Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VENUSWERK03 - ‘T VAARDIG ANTWOORD VAN DRIE EERLYKE JUFFVROUWEN.

Een mop (boek), 1752

Hoofdtekst

‘T VAARDIG ANTWOORD [p. 86]
VAN DRIE EERLYKE
JUFFVROUWEN.
Drie jonge juffertjes die zaten ’t zaam te smeren,
Ter plaatse daar men kan en broek en hemd vertere,
Den waard schonk helder op, en diste wakker aan,
Tot dat het Jufferschap ten laatsten sprak van gaan.
Den Hospes ging terstond zyn rekening ophalen:
En sprak; “Juffvrouwen ziet dit moet je eerst betalen,
Dit heb je t’zaam verteerd.” ‘Wel hospes ben je mal?
Den Heer hier boven leeft, die ’t uw betalen sal.”
Dus spraken deze drie: de Waard was wel tevreden,
Liep fluks de trappen op, en maakte lange schreden.
Juist was ‘er op die tyd een Heerschop
Die overal gelyk een Doctor wierd geëerd.
Den Hospes vroeg Myn Heer: “Zult gy ’t gelag betalen? [p. 87]
De Juffers zeggen dat ik het by uw moet haalen,
Al wat ‘er door haar drie te zaamen is verteerd.”
“Hoe Karel ben je gek? Je bent hier regt verkeerd,
’t Weet van de duivel nog zijn moer, ‘k ken geen Juffvrouwen
Wie zaterdag speld uw die leugens op de mouwen.
Loopt Karel,” sprak den Jeer, “en kust den smous zyn baart.
Maar hoord al evenwel, ik ben nog niet vervaard,
Laat ’t weze, wat het wil, kom laat de Juffers komen,
Fiat ik wagt haar hier, zy hebben niet te schroomen.”
Daar liep den Hospes heen, en zei de Juffers aan,
Dat zy met hem te zaam na boven zouden gaan.
Zy stonden alle drie gelyk een uyl te kyken,
Dog gingen evenwel met hem na boven stryken,.
Den Doctoor sprak haar: “Aan hoord juffers alle drie;
Ik zal ’t betalen, zoo ik heden hoor en zie,
Dat ieder een van uw in staat is op myn vragen [p. 88]
t’Antwoorden op het geen, ik hier voor zal dragen
En kund gy dat niet doen, zoo moet gy het gelag
Betalen, zooals gy het best betalen mag.”
De Juffers waren klaar, die vroeg hij hoeveel monden
Een ieder van hen had, en of zy ’t wel verstonde?
Het antwoord dat was ja, “Wel aan dan,” zeî de Heer:
“Elk antwoord op zyn beurd, gelyk als ik begeer.”
“Ik heb,” zeî Griet, “’er twee, één onder en één boven.”
“Wie is den oudsten dan?”vroeg haar den Heer. “’k Zou G’looven,”
Den onderste,” zeî Griet, want deze draagt een baard
En is voor steek, nog stoot in ’t minste niet vervaard.”
“’t Is wel geantwoord,” sprak den Doctor, laat de twede
Antwoorde: En met een kwam Truitje lief aantrede.
Zy riep: “Ik heb ‘er twee, zo wel als onze Griet,
Den eenen is bedekt, den and’ren men steeds ziet,
Wie dat den oudsten is, dat wil ik uw ook zeggen,” [p. 89]
Geen mensch en is in staat om ’t my te wederleggen
Het is den bovensten, vermits die tanden heeft,
En niet den ondersten, die maar by ’t zuigen leeft.”
Ten laatsten zoo kwam ook de zoete Kaat aantreden,
En sprak: “Ik heb ‘er twee, één boven, één beneden.
Den jongste zit om laag, en is een zuigend lam
Dat alle nagten nog moet Lurken aan de Mam.
Ik heb tot heden toe hem nog niet willen speenen,
Want ziet hy is gewoon steeds om de borst te wenen.”
“Gy hebt my,” sprak den Heer, “nu alle drie voldaan
Daar Hospes is’t gelag, kom laat de Juffers gaan.”

Onderwerp

AT 1355C - The Lord Above Will Provide    AT 1355C - The Lord Above Will Provide   

ATU 1355C    ATU 1355C   

AT 0921C* - Astronomer and doctor at farmer's house    AT 0921C* - Astronomer and doctor at farmer's house   

ATU 0921C    ATU 0921C   

Beschrijving

Drie meisjes zeggen dat hun rekening zal worden betaald door een heer boven. Deze ontkent maar wil wel betalen als ze zijn vragen beantwoorden. Hoeveel monden hebben ze, en welke is de oudste? De meisjes zeggen twee monden te hebben, maar geven verder uiteenlopende antwoorden. De onderste is het oudst (heeft baard) of juist het jongst (zuigt, geen tanden), De heer is tevreden met de antwoorden en betaalt het gelag.

Bron

Het Reukwerk van Venus, zynde een verzameling van koddige Snakerytjes, zeldzamen Voorvallen, en uitmuntende Puntdichten.

Naam Overig in Tekst

Karel    Karel   

Truitje    Truitje   

Kaatje    Kaatje   

Grietje    Grietje