Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Klaverboer haalt Jenever

Een (),

Onderwerp

SINSAG 0685 - Pikbube als Helfer.    SINSAG 0685 - Pikbube als Helfer.   

Beschrijving

Pikbube als Helfer. Spielkarte ausgeschickt, um Schnaps zu holen

Tekst

Spontaan vertelde de broer van den heer Eysker ook de geschiedenis van klaverenboer, mij meegedeeld door mijn Zuiderwouder. Zijn grootvader had met anderen een rondje. Op dat rondje gebruikten zij meestal een borreltje. Op een goeden avond had niemand lust om een flesch drank te halen. Toen zei er één: "Ik zal klaverenboer er om uitsturen, op voorwaarde dat als hij met de flesch terugkomt, één van jelui de flesch aanpakt, doch achteruit loopend met de handen op den rug. Niet omkijken, want dan loopt het voor mij slecht af." Werkelijk verdween klaverboer. De man kreeg het erg benauwd. Een poos later werd er aan de deur gerakeld. Een der anderen ging achteruit naar de deur en pakte de flesch aan. Tegelijk kreeg hij een harden stomp in den rug. Ze hebben de flesch opgedronken en de benauwdheid van den hoofdomlegger bedaarde. De kaart kwam niet terug.

Het hier bovenstaande verhaal is afkomstig uit de collectie Bakker, gedateerd 1901, en beschrijft in het kort de essentie van het verhaaltype 0685 – Pikbube als Helfer.

De verhalen die onder dit typenummer vallen vertellen hoe een groepje mensen dat samen aan het kaarten is een speelkaart eropuit stuurt om een fles drank te halen. Vaak is er één in het gezelschap die het voorstel doet om de drank, over het algemeen jenever, te laten halen en die de anderen overtuigt hierin mee te gaan of die een weddenschap aflegt. De man neemt de klaverboer uit het kaartspel en bindt deze vast aan een lege fles die buiten wordt geplaatst, of gooit de kaart naar buiten met het bevel drank te halen. Enkele minuten later wordt er op de deur geklopt. Een belangrijk element dat in elk verhaal terugkomt is dat de fles drank niet aangepakt mag worden door de persoon die de kaart heeft weggestuurd. Het is altijd aan iemand anders in het gezelschap om de fles aan te nemen en vaak wordt er vooraf bepaald wie dat zal zijn. De aangewezen persoon moet dan, net als in het bovenstaand verhaal, achteruit lopend, met de handen op de rug de fles aanpakken. Gebeurt dit niet dan kan het verkeerd gaan voor de man die de kaart heeft uitgestuurd.
Al vanaf het moment dat de kaart wordt weggestuurd begint de zender hevig te zweten of valt zelfs bewusteloos. Pas op het moment dat de fles wordt aangenomen komt de zender weer volledig bij. Vervolgens wordt het eerste glaasje voor de brenger van de drank ingeschonken en over de linkerschouder leeggemaakt. De rest van de fles wordt door het gezelschap opgedronken. Hoewel in het bovenstaande verhaal aangegeven wordt dat de speelkaart niet terugkomt gebeurt het vaker dat de kaart samen met de volle fles drank weer verschijnt. De kaart zit dan aan de fles vast of ligt bovenop de kurk.

Uit de verhalen zijn er drie verschillende brengers te identificeren. Allereerst wordt de daad toegekend aan de kaart die wordt uitgezonden. Heel zelden is dat de hartenheer of klaveraas, maar in verreweg de meeste versies wordt de klaverboer of schoppenboer uitgestuurd om drank te halen. De kaart is dan, net als in een ander verhaal uit de collectie Bakker, binnen enkele minuten teruggekeerd “en had dan groote afstanden afgelegd” (CBAK0510). Waarom specifiek de klaverboer uitgezonden wordt komt in de verhalen niet naar voren maar in Elseviers Encyclopedie van het Occultisme en de Parapsychologie wordt kort aangegeven dat de klaverboer gelinkt wordt aan liederlijkheid en drank omdat klaveren de equivalent is van staven of roeden in de tarot (p. 150). Er wordt echter niet uitgelegd waarom de tarotkaarten daarmee geassocieerd worden. In tegenstelling tot klaveren zijn schoppenkaarten doorgaans gerelateerd aan dood en tegenspoed en in een verhaal dat is verzameld door G.G. Engels wordt vermeld dat de schoppenboer zelfs de personificatie is van de duivel (ENGELS028).

Dit brengt ons bij de tweede interpretatie van de brenger, namelijk de duivel zelf. Bij kaartspellen en drank is de duivel niet ver te zoeken. Speelkaarten, ook bekend als ‘het prentenboek van de duivel’, werden als zondig beschouwd en het kaartspel zou dan ook zijn uitgevonden door de duivel om mensen een alternatief te geven voor het evangelie (EdM 401). Het kaartspelen op zich was al een zondige bezigheid, maar de man die de drank liet halen zou banden hebben met de duivel en omgaan met de zwarte kunsten. In de verhalen wordt die persoon dan ook uitgemaakt voor tovenaar, mannelijke kol en duivelskunstenaar. Hoewel de speelkaart in deze verhalen nog steeds vastgemaakt wordt aan de lege fles, is de kaart niet verantwoordelijk voor het brengen van de volle fles. Het is de duivel die de drank presenteert en het eerste glaasje wordt dan ook aan hem toegewijd. De kaart is slechts een vergoeding voor de duivel en dit komt ook duidelijk naar voren in een verhaal verzameld door A.A Jaarsma: “Se joegen skoppenboer oan ‘e duvel en dan brocht de duvel har even letter de flesse drank” (CJ106211).

De derde variant wordt niet expliciet benoemd als zijnde uittreding maar kan zo wel geïnterpreteerd worden. De essentie van het verhaal blijft hetzelfde: een man, in dit geval soldaat, stuurt de klaverboer uit om drank te halen. Tijdens de afwezigheid van de kaart wordt de man lijkbleek, valt flauw en begint hevig te zweten. Wanneer de kaart weer terug is met een volle fles, komt de soldaat weer bij. De crux zit echter in het vervolg van het verhaal. De soldaat, die de kamer niet uit is geweest, wordt de volgende dag herkend door de herbergier als degene die de herbergier wakker heeft gemaakt voor een fles jenever. Het is dus niet de klaverboer of de duivel die de fles is gaan halen maar de soldaat die buiten bewustzijn aan tafel zat. Hij heeft op dat moment zijn ziel of geest op magische wijze tijdelijk zijn lichaam doen verlaten. Ook hier is er sprake van een mannelijke kol.

Wie er ook verantwoordelijk is voor het halen van de drank, de wijze waarop de speelkaart samen met de volle fles terugkomt is te onderscheiden in twee versies. Daarbij zijn de latere versies van dit verhaaltype sterker gelinkt met magie en de duivel dan de versies die begin twintigste eeuw gedateerd zijn. In de latere versies verschijnt de volle fles op tafel of zweeft de fles rond de tafel totdat het door iemand uit het gezelschap uit de lucht wordt gepakt. Één verhaal voegt daaraan toe dat de fles geaccepteerd moet worden voordat het drie keer rond de tafel gaat omdat het anders de dood van de zender zal zijn (CJ015302). Omdat flessen niet zomaar uit het niets verschijnen of zweven, kunnen deze verschijningen op geen andere manier worden verklaard dan door magie of andere bovennatuurlijke krachten.

Eerdere verhalen hebben echter meer weg van een truc. Net als bij het verhaal uit de collectie Bakker wordt bij de vroegere versies de fles bij de deur aangereikt of wordt de fles voor de deur achtergelaten. Omdat de persoon die de drank moet aannemen met zijn rug naar de deur gekeerd staat kan hij niet zien wie hem de fles geeft. In beide gevallen kan er iemand zijn geweest die van de truc afwist en heeft meegeholpen de mensen voor de gek te houden. Een verhaal uit Overijssel uit 1954 geeft aan hoe mensen te werk gingen:

Klaverboer moet een fles drank halen binnen 2 à 3 minuten, die 't niet weet zegt dat is duivelswerk. Een persoon bevindt zich in de kamer, maakt gezicht wat bleek, meest leest [hij] uit een boekje met rood omslag. Als hij teken geeft moet de bewuste persoon de lege flessen buiten de deur zetten, binnen 1 à 2 minuten wordt op de deur geklopt, die persoon is in het zwart. Gezicht, handen, kortom net eenen duivel. Derde maal kloppen moet de bewuste persoon waar mee gewed is open doen en de gevulde fles aanpakken. Dan komt no. 1 die in zwijm is gevallen onder een grote zucht weer bij. 'k Heb het mee gemaakt, die man die het meegespeeld heeft leeft nog en is nog er van bewust dat het een duivelsspel is geweest. De kaart klaverboer wordt vastgemaakt op de fles en buiten is alles gereed (LIJST097).

Ook in een verhaal opgetekend door Waling Dykstra wordt aangegeven dat het een truc was: "deze grap is wel eens vertoond. Dan werd er werkelijk eene flesch jenever gebracht, namelijk door iemand, met wien het vooraf was afgesproken" (DYKFRIES2130).

Deze simpele trucs zijn dus de oorsprong van de verhalen die later met meer magische elementen aangekleed zijn. Mensen grepen terug naar magie om de truc te kunnen verklaren en deze trucs hebben dus het geloof in toverij gevoed. In de loop der jaren zijn de vertellingen steeds ongelofelijker geworden; vliegende flessen, vanzelf openslaande deuren en in sommige versies zelfs gloeiend hete flessen zijn daar het voorbeeld van. Overigens zijn de hete flessen ook een indicatie dat de duivel bij deze kunsten betrokken zou zijn.

Dit verhaaltype komt verspreid over het hele land voor en is ook te vinden in Vlaanderen. Opmerkelijk is dat het in de Vlaamse vertellingen vaker voorkomt dat de zender gedwongen wordt om de fles zelf aan te nemen omdat niemand in het gezelschap dat uiteindelijk durft. De zender is hier de dupe van en de consequenties lopen uiteen van het moeilijk terug kunnen dwingen van de boer in het kaartspel tot het bevechten van de duivel. In de Nederlandse vertellingen die te vinden zijn in de Verhalenbank is het aannemen van de fles door de zender een groot taboe en komt ook niet voor. Zelfs wanneer niemand de fles durft aan te nemen is er iemand die hem op het laatste moment toch pakt. Het lijkt erop dat de Vlamingen zich minder snel met zulke duivelskunsten inlieten dan de Nederlanders maar het is niet duidelijk waarom dit verschil er is.
Verder wordt in vrijwel alle Vlaamse vertellingen de truc toegekend aan tovenaars. Zij zijn vaak in het bezit van een toverboek dat uiteindelijk wordt afgepakt en verbrand door een priester of pastoor. Hierdoor gaat in Vlaanderen dit verhaaltype gepaard met het verhaaltype SINSAG 0753: Zaubermacht gebrochen; Geistlicher verbrennt Zauberbuch.

Hoewel de duivel vaker gerelateerd wordt aan kaartspellen is het verhaaltype van de Pikbube internationaal niet sterk vertegenwoordigd. Voor zover bekend komt dit verhaaltype buiten Nederland en België nauwelijks voor. Een Duitse versie van dit verhaal spreekt over pastoor Ahrent von Mürlenbach die tijdens het kaartspelen de schoppenboer drank laat halen, al wordt er niet verteld hoe hij dit precies doet. In dit geval gaat het niet om een duivelskunst maar is het een kunststuk van een geestelijke.

Verder is er ook een verwijzing naar een soortgelijk verhaal in de musical Guys and Dolls uit 1955. Een karakter uit het stuk zegt op een gegeven moment: “One of these days in your travels, a guy is going to show you a brand-new deck of cards on which the seal is not yet broken. Then this guy is going to offer to bet you that he can make the jack of spades jump out of this brand-new deck of cards and squirt cider in your ear. But, son, do not accept this bet, because as sure as you stand there, you're going to wind up with an ear full of cider”.

Ondanks dat het hier niet gaat om een fles drank in een gezelschap van kaartspelende mensen is de essentie van het verhaal hetzelfde; een man beweert dat hij een schoppenboer drank kan laten bezorgen.

De schrijvers van het stuk hebben allebei roots in het huidige Ukraine en Rusland. Het is dus mogelijk dat dit verhaaltype verder reikt dan het westen van Europa maar daar is verder geen bewijs voor. Het is waarschijnlijker dat dit verhaaltype vanuit Nederland naar New York mee is geëmigreerd waar beide schrijvers zijn opgegroeid.

Literatuur

- Cavendish, Richard. Elseviers Encyclopedie van het Occultisme en de Parapsychologie. Amsterdam: 1975. 150
- Frenschkowski, Marco, en Daniel Drascek. “Teufel.” Enzyklopädie des Märchens. Band 13. Berlijn: Walter de Gruyter, 2010
- Mankiewicz, Joseph L. Guys and Dolls. MGM, 1955. Film - Michaels, Axel. “Seelenwanderung.” Enzyklopädie des Märchens. Band 12. Berlijn: Walter de Gruyter, 2007
- Peters van Berkel, Nico, en Bob C.T. Haleber. De Speelkaart. Weesp: Heureka, 1982
- Zender, Matthias. Sagen und Geschichten aus der Westeifel. Bonn: Ludwig Röhrscheid Verlag, 1966