Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Ophalen van de schat

Een (),

Onderwerp

SINSAG 1266 - Das Heben des Schatzes. Schatzhebung misslingt, wegen Verletzung des Schweigegebotes.    SINSAG 1266 - Das Heben des Schatzes. Schatzhebung misslingt, wegen Verletzung des Schweigegebotes.   

Beschrijving

Das Heben des Schatzes. Schatzhebung misslingt, wegen Verletzung des Schweigegebotes.

Tekst

DE SCHAT VAN DE MOOKERHEIDE.
Om de krijgskas niet in de handen van de Spanjaarden te laten vallen, liet graaf Lodewijk van Nassau tijdens het slaggewoel op de Mookerheide, de krijgskas naar Middelaar vervoeren en ze bij een schuur te Riethorst begraven. Daar Lodewijk dien slag niet meer overleefde en zijn leger door de Spanjaarden werd vernietigd, werd de geldkoffer niet meer afgehaald en zelfs de juiste plaats van ingraven vergeten.
Meer dan honderd jaren later had een persoon na lang zoeken de schatkist gevonden. In zijn vreugde over de vondst, vergat hij, dat schatten alleen kunnen worden gelicht in stilzwijgendheid. Hij had nauwelijks tot zich zelf gezegd: ,Ik heb ze in de hand", of er verscheen een rood mannetje, de duivel, die de krijgskas van den generaal van Nassau bewaakt, en antwoordde hem: ,,En ik heb ze met den tand". Toen ontsnapte de schat aan den graver en zonk nog veel dieper dan hij ooit had gelegen
(Kemp184).

Vanaf de zestiende eeuw zijn sagen over verborgen schatten internationaal rijk vertegenwoordigd. Met name in Europa en Noord- en Latijns-Amerika zijn er veel schatsagen te vinden. De plaats waarin de sage zich afspeelt is bepalend voor de herkomst van de schat. Zo spreken Noord-Amerikaanse sagen vaak van piratenschatten en goudzoekersvoorraden, is de grond in Latijns-Amerika rijk aan Spaans goud, terwijl men in Scandinavische vertellingen eerder Vikingsschatten tracht te vinden.

Waarom verhalen over verborgen schatten zo universeel zijn wordt onder andere toegekend aan opgravingen van archeologische aard. Vondsten van bijvoorbeeld grafgiften van vroegere bevolkingen op willekeurig lijkende plaatsen zijn niet gebonden aan een werelddeel en zouden gemakkelijk tot de verbeelding spreken. Bovendien was het, volgens Keith Thomas, in tijden van voor de centrale banken gebruikelijk om je kostbaarheden te verbergen. Vooral in tijden van onrust, zoals de tijden van de Vikingen in Scandinavië, was men geneigd zijn waardevolle spullen te begraven en deze schatten werden niet altijd weer opgegraven door dezelfde personen. Meer dan eens werd zo’n verborgen schat door iemand anders per toeval ontdekt. Deze vondsten en ook de hoop op nog niet ontdekte schatten zouden dan ook de vele schatsagen aangewakkerd hebben.

Ondanks de universele aard van schatsagen zijn ze niet in alle culturen sterk vertegenwoordigd. Scranton Simmons wijst naar de volksovertuigingen van inheemse Noord-Amerikaanse bevolkingen die ook grafgiften meegeven aan hun overledenen maar waar het oneerbiedig is om te graven naar dit soort kostbaarheden. Vanuit hun culturele opvattingen worden archeologische plekken en begraafplaatsen juist met rust gelaten. Verhalen waarin wel verborgen schatten voorkomen vertellen eerder van hoe men de schatten links laat liggen.

Over het algemeen wordt er in de schatsagen niet uitgeweid over de oorsprong van de schatten. Soms wordt de verborgen schat verbonden aan een bekend historisch figuur zoals de piraat William Kidd of Lodewijk van Nassau, maar de meeste schatten hebben geen duidelijke herkomst. Het voornaamste is dat de schat om welke reden dan ook in de grond zit en de focus ligt meer op het vergaren van deze rijkdom met alle obstakels van dien.

De grond, waarin deze kostbaarheden zich bevinden, wordt van oudsher tot het domein van de duivel gerekend. Alles wat zich in de grond bevindt, en volgens Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens specifiek drie voet (bijna een meter) onder de grond, zou dan ook toebehoren aan de duivel. In sommige vertellingen wordt de schat zelfs bewaakt door dit figuur, zo ook in de hierboven vernoemde sage over de schat van Mookerheide waar een rood mannetje de krijgskas uiteindelijk dieper de grond in laat zakken.

Als de schat niet door de duivel zelf wordt beschermd dan heeft het vaak andere beschermers of eigenaren. Draken, spoken, witte wieven, trollen en magische dieren zijn hier voorbeelden van. Er zijn zelfs vertellingen van piraten die één van hun mannen bij de schat vermoorden opdat diens geest de geldkist kan bewaken (Thompson motief E291.1). Maar ook in vertellingen zonder duidelijke beschermers wordt de schat door bovennatuurlijke elementen beveiligd.

Bij het schatgraven is een soort ritueel verbonden dat op het moment dat het niet wordt geëerd uitloopt op een mislukking. Schatten worden dan op magische wijzen verplaatst naar een andere plek of worden dieper de grond in getrokken. De meeste vertellingen over schatten mislukken dan ook, of omdat iemand de schatzoekers voor is geweest of omdat ze één van de regels van het schatzoeken hebben verbroken. De verhalen van type SINSAG 1266 – Das Heben des Schatzes, gaan specifiek over het verbreken van het zwijggebod. Dit type is ook universeel vertegenwoordigd en staat in de Thompson motieven index onder nummer C401.3. Tevens is zwijgen het meest bekende en overtreden gebod tijdens het schatzoeken.

De verhalen gaan vaak over schatzoekers die al hun geldkist hebben gevonden en deze succesvol met touwen of met de hand aan het ophalen zijn. Op het moment dat ze de schat bijna boven hebben verbreekt één van het gezelschap de stilte en glijdt de kist uit de touwen of handen van de schatzoekers. De consequentie is vaak dat de schat nog dieper de grond in zakt dan het voorheen had gelegen, met als gevolg dat het bijna onmogelijk is om die schat nog uit te graven.

Spreken tijdens het schatzoeken is dus uit den boze, maar in sommige vertellingen is elk menselijk geluid verboden. Volgens het Handwörterbuch kan lachen, niezen en hoesten hetzelfde effect hebben op het succes van de schatgravers. In de Nederlandse verhalen die terug te vinden zijn in de Verhalenbank komen deze varianten niet of nauwelijks voor. De meeste schatopgravingen mislukken omdat er iemand spreekt of vloekt. Ondanks dat zwijgen een bekende stipulatie is bij het schatzoeken is er geen algemene afbakening van de tijdsduur. Een Deense sage geeft aan dat men moet beginnen met zwijgen vanaf het moment dat ze naar de schat graven totdat ze thuis zijn aangekomen (DS_III_2256), terwijl een Nederlandse variant aangeeft dat het alleen tijdens het graven stil moet zijn. Het Handwörterbuch benoemt zelfs een tijdsduur van drie dagen maar er wordt niet vermeld of dat voor of na het schatgraven is.

De redenen waarom de mensen het gebod verbreken, zelfs wanneer ze van tevoren gewaarschuwd zijn, kunnen verschillen. Vaak vergeet iemand de zwijgregel uit euforie; de schat die onmogelijk was om te vinden of op te graven is bijna uit de grond, of zelfs al in de hand waardoor iemand overmoedig wordt en uit blijdschap roept “Ik heb hem”. De stilte kan ook worden verbroken doordat de schatzoekers een reactie wordt uitgelokt of omdat ze van schrik of angst een vloek uitslaan. Deze laatste twee verschillen echter van de eerste verbreking omdat de reactie van de schatzoekers van buitenaf beïnvloed wordt. De verbreking van de stilte is dan vaak een direct gevolg van de acties van de beschermende elementen van de schat. Zo vertelt een Deense variant over dieren die tijdens het graven plotseling verschijnen en rare trucjes doen waardoor iemand van de pret iets roept (DS_III_2292), en spreekt een Zweedse versie over een mysterieus figuur dat aangezien wordt voor een pastoor en eerbiedig aangesproken wordt (Lindow 266). Die schatzoekers hebben de beproevingen niet doorstaan en de schat gaat voor hun voor altijd verloren.

De verhalen waarbij de schatzoekers uit zichzelf, door blijdschap of ondoordachtheid het zwijggebod verbreken komen in de Nederlandse verhalenbank vaker voor. Deze verhalen lijken de boodschap te hebben dat hebberigheid, of eerder overmoed, geen goede eigenschap is en dus niet beloond wordt. De verhalen zijn een duidelijk voorbeeld dat men nooit zo arrogant moet zijn om te vroeg te juichen. Bescheidenheid en voorzichtigheid sieren de mens en leveren uiteindelijk meer op. De moraliserende aard van deze verhalen wordt versterkt op het moment dat de stilte verbroken wordt door een vloek en er komt ook gelijk een religieuze lading bij. Een interessante Nederlandse variant is De verloren schat uit Ittervoort:

Twee schepers hadden in een diepe sloot in het Vijverbroek tusschen Thorn, Ittervoort en Kessenich een grooten geldkoffer ontdekt. Met inspanning van al hun krachten hadden zij hem bijna boven water, toen een van de herders de wet van de stilzwijgendheid vergat en tegen den anderen zeide: "Wij hebben hem met Gods hulp boven!" 
De andere antwoordde: "Met God of niet met God, wij hebben hem toch!" Toen voelde hij eensklaps zijn armen verlammen; de koffer ontglipte hem, zoodat de andere moest loslaten, wilde hij niet in het water worden meegesleurd. De schat zonk weg in de diepte, dieper dan hij gelegen had en was niet meer terug te vinden
(KEMP178).

Hier wordt de stilte verbroken maar de schat verdwijnt pas op het moment dat de tweede herder reageert. Ook is het de tweede herder die gestraft wordt voor zijn opmerking. De eerste herder heeft dan weliswaar het zwijggebod verbroken maar zijn uiting was bescheiden opgesteld en eerbiedig naar God toe. De blasfemie van de tweede herder is in dit verhaal belangrijker dan de verbreking van het zwijggebod. Uiteindelijk is het resultaat wel hetzelfde en gaan beide mannen met lege handen naar huis.

De variatie met de vervloekingen komt in de Nederlandse versies vaker voor maar internationaal gezien ligt de nadruk op het spreken in het algemeen. Dit maakt duidelijk dat de versies met de vloeken er later bij zijn gekomen en niet de oorspronkelijke variant zijn van dit type.

De vraag is echter waarom de stilte tijdens het schatgraven vereist is. Natuurlijk heeft stilte en zwijgen connotaties met het religieuze en het spirituele. In het kloosterleven is zwijgen een essentieel onderdeel in de zoektocht naar goddelijke verrijking en kennis, en stilte staat ook gelijk aan bezinning en introspectie. Bovendien legt Kieran Flanagan uit dat de afwezigheid van woorden en geluid in rituelen de handelingen en de performance benadrukt. Deze benadering zou voor schatsagen betekenen dat de schatopgravingen mislukken omdat het ritueel door het verbreken van de stilte in zijn waarde wordt aangetast. Maar het zwijgen is ook een beproeving. Zoals Max Picard heeft gezegd: stilte stelt de mens op de proef. Alleen de mensen die zich kunnen inhouden en de stilte kunnen handhaven zijn waardig genoeg om de schat te bemachtigen.

John Lindow bekijkt het echter vanuit een ander perspectief. Hij geeft aan dat communicatie de basis is van de maatschappij en dat door het verbreken van de stilte de schatzoeker bevestigt dat hij nog deel uitmaakt van deze samenleving. De in stand houding van de samenleving is tevens ook een argument dat Lindow aanhaalt voor het falen van de schatopgravingen. Het plotseling vergaren van rijkdom zou een abrupte verandering in de sociale status van de schatzoeker veroorzaken wat de balans van de samenleving aan zou tasten. Door het falen van de schatopgraving blijft de toestand stabiel.

Literatuur

- Bönisch-Brednich, Brigitte. “Schatz”. Enzyklopädie des Märchens. Band 11. Walter de Gruyter: Berlijn, 2004.
- Bottigheimer, Ruth B. “Schweigen, Schweigegebot”. Enzyklopädie des Märchens. Band 12. Walter de Gruyter: Berlijn, 2007
- Flanagan, Kieran. “Liturgy, Ambiguity and Silence: The Ritual Management of Real Absence”. The Britisch Journal of Sociology. 36.2 (1985): 193-223
- Hurley, Gerald T. “Buried Treasure Tales in Amerika”. Western Folklore. 10.3 (1951): 197-216
- Lindow, John. “Swedish Legends of Buried Treasure”. The Journal of American Folklore. 95.37 (1982): 257-79
- “Schatz.” Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens. Band VII. Berlijn: Walter de Gruyter, 1935-36
- “Schweigen.” Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens. Band VII. Berlijn: Walter de Gruyter, 1935-36
- Scranton Simmons, Williams. Spirit of the New England Tribes: Indian History and Folklore, 1620-1984. UP of New England: Lebanon, 1986
- Tangherlini, Tim. Danish Folklore Data Nexus. <http://etkspace.scandinavian.ucla.edu/danishfolklore/#>
- Thomas, Keith. Religion & the Decline of Magic. Weidenfeld and Nicolson: London, 1971