Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VENUSWERK02 - EEN HEER DOOR ZYN MEID AARDIG BESCHETE

Een mop (boek), 1752

Hoofdtekst

EEN HEER DOOR ZYN MEID [p. 82]
AARDIG BESCHETE
Een Heer sprak tot zyn Meid: “Die slagt die is gedaan
En ’t vleesch hangt in den Rook, nu moet gy ’t wel verstaan
Dat zo haast Paaschen komt, gy ’t vleesch daar uit moet haalen.”
“’t Is wel, myn Heer,” zei Griet, “dat zal in ’t minst niet falen.”
Griet hield haar woord, want ’t was maar korten tyd daar naar
Zoo klopter aan de deur een slegten Bedelaar!
“Wat Duivel,” riep de Meid, “zou dat de Droes wel wezen?
Die daar zoo vinnig klopt?” “Neen gy hebt niet te vrezen,” [p. 83]
Riep Hans de Bedelaar, “’t is Paaschen, een goed man,
Die slegts met Bedelen zyn Koffie rapen kan.
Ik loop gescheurd, geplukt. En ga dus langs de deuren,
Hier krijg ik brood, daar spek, en ginter weer wat leuren
Of geld, uw bid ik om een stukje vleesch, Juffrouw.”
“Myn Heer heeft ook gezeid, dat ik ’t u geven zou,”
Sprak Griet, “zo haast gy kwam, nu kund gy u verblyje;
Daar hangt een ham of vier, en ginter nog twee zyen,
Daar hangt een stuk of drie Rookvleesch, daar hangt nog meer,
Komt haald het altemaal daer uit, hier is de Leer.”
Hy fluks de ladder op met zyn geplukte veeren,
En ’t Tuigje door de broek. “Wat hangt daar uit jou kleren?
’k Meen onder jou broek,” vroeg Griet, “wat droes is dat?
’t Lykt wel een worst. Die jou komt wassen uit jou gat.” [p. 84]
“Dat raaje niet, zottin. ‘k Sweer
‘k Sweer by de hond zyn poortje ,”
Zeî Hans, “’t is agterdogd.” “Komt, geeft my voor een oortje
Daar van,” sprak Griet. “’t Is wel,” zeî Hans , “wagt maar tot ik
Het vleesch heb uit de rook.” De meid was in haar schik.
Zy wierd van Hans berigt, en ’t smaakte haar ter degen:
“Nog eens,” zei zy, “ik heb nu regt aptyt gekregen.”
Daar ging ’t spel weer aan, Hans deed het andermaal.
Hy reê op Griet gelyk een ruiter zonder zaal.
“Nog eens, nog eens,” riep zy, “ik zal een blank spandere!”
Zy hield haar Hansje vast by zyn gescheurde kleeren.
Hy deed ’t derdemaal, en daar meê was hy ’t moe.
Griet gaf hem ’t vleesch, en ’t spek, met nog een blank daar toe.
Den Bedelaar vertrok, en Griet was wel te vreden.
Met een zo komt haar Heer ten huize ingetreden,
Hy zet zig by den haard, en kykt ter schoorsteen in. [p. 85]
Hy riep, en vroeg de Meid met een vergramde zin:
“Waar Duivel, Griet, is ’t vleesch?” “Wel. Paaschen is gekomen,”
Sprak zy; “Mijn Heer die heeft het alles meê genomen,
Zoo als gy hebt belast; hy is een schamel man
Die slegts met bedelen zijn Koffie rapen kan.
Hier op begon den Heer te vloeken, en te raasen:
“Gy hebt, jou beest,” zei hy, “gedaan gelyck de dwazen.
Ik zie, gy hebt nog in het minst geen agterdogd,”
“’k Doe wel, myn Heer,” sprak Griet: “’k heb voor een blank gekogt.”

Onderwerp

AT 1541 - For the Long Winter    AT 1541 - For the Long Winter   

ATU 1541    ATU 1541   

Beschrijving

Een boer hangt een wintervoorraad vlees in de schoorsteen en vertelt de meid dat het bestemd is voor Pasen. Als er een bedelaar langs komt, neemt de meid aan dat dit Pasen is en geeft veel vlees mee. Nieuwsgierig naar zijn geslachtsdeel laat de bedelaar haar daar ook driemaal mee kennismaken, al zegt hij dat het gaat om een ding genaamd Achterdocht. De boer is furieus en vraagt of ze dan geen achterdocht heeft? De meid zegt dat ze daar juist vandaag veel van gekocht heeft.

Bron

Het Reukwerk van Venus, zynde een verzameling van koddige Snakerytjes, zeldzamen Voorvallen, en uitmuntende Puntdichten.

Naam Overig in Tekst

Pasen    Pasen   

Griet    Griet   

Hans    Hans