, als de oorzaak der tweede mislukking, dezelfde straf als zijn voorganger.
De hoofdman, die zijne bende met twee dappere lieden verminderd zag, vreesde eene nog grooter vermindering, wanneer hij voortging met zich, bij het uitvorschen van Aly's huis, steeds op een ander te verlaten. Hun voorbeeld gaf hem de overtuiging, dat zij meer voor stoutmoedige ondernemingen geschikt waren dan voor zulke, waarbij men overleg noodig had. Hij nam derhalve de zaak zelf op zich, ging naar de stad en, vergezeld van Mustafa, die hem denzelfden dienst be- wees als aan de vorige afgezondenen zijner bende, hield hij er zich niet mede op, met een merkteeken aan Aly's huis te maken, maar hij bekeek het nauwkeurig, terwijl hij het niet alleen aan alle kanten opmerkzaam beschouwde, maar er ook herhaalde malen voorbijging, zoo dat hij zich niet meer kon vergissen.

771ste nacht
De rooverhoofdman keerde nu, voldaan over zijne reis en van al wat hij wenschte onderricht, naar het bosch terug. Toen hij de grot, waar de bende hem wachtte, was binnengetreden, sprak hij tot hen: “Makkers, thans kan ons niets beletten, om volkomen wraak te nemen over de schade, die ons is berokkend; want ik ken nu met zekerheid het huis van den strafbare, wien onze wraak moet treffen. Onderweg heb ik op middelen gezonnen, om ze zoo behendig ten uitvoer te brengen, dat niemand van ons toevluchtsoord en nog minder van onzen schat kennis kan krijgen: want dit is het doel, dat wij bij onze onderneming in het oog moeten houden; anders zou zij, in plaats van te baten, tot ons verderf kunnen strekken. Om dit doel te bereiken, heb ik het volgende uitgedacht. Wanneer ik het u zal hebben medegedeeld en een uwer valt een beter middel in, dat hij het ons dan zegge.”
Nu verklaarde hij hun, wat hij van plan was te doen, en toen zij allen hunne goedkeuring hadden gegeven, gelastte hij hun om zich in de omliggende dorpen, vlekken en steden te verdee1en, negentien muilezels te koopen, benevens acht en dertig groote lederen zakken, waarin men gewoon is olie te verzenden, een ervan met olie te vullen, doch de andere zeven en dertig ledig te laten.
Binnen een paar dagen hadden de roovers alles aangekocht. Daar de halzen der ledige zakken voor zijn oogmerk een weinig te eng waren, deed de hoofdman ze iets wijder maken; voorts liet hij in eIken zak een van zijn volk kruipen, met de noodige wapenen bij zich, en opdat zij vrij zouden kunnen ademhalen, had hij in elke eene kleine opening gemaakt. Toen sloot hij ze alle, zoodat de zakken er uitzagen, alsof er olie in was en om de misleiding nog grooter te maken, bevochtigde hij ze van buiten met olie, die hij uit den vollen zak nam.
Nadat dit alles was in orde gebracht en de zeven en dertig roovers, ieder in een zak stekende, benevens de volle oliezak, op de muilezels geladen waren, sloeg de hoofdman als de geleider ervan, op het bepaalde uur den weg naar de stad in en kwam tegen den avond, omstreeks een uur na zonsondergang, aldaar aan. Nauwelijks was hij hier, of hij ging rechtstreeks naar het huis van Aly, met het plan om daar aan te kloppen en den heer des huizes om een nachtverblijf voor hem en zijne muilezels te verzoeken. Het aankloppen was echter niet noodig; want hij vond Aly voor de deur zitten, die, na gegeten te hebben, de avondkoelte genoot. Hij deed terstond zijne muilezels stilhouden, keerde zich
tot Aly en zeide: “Heer, ik kom met de olie, die gij hier ziet, zeer ver van hier, om ze morgen op de markt te verkoopen en daar het reeds laat is, weet ik niet, waar ik een nachtleger zal vinden. Wanneer het u niet te lastig valt, heb dan de goedheid, mij voor dezen nacht in uw huis op te nemen; ik zal u daarvoor zeer dankbaar zijn.”
Hoezeer Aly den man, die thans, tot hem sprak, reeds in het bosch had gezien en hooren spreken, kon hij echter in deze vermomming onmogelijk den hoofdman der veertig roovers herkennen. “Wees welkom,” zeide hij, “en treed binnen.” Bij deze woorden maakte hij plaats, zoodat de gewaande oliekoopman met zijne muilezels kon binnengaan. Tevens riep Aly zijn slaaf en beval hem, om de muilezels, zoodra zij zouden zijn afgeladen, niet alleen onder dak te brengen, maar ze ook hooi en haver te geven. Ook gaf hij zelf aan Morgiane bevel, dat zij spoedig voor den nieuw aangekomen gast een goed avondmaal zou gereedmaken en in eene der kamers een bed voor hem spreiden zou.
Aly deed nog meer, om zijn gast zoo goed mogelijk te ontvangen. Toen hij namelijk zag, dat de rooverkapitein, nadat hij zijne muilezels ontladen en deze in den stal gebracht waren, eene plaats zocht om den nacht in de open lucht door te brengen, vatte hij hem bij de hand, om hem in de zaal te leiden, waarin hij gewoon was zijne bezoekers te ontvangen, zeggende, dat hij niet zou toelaten, dat hij op het binnenplein overnachtte. De rooverkapitein maakte intusschen allerlei verontschuldigingen, zooals hij voorgaf, omdat hij zijn gastheer niet te veel overlast wilde aandoen, maar eigenlijk om bij de uitvoering van zijn plan vrijer spel te hebben, en gaf eerst op Aly's dringend en vriendelijk verzoek toe.

772ste nacht
Aly vergenoegde zich niet met hem, die het op zijn leven toelegde, te herbergen en te onthalen, maar bleef hem zelfs zoo lang gezelschap houden, totdat Morgiane het avondeten opdroeg; hij onderhield zich bij voortduring met hem over allerlei onderwerpen, welke hij geloofde dat hem genoegen konden doen, en liet hem niet alleen vóór dat hij aan het eten ging. “Ik laat u thans vrij,” sprak hij nu; “gij hebt slechts te zeggen, wat gij wilt; alles is in mijn huis tot uw dienst.”
De rooverkapitein stond met Aly te gelijk op en vergezelde hem tot aan de deur. Terwijl nu Aly heenging, om met Morgiane te spreken, ging de hoofdman naar het binnenplein, onder voorwendsel, dat hij eens in den stal wilde zien, of zijne muilezels ook ergens gebrek aan hadden.
Nadat Aly op nieuw Morgiane had aanbevolen, om voor zijn gast zoo goed mogelijk te zorgen en het hem aan niets te laten ontbreken, voegde hij er bij: “Morgiane, ik wilde u nog zeggen, dat ik morgen vroeg vóór zonsopgang naar het bad wil gaan. Zorg derhalve, dat mijn badlinnen in gereedheid is; geef het aan den slaaf Abdallah, en maak mij een goed vleeschnat gereed, dat ik bij mijne terugkomst kan gebruiken.” Toen hij deze bevelen gegeven had, ging hij naar bed.
De rooverkapitein intusschen gaf, uit den stal terugkeerende, zijn volk bevel, wat zij doen moesten. Van den eersten zak tot den laatsten gaande, zeide hij tot elk hunner: “Wanneer ik uit mijn slaapvertrek met kleine steentjes zal werpen, snijdt dan met uw mes den zak van boven tot beneden open en kruip er uit; ik zal dan terstond bij u zijn.”
Nadat dit geschied was, keerde hij terug. Toen hij het vertrek voorbijging, waar Morgiane zich bevond, nam deze een licht en geleidde hem naar de kamer, die voor hem gereed gemaakt was, waar zij hem verder alleen liet, na hem gevraagd te hebben ofhij ook nog iets noodig had. Om geen argwaan te wekken, bluschte hij kort daarna het licht en legde zich gekleed te bed, om terstond, zoodra hij het noodig oordeelde, te kunnen opstaan.
Morgiane vergat geenszins Aly's bevelen. Zij maakte zijn badlinnen gereed, gaf het aan Abdallah, die nog niet naar bed gegaan was, en zette den pot met vleesch op het vuur. Terwijl zij nu bezig was het vleeschnat te schuimen, ging plotseling de lamp uit. Er was juist geen olie meer in huis. Wat stond haar nu te doen? Zij moest volstrekt licht hebben, om alles gereed te maken. In hare verlegenheid wendde zij zich tot Abdallah. “Hier is waarlijk goede raad duur,” zeide deze; “ maar weet ge wat? Haal maar wat olie uit die lederen zakken, die ginder in den hof liggen.”
Morgiane vond den raad van Abdallah voortreffelijk;
en terwijl de laatste zich voor Aly's kamer legde, om hem
naar het bad te kunnen vergezellen, nam zij de oliekruik
en ging naar den hof. Toen zij den eersten den besten
lederen zak naderde, vroeg de roover, die er in verborgen
was, fluisterend: “Is het tijd ?”
Ofschoon de roover zeer' zacht gesproken had, ontstelde Morgiane er echter hevig van. De rooverhoofdman had, zoodra hij den last van zijne muilezels had afgeladen, niet alleen dezen lederen zak, maar ook al de overige eenigszins geopend, om meer versche lucht te verschaffen aan zijn manschappen, die bovendien niet zeer op hun gemak waren.
Eene andere slavin dan Morgiane zou zeker geschreeuwd en gerucht gemaakt hebben en hierdoor de geheele zaak hebben bedorven. Morgiane echter werd niet zoo licht van haar stuk gebracht. ZlJ begreep oogenblikkelijk van hoeveel belang het was, om de zaak geheim te houden, en het dringende gevaar, waarin Aly, diens gezin en zij zelve verkeerden, en de noodzakelijkheid, om zoo spoedig mogelijk, en zonder veel gerucht te maken, maatregelen daartegen te nemen. Haar tegenwoordigheid van geest en hare slimheid gaven haar daartoe terstond een middel aan de hand. Zij herstelde zich derhalve oogenblikkelijk en zonder den minsten schrik te laten blijken, antwoordde zij met nagemaakte stem, alsof zij de rooverkapitein was: “Nog niet, maar zoo dadelijk !” Daarop naderde zij den volgenden zak. Dezelfde vraag werd weder gedaan en zij gaf hetzelfde antwoord. En zoo ging zij tot aan den laatsten zak toe, die vol olie was, en waar haar dus geene vraag gedaan werd.
Morgiane ontdekte op die wijze, dat haar heer, in plaats van slechts een koopman in olie bij zich te herbergen, zeven en dertig roovers en hun kapitein, den verkleeden koopman, in zijn huis had toegelaten. Zij vulde nu spoedig hare kruik met olie, die zij uit den laatsten lederen zak nam. Daarop keerde zij terug naar de keuken, waar zij terstond olie in de lamp deed en ze weder aanstak; vervolgens nam zij een grooten ketel, ging met deze naar het binnenplein en vulde hem uit den laatsten zak geheel en al met olie. Toen ging zij er weder mede terug, zette hem op het vuur, en legde er een bos hout onder, om de olie des te spoediger aan het koken te brengen. Eindelijk kookte die, en de slavin goot nu in iederen zak zooveel kokende olie, als voldoende was, om de roovers een voor een te dooden.
Nadat Morgiane deze moedige daad met groot beleid en zonder eenig gerucht te maken had ten uitvoer gebracht, zooals zij zich had voorgenomen, keerde zij naar de keuken terug en sloot de deur. Daarop bluschte zij het groote vuur, dat zij had aangestoken en liet slechts zooveel over, als noodig was om het vleeschnat voor Aly te koken. Eindelijk blies zij ook de lamp uit en hield zich vervolgens doodstil, vast besloten niet naar bed te gaan vóór dat zij door een keukenvenster, voor zoover de duisternis dit toeliet, had waargenomen, wat er zou gebeuren.
Er was nog geen kwartier verloopen, toen de rooverkapitein wakker werd. Hij stond op, opende het venster, en daar hij nergens licht ontdekte, maar overal de diepste rust heerschte, gaf hij het afgesproken teeken, door kleine steentjes naar beneden te werpen, waarvan verscheidene, zooals hij hooren kon, op de lederen zakken nederkwamen . Hij luisterde, maar vernam niets, waaruit hij zou kunnen besluiten, dat er eenige beweging onder zijn volk kwam. Dit maakte hem ongerust; hij wierp ten tweeden en derden male met steentjes. Zij vielen op de zakken, maar geen der roovers gaf het minste teeken van leven. Daar hij de reden hiervan niet begrijpen kon, begaf hij zich vol ongerustheid, doch met zoo weinig mogelijk gedruisch naar het binnenplein, naderde den eersten lederen zak, en toen hij juist den roover wilde vragen, of hij sliep, rook hij de olie- en brandlucht, die uit den zak opsteeg. Daaruit maakte hij op, dat zijn plan, om Aly om te brengen, zijn huis te plunderen en het geroofde geld weder mede te nemen mislukt was.
Nu ging hij naar den volgenden zak en zoo tot aan den laatsten, en hij bevond, dat al zijn manschappen hetzelfde lot getroffen had. De vermindering der olie in den vollen lederen zak deed hem verder zien, van welk middel men zich had bediend, om hem van den bijstand, dien hij van hen verwacht had, te berooven. In zijne wanhoop over den mislukten aanslag, brak hij de deur open, welke van het plein naar den tuin van Aly leidde, en zoo vluchtte hij, over de schuttingen heen klimmende, van den eenen tuin naar den anderen.
Toen Morgiane geen gedruisch meer hoorde, en den rooverhoofdman niet zag terugkomen, twijfelde zij niet meer, welk besluit hij genomen had, daar van de huisdeur het nachtslot gesloten was. Tevreden en verheugd, het gansche huis en zijne bewoners gered te hebben, legde zij zich te bed en viel in slaap.
Aly stond den volgenden morgen op en ging naar het bad, zonder van het ontzettende voorval, dat gedurende dien nacht in zijn huis had plaats gehad, het geringste te vermoeden; want Morgiane had het niet raadzaam geoordeeld hem wakker te maken, daar zij in het oogenblik des gevaars geen tijd tijd verliezen had, en, nadat dit voorbij was, het noodeloos had geacht zijne rust te storen.
Toen Aly uit het bad weder te huis kwam, was de zon reeds opgegaan. Hij verwonderde zich, dat de oliezakken nog op hunne plaats stonden en dat de koopman ze nog niet met zijne ezels naar de markt gebracht had. Hij vroeg daarom de reden hiervan aan Morgiane, die niets veranderd had in den toestand van het ontzettende tooneel, opdat hij er juister over zou kunnen oordeelen, en om hem tevens des te beter te doen zien, wat zij ter redding van zijn leven gedaan had.
“Mijne goede heer,” antwoordde Morgiane, “Allah beware u en uw gansche huis! Gij zult, wat gij wenscht te weten, ras ontdekken, wanneer gij alles in oogenschouw hebt genomen. Heb de goedheid met mIJ mede te gaan."
Aly volgde nu zijne dappere en voorzichtige slavin. Zoodra zij op het binnenplein waren, bracht zij hem bij den eersten zak en zeide: “Zie eens wat daar in is.” Aly keek in den zak en toen hij een man ontdekte, deinsde hij met een luiden gil achteruit. “Vrees niets,” zeide Morgiane, “de man, dien gij hier ziet, zal u geen kwaad doen; hij heeft het in zijn leven misschien genoeg gedaan, maar zal het nu wel laten: hij is dood.” - “Morgiane,” riep Aly in de grootste ontsteltenis uit, “wat heeft dit te beteekenen?” - “Ik zal het u vertellen,” antwoordde Morgiane; “maar matig uw angst, en maak niet de nieuwsgierigheid der buren gaande omtrent eene zaak, die uw eigen belang u noopt geheim te houden. Bezie eerst ook de andere zakken.”

774ste nacht
Een tijd lang bleef Aly weerloos staan, daarna voldeed hij aan het eerste verzoek zijner slavin, terwijl hij zijne oogen nu op de zakken en dan op haar vestigde, maar steeds zonder een woord te spreken, zoo groot was zijne verbazing. Eindelijk kreeg hij als 't ware de spraak weder en vroeg: “Wat is er nu van den koopman geworden?”- “De koopman,” zeide Morgiane, “is zoo min een koopman als ik het ben. Ik zal u zeggen wie hij is en wat er van hem is geworden. Maar het zal beter zijn, dat ik u de geheele geschiedenis op uwe kamer verhaal, nadat gij u eerst verkwikt hebt met een ontbijt.”
Terwijl Aly zich naar zijne kamer begaf, haalde Morgiane het vleeschnat uit de keuken en bracht het hem zelve, ofschoon Abdallah haar dezen dienst bewijzen wilde. Voor dat Aly er echter van gebruikte, zeide hij: “Goede, getrouwe Morgiane, maak een einde aan mijn ongeduld door mij de zeldzame geschiedenis in al hare bijzonderheden te verhalen.” Morgiane voldeed toen aan het verlangen van haar heer en deed hem een uitvoerig verslag van al het gebeurde. “Dit is nu,” voegde zij er ten slotte bij, “een getrouw verhaal van het voorgevallene en ik ben overtuigd, dat dit alles het gevolg eener ontdekkIng is, die ik u nog niet heb medegedeeld.” En nu verhaalde zij hem wat zij gedaan had met de witte en roode merkteekens. Daarna ging zij voort: “Wanneer gij dit in verband brengt met hetgeen later gebeurd is, zult gij bemerken, dat het alleen het bedrijf is van de roovers uit het bosch, wier getal intusschen - zonder dat ik begrijpen kan hoe - met twee verminderd schijnt te zijn. Wat er ook van zijn moge, meer dan drie zijn er niet overgebleven. Voor 't overige bewijst dit ontegenzeggelijk, dat zij uw ondergang hadden gezworen, en dat gij wel zult doen, met u, zoolang nog een van hen in leven is, zeer in acht te nemen. Wat mij aangaat, ik zal niet nalaten voor uw veiligheid te waken.”
Toen Morgiane had uitgesproken, zeide Aly, doordrongen van de grootste dankbaarheid jegens haar: “Ik heb u het leven te danken en om u reeds voorloopig een blijk mijner erkentelijkheid te geven, schenk ik u van dit oogenblik af uwe vrijheid tot ik datgene, wat ik mij heb voorgenomen, zal kunnen ten uitvoer brengen. Overigens ben ik, even als gij, overtuigd, dat de veertig roovers mij dezen strik gespannen hebben. Allah heeft mij door uwe hand van hen verlost, en ik hoop, dat Hij ook in het vervolg mij voor hunne boosheid zal bewaren en de wereld van dit vervloekt gebroedsel verlossen zal. Wat wij thans te doen hebben, is de lijken van deze ellendelingen onverwijld te begraven en wel zoo, dat niemand omtrent hun lot het minste vermoeden krijgt; dit wil ik thans:met Abdallah ten uitvoer brengen.”
De tuin van Aly was zeer lang en van achteren door hooge boomen begrensd. Zonder tijd te verliezen, spitte hij met zijn slaaf onder deze boomen een langen en breeden kuil, ter grootte van de lijken, die er in moesten liggen. Zij haalden deze nu uit de lederen zakken, begroeven ze en maakten den grond weder overal gelijk. Aly liet nu de oliezakken en wapenen der roovers zorgvuldig verbergen; de muilezels daarentegen zond hij bij twee of drie tegelijk naar de markt, waar hij ze door zijn slaaf liet verkoopen.
Terwijl Aly al deze maatregelen nam, om het middel, waardoor hij rijk geworden was, aan de kennis van anderen te onttrekken, was de rooverhoofdman naar het bosch teruggekeerd, en in hevige gemoedsbeweging, of liever wanhopend, over den ongelukkigen en onverwach- ten uitslag, was hij de grot binnengetreden, zonder dat hij onderweg eenig besluit had kunnen nemen, omtrent hetgeen hij thans tegen Aly ondernemen zou. De eenzaamheid van deze verblijfplaats kwam hem thans ontzettend voor. “Dappere lieden,” riep hij uit, “getrouwe metgezellen van mijn leven, makkers bij mijne strooptochten en gevechten, waar zijt gij? Wat kan ik doen zonder u ? Heb ik u allen dan alleen daarom tot deze onderneming uitverkoren, om u op eenmaal door zulk een rampzalig en uwen moed zoo onwaardig lot te zIen omkomen! Ik zou u minder betreuren, indien gij als dappere mannen met de sabel in de vuist gevallen waart. Wanneer zal ik ooit weder zulk eene schaar van onversaagde lieden, als gij waart, kunnen bijeenbrengen? En al wIlde Ik dIt ook, zou ik het wel kunnen ondernemen zonder dezen berg van goud, zilver en verdere schatten aan hem ten prooi te laten, die zich reeds met een gedeelte ervan verrijkt heeft? Ik kan en mag er niet aan denken voor dat ik hem het leven benomen heb. Wat ik met een zoo machtigen bijstand niet in staat was te volvoeren zal ik thans alleen pogen ten uitvoer te brengen en wanneer ik nu op deze wijze gezorgd heb, dat de schat niet meer aan plundering blootgesteld is, zal ik het daarheen trachten te leiden, dat het na mij aan geen opvolger ontbreekt, en dat hij tot aan de late nakomelingschap zal in stand blijven en vermeerderen.” - Nadat hij dit besluit genomen had, was hij niet meer om een middel ter uitvoering van zijn plan verlegen. Vol hoop en zelfvoldoening sliep hij in en bracht den nacht gerust door.

775ste nacht
Toen de rooverhoofdman den volgenden morgen zeer vroeg was opgestaan, trok hij, ter uitvoering van zijn plan, een deftig gewaad aan en ging naar de stad, waar hij in eene khan zijn intrek nam. Daar hij verwachtte, dat het gebeurde in Aly's huis opzien zou baren, vroeg hij terloops aan den opzichter van de khan of er ook iets nieuws in de stad was; waarop die man hem deze en gene nietsbeduidende dingen verhaalde, doch geen woord repte van hetgeen hij wenschte te weten. Hij leidde hieruit af, dat Aly alleen daarom een geheim van de zaak maakte, omdat hij wilde voorkomen, dat zijne kennis van de grot en het middel om die te openen, zich verder verspreiden mocht, daar hij wel wist, dat men hem alleen om deze reden naar het leven stond. Dit spoorde hem nog meer aan, om zich op dezelfde geheime wijze van hem te ontdoen.
De rooverhoofdman kocht een paard, dat hij noodig had, om verscheidene soorten van rijke zijden stoffen en fijne sluierdoeken naar zijne woning te brengen, terwijl hij eenige reizen naar het bosch deed, met de noodige voorzorg, om de plaats, vanwaar hij dit alles haalde, verborgen te houden. Toen hij van deze goederen zooveel had bijeenverzameld als hij voldoende achtte, zocht hij een winkel, om ze aan den man te brengen. Hij vond er ook een, dien hij van den eigenaar huurde, inrichtte en betrok. Tegenover hem lag toevallig de winkel, die weleer aan Kassim toebehoorde en die sinds korten tijd door Aly's zoon bewoond werd.
De rooverhoofdman, die den naam van Kodjah Houssain had aangenomen, bewees, als nieuwaangekomene, den kooplieden, die zijne buren waren, alle mogelijke vriendschap. Intusschen, daar de zoon van Aly jong, welopgevoed en niet zonder geest was, en daar hij meer gelegenheid had om met hem dan met andere kooplieden te spreken, had hij weldra kennis met hem gemaakt. Hij zocht zelfs zijn omgang nog meer en nog ijveriger, toen hij eenige dagen na het openen van zijn winkel Aly herkend had, die zijn zoon een bezoek kwam brengen en, na Aly's vertrek, van den zoon had vernomen, dat het zijn vader was. Thans verdubbelde hij zijne vriendelijkheid jegens hem en gaf hem niet slechts kleine geschenken, maar onthaalde hem zelfs nu en dan en noodigde hem verscheidene malen bij zich ten eten.
Aly's zoon wilde Kodjah voor zoovele beleefdheden niets schuldig blijven, maar ze gaarne op gelijke wijze beantwoorden. Hij woonde echter niet ruim en was in zijn huishouden niet zoo van alles voorzien als de vreemdeling om hem te kunnen onthalen, gelijk hij wenschte. Hij sprak daarom met zijn vader hierover en gaf dezen te kennen, dat het niet voeg- zaam zou zijn, langer te wachten Kodjah ook eens te onthalen en diens beleefdheden te beantwoorden.
Aly nam met genoegen op zich het feest ten zijnen huize te geven. “Mijn zoon,” sprak hij, “morgen is het Vrijdag. Daar dit nu een dag is, dat groote kooplieden, gelijk Kodjah en gij, hunne winkels gesloten hebben, noodigt gij hem ades namiddags tot eene wandeling uit en tracht het op den terugweg zoo aan te leggen, dat gij met hem mijne woning voorbijgaat en hem binnenbrengt. Het is beter, dat gij dit als het ware bij toeval doet, dan dat gij hem plechtig uitnoodigt. Ik zal intusschen Morgiane last geven een avondmaal
gereed te maken.”
Des Vrijdags deden Aly's zoon en Houssain des namiddags, gelijk afgesproken was, eene wandeling met elkander. Op den terugweg bracht Aly's zoon, Houssain ongemerkt door de straat, waar zijn vader woonde; toen zij dicht bij de huisdeur waren, hield hij hem staande, klopte aan en zeide: “Dit is het huis van mijn vader, die, nadat ik hem heb medegedeeld hoeveel vriendschap gij mij voortdurend bewijst, mij heeft opgedragen, hem de eer te verschaffen van met u kennis te maken. Ik smeek u derhalve, mij ook nog deze vriendschap te bewijzen.”
Hoewel nu Kodjah zijn doel bereikt had, - namelijk den toegang tot Aly's huis te verwerven, ten einde hem om het leven te brengen, zonder zijn eigen leven in de waagschaal te stellen - liet hij toch niet na, verontschuldigingen te maken, en zich te houden, alsof hij afscheid wilde nemen; maar daar juist Abdallah de deur opende, nam Aly's zoon hem bij de hand en dwong hem als 't ware om binnen te treden.
Aly ontving Kodjah zoo vriendelijk, als deze maar eenigszins kon wenschen. Hij bedankte hem voor de welwillendheid, die hij zijn zoon bewees. “De dank,” sprak hij, “dien ik u daarvoor schuldig ben, is des te grooter, daar hij nog een jong mensch en zonder wereldkennis is, en gij wel zoo goed wilt zijn mede te werken om hem te vormen en te ontwikkelen.”
Kodjah beantwoordde Aly's beleefdheden op dezelfde wijze, terwijl hij hem verzekerde, dat, al had zijn zoon nog niet de ondervinding van menigen grijsaard verworven, hij toch een zeer gezond verstand bezat, wat bij hem tegen de ondervinding van menig ander mensch opwoog.
Na een kort gesprek over andere onverschillige onderwerpen, wilde Houssain vertrekken; maar Aly liet dit niet toe. “Heer,” zeide hij tot hem, “waar wilt gij heengaan? Ik verzoek u, mij de eer te bewijzen het avondmaal bij mij te gebruiken. Het maal, waarop ik u wensch te onthalen, is wel niet zoo schitterend als gij verdient, maar, hoe het ook zijn moge, ik hoop, dat gij het even zoo welwillend zult aannemen, als ik het u geef.”
- “Heer Aly,” antwoordde Kodjah, “ik ben van uwe goede gezindheid volkomen overtuigd; indien ik u echter verzoek het mij niet kwalijk te nemen, wanneer ik mij verwijder zonder uw vriendelijk aanbod aan te nemen, smeek ik u te gelooven, dat dit noch uit minachting noch uit onbeleefdheid geschiedt, maar omdat ik eene reden daartoe hebt, die gij zoudt goedkeuren, indien ze u bekend ware.” - “En wat kan dit voor eene reden zijn?” viel Aly hem in de rede, “zou men die wel mogen weten?” - “Ik zal ze u zeggen,” antwoordde Kodjah; “het is, omdat ik niet gewoon ben vleesch of andere spijzen te eten, waarin eenig zout is. Gij kunt nu zelf nagaan, welk eene rol ik aan uwe tafel zou spelen.” - “Als gij anders geene reden hebt,” sprak Aly, “dan zal deze mij zeker niet van de eer berooven, u heden avond bij mij aan tafel te zien. Vooreerst is in het brood, dat bij mij aan huis gebruikt wordt, geen zout; wat het vleesch, de groenten en de sausen betreft, ik beloof u, dat in al wat u zal voorgezet worden, mede geen zout zal zijn; ik zal terstond de noodige bevelen daartoe geven. Bewijs mij derhalve de vriendschap van te blijven; ik zal in een oogenblik weder bij u zijn.”
Aly gIng naar de keuken en beval Morgiane, om in
het vleesch, dat heden zou opgedragen worden, geen zout te doen, en bij de spijzen, die hij besteld had, schielijk nog een paar andere te voegen, waarin mede geen zout was.
Morgiane, die juist voornemens was op te dragen, kon niet nalaten hare ontevredenheid over dit nieuwe bevel aan den dag te leggen en dit aan Aly te kennen te geven. “Wat is dat voor een eigenzinnigen vent,” sprak zij, “die geen zout wil eten? Als ik met het opdragen van het eten wacht, dan zal het niet lekker meer zijn.” “Word maar niet boos, Morgiane,” zeide Aly hierop, “het is een braaf man; doe gij maar wat ik u zeg.”
Morgiane gehoorzaamde, maar met tegenzin. Zij was echter nieuwsgierig, om den man te leeren kennen. Toen zij gereed was en Abdallah de tafel gedekt had, hielp zij hem het eten opdragen; maar terwijl zij Houssain aanzag, herkende zij in hem, in weerwil van zijne vermomming, terstond den rooverhoofdman. Zij beschouwde hem opmerkzamer en zag dat hij een dolk onder zijn kleed verrborgen had. “ Ik verwonder mij thans niet meer," sprak zij bij zichzelve, “dat die schurk geen zout met
mijn heer wil eten; het is zijn ergste vijand en hij wil
hem ombrengen: maar ik zal zijn boos opzet wel weten
te verijdelen.”
Zoodra Morgiane met Abdallah het eten had opgedragen, nam zij, terwijl zij aten, den tijd waar, om de noodige toebereidselen ter uitvoering van haar stoutmoedig plan te beramen; juist was zij daarmede gereed, toen Abdallah haar meldde, dat het tijd was om het nagerecht op te dragen, wat zij deed, zoodra Abdallah de tafel had afgenomen. Hierop plaatste zij naast Aly een klein tafeltje, waarop zij wijn en drie schalen nederzette en bij het verlaten der eetzaal trok zij Abdallah met zich mede, alsof zij met hem wilde avondmalen en haar heer, volgens gewoonte, volkomen vrijheid laten, om zich met zijn gast te onderhouden, den tijd aangenaam door te brengen en hem tot drinken uit te noodigen.
Thans geloofde Houssain, of liever de verkleede rooverhoofdman, dat het gunstige oogenblik daar was, om Aly om het leven te brengen. “Ik wil thans,” sprak hij bij zich zelven, “vader en zoon dronken maken. De zoon, dien ik gaarne het leven schenken wil, zal mij dan niet verhinderen zijn vader een dolk in het hart te stooten, en ik zal dan, gelijk ik reeds vroeger gedaan heb, door den tuin ontsnappen, terwijl de slavin en de slaaf nog met hun avondeten bezig zijn, of in de keuken in slaap
zijn gevallen.”
Morgiane echter, die het voornemen van den gewaanden Houssain vermoed had, liet hem geen tijd, om zijn boosaardig plan ten uitvoer te brengen. In plaats van te gaan eten, trok zij een zeer bevallig danskleed aan, versierde haar hoofd, deed een gordel aan met gouden en zilveren bloemen, en maakte daar een dolk aan vast, waarvan de schede en het gevest verguld zilver waren. Toen zij zich nu op die wijze verkleed had, zeide zij tot Abdallah: “Abdallah neem eene tamboerijn en laat ons binnengaan, om den gast van onzen heer en den vriend van zijn zoon het genoegen te verschaffen, dat wij onzen heer zelven somwijlen plegen te doen genieten.”

777ste nacht
Abdallah nam de tamboerijn, begon onder het voortgaan daarop te spelen en trad zoo de zaal binnen. Morgiane volgde hem op de hielen, en maakte eene diepe buiging, en wel op eene wijze, waaruit bleek dat zij verlof smeekte om hare talenten aan den dag te mogen leggen.
Toen Abdallah zag, dat Aly wilde spreken, hield hij op, de tamboerIJn te slaan. “Kom binnen, Morgiane, kom binnen!” zeide Aly. “Houssain moet eens zien, wat gij kunt. Gij moet niet denken heer” zeide hij, zich tot Kodjah wendende, “dat ik, om mij dit genoegen te verschaffen, groote onkosten gemaakt heb. Ik heb dit alles te huis
en gij ziet, dat het mijn slaaf en mijne huishoudster zijn die mij dit vermaak verschaffen.”
Kodjah was er niet op voorbereid, dat Aly op het avondmaal deze uitspanning zou laten volgen. Hij begon nu te vreezen, dat hij zich van de gelegenheid, die hij juist meende gevonden te hebben niet zou kunnen bedienen. Voor ditmaal troostte hij zich echter met de hoop dat hij wel eens eene andere zou vinden, als hij voortging met vader en zoon vriendschap te houden. Ofschoon hij dus liever had gezien dat Aly hem van dit vermaak verschoond had, hield hij zich evenwel alsof hij er hem ten hoogste dankbaar voor was en verzekerde hem tevens, dat al wat zIJn gastheer eenig vermaak verschafte, ook hem genoegen deed.
Toen Abdallah zag, dat Aly en Houssain hadden opgehouden te spreken, begon hij weder zijn tamboerijn te slaan en zong er een danslied bij. Morgiane, die voor de geoefendste danseres niet behoefde onder te doen, danste op eene wijze, die ook in ieder ander gezelschap
dan thans tegenwoordig was, algemeene bewondering verwekt zou hebben.
Nadat zij verscheidene dansen met zwier en bevalligheid had uitgevoerd, trok zij eindelijk den dolk en begon, dezen in de hand houdende, een nieuwen dans, waarin zij zichzelve overtrof, zoowel door de menigvuldigheid harer lichte bewegingen, als door de stoute luchtsprongen, en de wonderbare wendingen en houdingen die zij daarbij aannam, terwijl zij nu den dolk als tot een stoot uitstrekte en dan weder deed, alsof zij zichzelve daarmede wilde doorboren.
Toen zij zich eindelijk buiten adem gedanst had, rukte zij met hare linkerhand Abdallah de tamboerijn uit de handen en den dolk in de rechterhand houdende, reikte zij het speeltuig met de holle zijde Aly toe, volgens de gewoonte van dansers en danseressen, die van hunne kunst eene kostwinning maken, en op deze wijze op de mildheid hunner toeschouwers een beroep doen. Aly wierp in Morgiane's tamboerijn een goudstuk; Morgiane keerde zich hierop tot Aly's zoon en deze volgde het voorbeeld zijns vaders. Houssain, ziende dat zij ook bij hem zou komen, had reeds zijne beurs te voorschijn gehaald, om haar een g:schenk te geven, en nam dit in de eene hand, toen plotseling Morgiane, met een moed, die hare tot dusver betoonde geestkracht waardig was, hem den dolk zoo diep in het hart plantte, dat hij onmiddellijk den geest gaf.
Aly en zijn zoon gaven van schrik over deze daad een luiden gil. “Ongelukkige,” riep Aly uit, “wat hebt gij gedaan! Wilt gij mij en mijn gezin in het verderf storten?” - “Niet om u in het verderf te storten,” antwoordde Morgiane, “maar om u te redden, heb ik dit gedaan.”
Nu opende zij Houssain's kleed, deed haren heer den dolk zien, waarmede de roover gewapend was, en zeide: “Zie eens, met welk een vijand gij te doen hadt; maar zie hem vooral eens goed in het gelaat, en gij zult in hem den gewaanden koopman in olie en den hoofdman der veertig roovers herkennen. Is het u niet vreemd voorgekomen, dat hiJ geen zout met u eten wilde? Verlangt gij nog meer bewijzen, om u van zijn boozen aanslag te overtuigen? Nog eer ik hem had gezien, had Ik reeds argwaan opgevat, van het oogenblik af, dat gij mij zeidet, welk een gast gij hadt. Ik zag hem vervolgens zelven en gij ziet nu, dat mijne verdenking niet ongegrond is geweest.”

778ste nacht
Aly, die de nieuwe verplichting erkende, welke hij aan Morgiane voor deze herhaalde redding zijns levens schuldig was; omhelsde haar en zeide: “Morgiane, ik heb u de vrijheid geschonken en u beloofd, dat mijne dankbaarheid het niet daarbij zou laten berusten, maar dat ik weldra meer voor u doen zou. Dit oogenblik is nu daar en ik maak u tot mijne schoondochter.”
Hierop wendde hij zich tot zijn zoon, met de woorden “Mijn zoon, ik denk dat gij een te goede zoon zijt, om het vreemd te vinden, dat ik u Morgiane tot vrouw geef, zonder er u vooraf over gesproken te hebben. Gij zijt haar niet minder dank schuldig dan ik. Gij ziet, dat Houssain uwe vriendschap alleen gezocht heeft, om met des te beter gevolg mij op verraderlijke wijze om het leven te brengen, en wanneer hem dit gelukt ware, behoeft gij niet te twijfelen, dat hij u eveneens aan zijne wraak zou opgeofferd hebben. Bedenk ook, dat, indien gij Morgiane huwt, gij in haar den steun van mijn huisgezin, zoolang ik nog leven zal, en tevens van het uwe, tot aan het einde van uw leven zult bezitten.”
De zoon, wel verre van de minste ontevredenheid te doen blijken, verzekerde, dat hij tot dit huwelijk niet slechts uit gehoorzaamheid jegens zijn vader, maar ook uit toegenegenheid zeer geneigd was.
Men was er nu in Aly's huis op bedacht, om het lijk van den rooverkapitein bij die der overige roovers te begraven. Dit geschiedde zoozeer in stilte, dat de zaak eerst na vele jaren uitkwam, toen niemand meer in leven was, die bij het bekend worden dezer merkwaardige geschiedenis persoonlijk in eenige onaangenaamheid zou zijn gekomen.
Weinige dagen daarna vierde Aly door een prachtig gastmaal de bruiloft van zijn zoon en Morgiane, hetwelk van dansen, schouwspelen en vermakelijkheden gepaard ging. Hij had het genoegen te zien, dat zijne vrienden en buren, die daarop genoodigd waren, en die-wel niet de eigenlijke beweegreden tot dit huwelijk kenden, maar wel reeds lang de voortreffelijke hoedanigheden van Morgiane, haar van ganscher harte om hare edele hoedanigheden en haar goed hart prezen.
Sedert de droevige gebeurtenis met zijn zwager, had Aly zich uit vrees voor de roovers onthouden, om naar de grot terug te keeren. Vooreerst bleef hij ook nog verre van daar; want hoewel acht en dertig roovers, hun hoofdman er onder gerekend, dood waren, vermoedde hij toch, dat de twee anderen, wier lot hem niet bekend geworden was nog in leven zouden zijn.
Toen hij echter, na verloop van een jaar, gezien had, dat niets tegen zijne rust werd ondernomen, bekroop hem de nieuwsgierigheid, om een tocht daarheen te doen, waarbij hij intusschen de noodige maatregelen voor zijne veiligheid nam. Hij zette zich te paard, en bij de grot gekomen, hield hij het voor een goed voorteeken, dat hij niet het minste spoor van menschen of paarden ontdekte. Hij steeg uit het zadel en sprak de woorden, die hij nog niet vergeten had: “Sesam, open u!” De deur opende zich, hij ging binnen en uit den toestand, waarin hij alles vond, kon hij duidelijk bemerken, dat sinds den tijd, dat de gewaande Kodjah Houssain zijn winkeI in de stad geopend had, niemand daarin geweest en dat derhalve de bende van veertig roovers geheel was uitgeroeid, van welke waarheid hij naderhand toevallig verzekerd werd, toen hij vernam, wat hem nog ontbrak om den geheelen samenhang der geschiedenis te kennen. Hij twijfelde er nu niet meer aan, of hij was de eenige, wien het geheim, om de grot te kunnen openen, bekend was, zoodat hij nu over de schatten, die zich daarin bevonden, naar welgevallen kon beschikken. Hij had een lederen zak medegenomen; die vulde hij met zooveel goud, als zijn paard in staat was te dragen en keerde vervolgens naar de stad terug.
Sinds dien tijd leefde Aly Baba en zijn zoon, dien hij naar de grot bracht en wien hij het geheim om ze te openen mededeelde, alsmede hunne nazaten, op wie het geheim overging, door een verstandig gebruik van hun geluk in overvloed en luister, door al hunne medeburgers geëerd en geacht.

De morgen was reeds aangebroken toen Sheherazade de geschiedenis eindigde. Na zijne gemalin zijne ingenomenheid met hare vertelling betuigd te hebben, verliet de sultan haastig het vertrek om nog vóór de raadsvergadering geopend werd zijn morgengebed te kunnen doen.

Onderwerp

AT 0676 - Open Sesame    AT 0676 - Open Sesame   

AT 0954 - The Forty Thieves    AT 0954 - The Forty Thieves   

Beschrijving

Op een dag ziet Ali Baba waar een roversbende zijn schatten bewaart. Hij weet de grot te openen met een toverformule en neemt de nodige rijkdommen mee naar huis. Om het geld te meten wordt een maatbeker geleend bij Ali Baba's zus, en uiteindelijk komt zwager Kassim achter het hele avontuur. Uit hebzucht wil hij de rovers nog meer plunderen, maar hij vergeet de toverformule en wordt door de rovers gevonden en gevierendeeld. Later windt Ali Baba het lijk van zijn zwager en laat het met behulp van slavin Morgiane begraven. Na enkele mislukte pogingen weet de roverhoofdman het huis van Ali Baba te vinden. Hij vermomt zich als oliekoopman, maar Morgiane komt erachter dat in de meeste zakken rovers zitten. Ze doodt de rovers door de zakken te vullen met kokende olie. Later danst Morgiane voor de roverhoofdman en steekt zij hem dood met een dolk. Ali Baba vertelt zijn zoon over de plek van de verborgen schat en leert hem het wachtwoord.

Bron

'Geschiedenis van Aly Baba en de Veertig Roovers', in: G. Keller: Volledige Vertellingen van de Duizend en één Nacht, Nijmegen 1889, p. 251-306.

Motief

D1552.2 - Mountain opens to magic formula (Open Sesame).    D1552.2 - Mountain opens to magic formula (Open Sesame).   

N455.3 - Secret formula for opening treasure mountain overheard from robbers (Open Sesame).    N455.3 - Secret formula for opening treasure mountain overheard from robbers (Open Sesame).   

N512 - Treasure in underground chamber (cavern).    N512 - Treasure in underground chamber (cavern).   

N478 - Secret wealth betrayed by money left in borrowed money-scales.    N478 - Secret wealth betrayed by money left in borrowed money-scales.   

N471 - Foolish attempt of second man to overhear secrets (from animals, demons etc.).    N471 - Foolish attempt of second man to overhear secrets (from animals, demons etc.).   

F721.4 - Underground treasure chambers.    F721.4 - Underground treasure chambers.   

K312 - Thieves hidden in oil casks.    K312 - Thieves hidden in oil casks.   

Naam Overig in Tekst

Aly Baba    Aly Baba   

Morgiane    Morgiane   

Mustafa    Mustafa   

Allah    Allah   

Kodja Houssain    Kodja Houssain   

Sheherazade    Sheherazade   

Ali Baba    Ali Baba   

Kassim    Kassim   

Abdallah    Abdallah   

Naam Locatie in Tekst

Perzië    Perzië   

Plaats van Handelen

Perzië    Perzië