Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

FABRICIUS2 - Klein Duimpje

Een sprookje (lp), zaterdag 01 januari 1972

220px-Jan_Fabricius,_by_Jacob_Merkelbach.jpg

Hoofdtekst

Lang geleden is er arme tukang kajoe. Hij verkoop hout en arang, maar slechte tijd en zeven kinderen. Eén nog maar heel klein, niet groter dan djempol. Daarom namanja Klein Duimpje. Zijn vrouw zegt tegen hem: “Soesah deze. Niet genoeg te eten voor zeven jongens. Wat moeten wij doen?” Hij zegt: “Ik weet ook niet, ja.” 's Nachts hij ken niet slapen, hij zucht en hij kreunt maar. Hij maakt zijn vrouw wakker, hij zegt: “Ik weet al, als jij ook wilt.” “Nou wat dan?” zegt zijn vrouw. “Ik ga diep diep in de bos, ik neem de kinderen mee en dan, als ze al niet meer weten waar. Ik smeer ‘em.” “Adoe, alleen in de bos, die kinderen. Hoe dan als wilde beesten komen? Matjan, toetoel, oelar besar.” Hij zegt: “Beroerd deze, ik weet wel. Maar apa buleh boeat, als toch niet genoeg geld.” Zijn vrouw, hij begint te huilen. “Adoe, adoe, Allah, kasian toch die kinderen.” Hij zegt: “Ja kasian, maar ik weet ook niet hoe anders”. En zijn vrouw, hij zegt: “Nou, soedah dan maar. Als moet, moet.” Maar Klein Duimpje, hij ligt wakker. Hij hoort alles, hij denkt: “Wacht maar, ik weet wel.” Volgende dag, als de tukang kajoe zegt: “Ajoh jongens, allemaal mee naar de bos.” Klein Duimpje, hij stopt handjevol stenen in zijn zak en telkens hij laat eentje vallen. En toen zijn vader hem gesmeerd, hij zegt: “Ha, tiada perdoelie, ik weet wel hoe weer terug naar huis. Kijk maar, daar een steentje, daar weer een steentje, daar weer een steentje.” Zo pienter toch Klein Duimpje. En ‘s avonds weer met al zijn broers voor de deur. Zijn vader kijkt op zijn neus. “Mana boleh, vanwaar jullie?” “Uit de bos vader.” “Hoe weten jullie te vinden?” “Nou zomaar vanzelf”, zegt Klein Duimpje. “Is d’r niks te eten” huilt zijn moeder. Zonder eten naar bed, kasian. Klein Duimpje kan weer niet slapen. Hij luistert door de bilik heen. “Was nog niet diep genoeg deze keer,” zegt de tukang kajoe tegen zijn vrouw. “Morgen nog verder, helemaal tot achter de berg.” “Nou wacht maar”, denkt Klein Duimpje, “ik weet al.” Maar volgende dag is d’r niet meer steentjes. Daarom, hij neemt handjevol rijst. Onderweg hij strooit hier een korrel, daar een korrel, daar weer een korrel. Maar de vogels, zij zien de nasikorrels en pikken hun buik vol. Toen de tukang kajoe ‘m weer gesmeerd, Klein Duimpje hij zegt: “Ha geeft niks, ik weet wel hoe naar huis terug. “ Maar alle korrels weg. Hoh soesah. De kinderen zij huilen. “Hoe dan nu Klein Duim? Als donker de wilde beesten komen. Ada takoet, saja maoe poelang, ik wil naar huis.” “Nou wacht maar, alles komt terecht,” zegt Klein Duimpje. “Allah zal ons helpen.” Zij lopen, zij lopen in de donkere bos, naar links naar rechts. Zij weten niet meer hoe. Eindelijk een licht. Een huis. Zij hollen naartoe. Was de huis van een boze reus. Een menseneter. Maar hoe kunnen zij weten? De reus gelukkig niet thuis. Alleen zijn vrouw en zeven dochtertjes. “Boleh masoek, mogen wij binnenkomen?” vraagt Klein Duimpje. “Boleh” zegt de vrouw van de reus, “maar gevaarlijk met mijn man, nanti hij vreet jullie op.” “Tjala, maar wat dan? In de bos ook gevaarlijk” zegt Klein Duimpje, “met al die wilde beesten.” “Nou goed dan, ik weet al hoe. Jullie maar in de bedjes van mijn zeven dochters. Mijn dochtertjes, zolang in de goedang, is d’r daar ook baleh-baleh op te slapen.” Zij pakt haar dochtertjes, legt ze op de baleh-baleh in de goedang. Klein Duimpje en zijn broertjes gauw in de bedjes van de zeven dochtertjes. Die vent komt thuis. “Ada lapar”, zegt hij, “ik rammel.” Zijn vrouw zegt: “Ik heb nasi en saté babi en adjar.” Hij snuffelt, hij zegt: “Ik ruik mensenvlees.” “Ken niet” zegt zijn vrouw. “Ken wel”, zegt hij, “je hebt zeker voor mij verstopt.” Hij pakt zijn piso blatti en gaat in de goedang kijken. Doordat donker in de goedang hij kan niet goed zien. Zomaar op de tast, hij slacht zijn eigen dochtertjes. Kasian, zij slapen, zij merken niets. Hij merkt ook niets. Hij vreet alle zeven op. Varken deze. De nasi hij lust niet eens meer. Hij gaat slapen met zijn dikke buik. Kasian, zijn vrouw helemaal kapot, maar zij durft niks te zeggen. Klein Duimpje weer alles gehoord. “Kom jongens, wij smeren ‘em. Ik weet al hoe.” Hij gebruikt zevenmijlslaarzen van de reus. “Pak mijn hand maar.” En zo door de lucht naar huis. “Hier zijn we weer vader. Door de oog van de naald deze keer,” zegt Klein Duimpje. De tukang kajoe kijkt zuur, want nog altijd geen geld, geen eten. Maar zijn vrouw blij, want je weet wel: moeder blijft toch altijd moeder, ja. En Klein Duimpje hij zegt “Geeft niks, ik weet al. Tjoba, ik neem zevenmijlslaarzen, ik ga naar de koning. Je zult wel zien, ik verdien veel geld, en dan zijn we allemaal rijk.” Zo gezegd, zo gedaan. Hij gaat naar de koning, hij zegt: “Koning, zevenmijlslaarzen deze. Niemand ken zo vlug als ik. Geef mij maar boodschap. Als ver, tra perdoelie, in één dag weer terug, zelfs als helemaal tot achter de bergen. Tot over de zee.” “Betoel?” zegt de koning. “Betoel! U zult zelf wel zien.” De koning geeft hem boodschap voor andere koning ver weg. Klein Duimpje in één uur alweer terug. De koning geeft hem veel geld. De tukang kajoe krijgt mooie baan in de kraton. Klein Duimpje wordt anak mas van de koningin en de koning stuurt soldaten om de menseneter een kopje kleiner te maken. Kasian de vrouw van de reus, haar man nu ook dood. Maar alle anderen blij. Zij leven lang en gelukkig. Alle.

Onderwerp

AT 0327B - The Dwarf and the Giant    AT 0327B - The Dwarf and the Giant   

ATU 0327B    ATU 0327B   

Beschrijving

Vanwege armoede en gebrek aan eten worden Klein Duimpje en zijn broers in het bos achtergelaten, De eerste maal mislukt de opzet, door een spoor van steentjes, maar een spoor van nasi wordt opgegeten door de vogels. Ze mogen overnachten bij de vrouw van een mensenetende reus, in de bedjes van de zeven dochters, Al de reus thuis komt zegt hij mensenvlees te ruiken, maar doodt en eet zijn eigen kinderen. Klein Duimpje en de broers ontsnappen door de Zevenmijlslaarzen en keren terug naar huis. Daar heerst nog steeds armoede, Klein Duimpje gaat naar de koning, bezorgt met de laarzen vliegensvlug een boodschap en wordt vorstelijk beloond, De vader krijgt een goede betrekking als houthakker, en Klein Duimpje blijft ook aan het hof. Soldaten gaan de menseneter doden.

Bron

Sprookjes op z'n Indisch, verteld door Johan Fabricius

Commentaar

Het sprookje wordt verteld in het Indisch-Nederlands. Woordenlijst:

toekang kajoe = houthandelaar
arang = houtskool
djempol = duim
matjan = tijger
toetoel = panter
oelar besar = grote slang
apa boleh boeat? = wat is er aan te doen?
tiada perdoeli = dat geeft niets
mana boleh? = hoe kan dat?
bilik = gevlochten bamboe
ada takoet = ik ben bang
saja maoe poelang = ik wil naar huis
boleh masoek = mogen wij binnenkomen?
nanti = straks
goedang = voorraadskamer
baleh-baleh = rustbed uit bamboe
ada lapar = ik heb honger
saté babi = saté van varkensvlees
atjar = zure toevoeging bij de rijsttafel
piso blati = groot soort mes
kraton = paleis
anak mas = lieveling (eigenlijk: gouden kind)

Naam Overig in Tekst

Klein Duimpje    Klein Duimpje   

Zevenmijlslaarzen    Zevenmijlslaarzen