Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CBAK0236

Een mop (mondeling), woensdag 02 oktober 1901

Hoofdtekst

Gusteravend skoot me ook nog een mooi moppie te binne.
Deer was ers een weduwe, in die had al twee kindere verlore, in der man, maar ien zeun had ze over en die was niet regt snik, of liever ezeid: het was soms of ie ze niet recht allemaal bij mekaar had.
Nou had die weduwe een varken. Een best beessie.
Dat groeide toch zoo lekker, dat ieder al teuge der zei: "Ik zou het maar der es verkoope."
"Nee," zei ze dan, "ik wacht tot dat ik er een mooi stuivertje geld voor ken krijge."
Eindelijk was ze den toch beslote, en toe most her zeun der mee na de marrekt. Maar wat wil het geval?
Hij komt drie studenten teuge en die vrage: "Waar gaan jij na toe?"
"Na de marrekt," zeit ie.
"En wat moet je deer doen?" zegge zullie weer.
"Nou, me varke verkoope, en ik moet er een mooi stuivertje geld voor make."
"Dat ken je van ons wel krijge," zegge ze.
"Das goed," zeid ie, en hij kreeg een mooi nieuw stuivertje.
Hij mooi blijd op huis af, maar zen moeder was er lang niet over esticht.
Ze speulde op as de rook: "Zukke bedriegers, zukke afzetters," en hoe hij hem zoo op de hak kon late neme en veul en niet genog.
Op 't lest zeit ie: "Ik zel ze wel kraaige, moeder. Geef mijn de kater maar."
Hij doen hem in een zak, en hij vort naar de marrekt. Gevallig komt ie die lui weer teuge.
"Waar [gaat] dat na toe, jonge?" zegge ze.
"Naar de marrekt," zeit ie.
"Wat heb je deer?"
"Dat most jullie ers weten."
Metien grepe ze an de zak en poes begon onrustig te worde.
"Het is een beest," zeide ze.
"Miauw," zei poes.
"Nou, maat, we wete genog," zeide ze: "Het is een kat."
"Mis, mannen," zeidie: "Wedde om een tientje, dat het geen kat is?"
Nou, omdat zullie zeker van der zaak ware, zeie ze: "Das goed."
Hij de zak ope.
"Zie je wel dat het een kater is."
Hij kreeg zijn tientje en hij op huis af.
"Heje de kat verkocht?" zei moeder.
"Ja, en ik heb er een tientje voor ekrege."
"Podorie, jij kent het."
"Ja," zei die, "en ik moet nog meer hebbe."
Nou sliep ie altijd bove, en avond an avond deed ie as ie wat doen most dat in een groote pot, net zoo lang tot dat de pot driekwart vol was. Toe spande ie er een blaas over en hij naar de marrekt. De studenten ware er ook weer.
"Waar kom je nou weer mee?" zeide ze.
"Nou," zeidie, "das wat bizonders. Das dure waar. Dit is een pot, deer zit de geest der profetie in."
"Wat is dat?" zeije ze.
"Ja," zeidie, "dat is gemaakt van menschepeper: as je de blaas stuk make en je stikt er je hand in, dan krijg je de gave der profecie."
"We koope het," zeie ze.
"Ho, ho," zeidie, "dat zel wel te duur weze, want [voor] minder dan ƒ50 geef ik het niet."
"Allé dan, maar dit grappie motte we dus hebbe."
En hij met 50 guldetjes op moeder af.
Toe de studente in de herberg kwame, woue ze der toch wel ers kaaike wat er in zat en ieder wou het eerst er van profeteere. Ze tikke ders op de blaas, al harder en harder zoodat de eerste er op laast zijn vinger deur stak. Maar omdat de pot niet heelemaal vol was merkte die niks.
"Zoo mot je doen," zeit de aar, en hij neemt zijn vuist, slaat de blaas stuk en steekt zijn volle arm in de str[ont].
"Pot hier en ginter," riepe ze, "dat zelle we hem betaald zette."
En zullie op weg naar zijn huis. Nou, ze hadde al gauw uit evonde weer ie woonde en zullie er na toe.
Maar de jonge die deer wel bang voor was, had al zitte kijke, en toe ie ze in de verte an zag komme, zeidie: "Nou is het mis, moeder. Nog zelle ze me te graze neme, maar das niks. Ik klee me gauw uit en gaan bove te bed, dan mot jij me met lakes toedekke, en zegge dat ik dood ben."
Nou, dat beurde natuurlijk.
"Is je zeun thuis?" vroege de studente.
"Ja, heere," zei de vrouw, "hij is wel thuis, maar o, het is zoo naar met hem: hij heb het net af eleid. O, o, wat moet ik beginne? Zoo'n goeje kostwinner! O, heere, hij wist zooveel geld te verdiene."
"Ja, ja," zeie ze, "dat wille [we] wel loove. As ie alle mensche zoo bij het lijf neemt net as ons. Weer is ie?"
"Bove heere."
"Den moete we ders kijke."
"Gaan je gang, heere, maar doen voorzichtig."
Zullie naar bove. Ze bekeke num, ze aaide hum ers, ze stoote ders, maar er kwam geen leve in. Eindelijk draaide ze hum om, dus toe ging zen mond ope.
"Ik weet wat," zei die, die ie zoo te pakke ehad had: "We moste hem nog wat gave der profetie mee in de kist geve."
En metien streek ie z'n broek af.
"Das goed," zeie de andere.
Dus hij gaat zitte. Maar net as ie z'n gat bove de dooie z'n mond had, bijt die hem in zijn kont, dat ie niet wist waar ie het had.
"Au, au," roept die, "Vort manne, want nou begint de dooie weer levendig te worre."
En zullie allemaal verschrikt de trap af.
Of zijn moeder en hij schik hadde.

Onderwerp

AT 1539 - Cleverness and Gullibility    AT 1539 - Cleverness and Gullibility   

ATU 1539    ATU 1539   

Beschrijving

Jongen verkoopt varken waarvoor zijn moeder een mooi stuivertje wilde hebben, aan studenten voor een mooi nieuw stuivertje. Hij pakt ze terug door voor veel geld met ze te wedden dat hij geen kat in de zak heeft en hun een pot met poep te verkopen als een pot waar de gave der profetie in zit. Ze komen verhaal halen, maar hij ligt voor dood op bed, en hij bijt de man die in zijn mond wil poepen in zijn achterste. De mannen denken dat hij weer levend is geworden en vertrekken.

Bron

Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)

Commentaar

2 oktober 1901
Zie ook CBAK0357 en CBAK0467.
Cleverness and Gullibility

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21