Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CBAK0232

Een sprookje (mondeling), woensdag 02 oktober 1901

Hoofdtekst

Maar nou moet ik toch weer eens een roovergeschiedenis vertellen. Er was eens een kapitein die erg rijk was. Hij had uitgestrekte landerijen en wanneer hij nu van de reis thuis kwam, dan maakte hij altijd van zijn vacantie gebruik om de pacht te innen. Nu kon hij twee wegen gaan: in de eerste plaats langs een omweg en ten tweede langs een korteren weg, maar die was onveilig en liep door een bosch heen.
Op een goede keer was het schip genoodzaakt langer dan gewoonlijk weg te blijven en schreef de kapitein een brief aan den rentmeester, dat hij op den gewonen tijd het geld maar moest innen. Hiermede stelde hij zijn vrouw natuurlijk ook in kennis en toen dan de rentmeester gereed stond op reis te gaan, verklaarde zij dat zij met hem mee wilde. Dat vond die natuurlijk goed, maar toen zij verklaarde liever niet door het bosch te willen gaan en veel liever den langen maar veiligen weg wilde bewandelen, was de rentmeester hiervoor niet te vinden: ten eerste om het tijdverlies, en ten tweede om de noodzakelijke onkosten. Hij zou wel zorgen dat hij goed gewapend was en zoo liet zij zich overhalen.
Nou, in de heenreis ging alles goed, en de rentmeester zei: "Ziet u nu wel dat er schandelijk overdreven is. Er is geen gevaar en we kunnen weerom wel weer door het bosch gaan."
"Och," zei zij: "Doe dat nu liever niet; nu hebben we geld bij ons, en het is al zooveel later."
Maar alweer liet ze zich bepraten. De rentmeester droeg dus het geld in een mandje aan zijn hand en zij wandelden samen het bosch in. Toen ze een goed stuk hadden afgelegd, kwam er opeens een man op hen afschieten.
"Hè," zei die, "wat ben ik blij dat ik menschen zie; ze vertellen hier zukke rare dingen, en pas verbeeldde ik mijn eigen al dat ik gillen hoorde. Wat is het hier toch schril. Ik ga maar met jelui loopen..." enzovoort, enzovoort.
Tenslotte werd de rentmeester kwaad en zei: "Kerel, schei toch uit met je praatjes. Zie je dan niet dat je die juffrouw erg bang maakt?"
Zoo liepen ze dan met hun drieën voort. Maar even later kwam er weer een kerel en die [zei] ook al weer dat het zoo eendelijk daar was, en dat hij blij was, dat hij menschen zag enzovoort, enzovoort. De rentmeester kreeg het mooi benauwd. Doch daar kwam een derde ook alweer met dezelfde complenatie.
Op 't laatst zei der een: "Wat draag je daar toch? Het lijkt wel zwaar te wezen. Wil ik het ers dragen?"
"O, daar is niks in," zei de rentmeester: "Ik ken het best tillen."
"Ja maar," zei de ander, "je most toch ers zegge wat er in was."
Toen dacht ie: nou is het míjn tijd, en de rentmeester ging met zijn rug tegen den boom aan staan, plaatste het mandje voor zich en zei: "Nou, als jelui het dan weten wilt: het zit vol geld, en wie het niet gelooven wil, die moet zelf maar kijken."
"Das goed," zei de eerste en bukte zich naar het mandje, maar meteen gaf de rentmeester hem met een dubbeltje dat hij tusschen zijn vingers had zoo een snee over zijn gezicht dat zijn tong zijn mond uithing.
"Dat zel je mijn niet lappe," zei de tweede, doch toen hij naar het mandje greep, kreeg hij zoo een snee in zijn nek dat hij voor Jaffa lag.
Daarop ging de derde op de loop, en de rentmeester met de juffrouw hard loopend naar huis. Maar dat is eens geweest, maar nooit zijn ze weer met zooveel geld 's avonds het bosch doorgegaan.

Onderwerp

SINAT 0999 - Andere Räubergeschichten    SINAT 0999 - Andere Räubergeschichten   

Beschrijving

Een kapitein heeft uitgestrekte landerijen waarvan hij de pacht int als hij thuis is. Op een keer loopt het schip vertraging op, en krijgt de rentmeester opdracht de pacht te innen. De vrouw van de kapitein gaat met de rentmeester mee. De rentmeester heeft zich bewapend, zodat ze de kortere maar gevaarlijker weg door het bos kunnen nemen. Op de terugweg voegt zich een man bij hen, die beweert dat hij erg bang is. Een tweede man en een derde man voegen zich bij hen. Als de mannen beginnen te informeren naar de inhoud van het mandje van de rentmeester, begrijpt hij dat het op een beroving gaat uitdraaien. Hij zet het mandje neer, zegt dat er geld in zit, en nodigt de mannen uit erin te kijken. Met een scherp dubbeltje geeft de hij de eerste man een snee over zijn gezicht, en de tweede man een snee in zijn nek. De derde man slaat op de vlucht. De rentmeester en de vrouw rennen naar huis, en nemen in de toekomst nooit meer de kortste weg.

Bron

Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)

Commentaar

2 oktober 1901
Andere Räubergeschichten

Naam Locatie in Tekst

Jaffa    Jaffa   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21