Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CBAK0244

Een sprookje (mondeling), november 1901

46.jpg

Hoofdtekst

Daar was er es een arm landedelman die twee zonen had. Toen hij stierf, liet hij aan beide zonen niets achter dan een groote kist. Zij maakten hem open en vonden daarin een hoedje en een fluitje. Nadat de een het hoedje en de ander het fluitje had genomen, gingen zij naar een herberg en besloten daar ieder huns weegs te gaan, terwijl ze elkaar na een jaar weer in de herberg zouden ontmoeten.
Voor de grap blies de eerste op zijn fluitje en dadelijk kwam er een mannetje die vroeg wat hij begeerde.
"O, als ik het maar om het zeggen heb, geef me dan een zak met goud," zei hij, en het werd hem dadelijk verstrekt.
"Dat is lollig," riep nummer twee en zwaaide met zijn hoedje: "dat is een kostelijk fluitje."
Maar net zoodra had hij gezwaaid, of er kwam weer een mannetje die hetzelfde vroeg. Ook hij begeerde een zak met geld. Toen hij het ontvangen had, besloot hij een boerderij te koopen en op het land te gaan wonen, terwijl de ander liever zijn schreden naar de stad richtte.
In de stad aangekomen, zag hij een prachtige koets met paarden waarin de koning met zijn dochter was gezeten. Dadelijk blies hij op zijn fluitje en op den vraag wat er van zijn begeeren was, eischte hij een nog mooiere koets met paarden. Deze kwam en hij ging uit rijden.
De koning en zijn dochter werden jaloersch en lieten een gouden koets maken. Dadelijk zorgde hij, dat hij een nog mooiere kreeg vol edelgesteente. Dit verdroot de koningsdochter, maar daar zij vonden, dat het toch maar beter was die man tot vriend dan tot vijand te hebben, moest hij aan het hof komen.
Daar werd hij minzaam ontvangen en de koningsdochter was zoo lief tegen hem, dat hij tenslotte op haar verliefde. Toen zij hem goed onder haar macht had, vroeg zij waar hij al die schatten vandaan haalde. Eerst wilde hij dat niet zeggen, doch tenslotte toonde hij het fluitje. Zij verzocht of ze er ook eens op fluiten mocht. Dit werd eerst geweigerd, doch tenslotte toegestaan. Dadelijk kwam er een kereltje aan, maar de koningsdochter verzocht den vent weg te jagen. Dat gebeurde.
Diep bedroefd en berooid ging hij naar zijn broer toe en vroeg of hij het hoedje eens mocht leenen om het fluitje weer in zijn bezit te krijgen. Dat werd toegestaan. Weer spreidde hij alle macht ten toon, weer kwam hij aan het hof, weer werd hij verliefd en wist het zoover te krijgen, dat hij zijn fluitje weerom zou krijgen. Dat zou hij evenwel krijgen, als de koningsdochter eens met het hoedje mocht zwaaien. Zonder erg liet hij dat toe. Het kereltje kwam en ten tweede male werd hij verbannen.
Mistroostig ging hij naar het bosch met het vaste plan om zich op te hangen. Hij lei zich vooraf te slapen onder een boom en zag daar in de buurt twee boomen: de een met groote peren, de ander met heele kleine. Hij at drie van de groote op, doch kreeg toen een neus zoo groot als een boom. Hij moest zelf lachen, bekeek zich in het water en wist zich geen raad. Ten slotte at hij drie van de kleine peren, en toen werd zijn neus weer klein.
Dat is aardig, dacht hij, maar nu hang ik mij niet op. Ik ga er mee naar het hof. Toen hij bij de stad kwam, ruilde hij zijn mooie pak met het pak van een bedelaar en bood zijn peren in de stad te koop aan, maar hij vroeg zulk een groote som, dat niemand ervan kon koopen als de koning. Aangezien de koningsdochter erg snoeplustig was uitgevallen, at ze dadelijk drie groote peren en kreeg een kolossaal groote neus.
De dokters werden geraadpleegd, maar niemand die er met zalfjes of pillen raad voor wist. Vreemde doktoren werden geraadpleegd zonder succes. Toen meldde zich onze jonker aan, heel deftig gekleed als een vreemde dokter. Hij onderzocht de koningsdochter en kwam tot het resultaat dat zij onrechtvaardig verkregen goed bij zich had. Eerst geloofde men het niet, doch tenslotte bekende zij dat zij een hoedje had. Toen gaf hij haar twee van de kleine peren en de neus werd kleiner, maar nog niet heelemaal goed.
"Ik begrijp het niet," zei de jonker: "Dan moet ze nog meer onrechtvaardig goed hebben."
En nu kwam er uit, dat ze ook het fluitje had. Ook dat werd hem ter hand gesteld en nu kreeg zij de tweede peer zoodat de neus weer normaal werd.
Met geschenken overladen, verliet hij het hof. Maar omdat hij boos was op de koningsdochter, besloot hij zich te wreken en gaf haar bij zijn afscheid nog een pap, gemaakt van drie fijngewreven groote peren. Toen hij dan weg was, werd haar neus weer groot.
De koning was boos op den bedrieger. Hij zond hem een leger achterna. Juist was hij bij zijn broer op de boerderij, toen hij het leger zag aankomen. Zij bliezen en zwaaiden. Weer werd gevraagd wat ze begeerden en zij verlangden een leger, grooter en machtiger dan dat van den koning. Dat gebeurde. De koning werd verslagen en de koningsdochter bleef achter, arm en verloren met een grooten neus. Dat was haar straf.
(Meedegedeeld door mevrouw Schoemaker en haar broeder, beide uit Zeeland geboortig. In hun jeugd door hun vader verteld en onthouden).

Onderwerp

AT 0566 - The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)    AT 0566 - The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)   

ATU 0566    ATU 0566   

Beschrijving

Twee zonen erven een toverfluitje en een toverhoedje. Als ze op het fluitje blazen of met het hoedje zwaaien, vervult een mannetje hun wensen. Beide vragen een zak met goud. De ene broer koopt een boerderij, de ander gaat met het fluitje naar de stad. Als de koning en zijn dochter in een koets voorbijrijden, wenst de jongen tot tweemaal toe een mooiere koets. Uiteindelijk mag hij aan het hof komen, wordt verliefd op de prinses en zij palmt hem in. Ze ontfutselt hem het fluitje, blaast en beveelt het mannetje om de jongen te verjagen. De jongen haalt bij zijn broer het hoedje. Weer aan het hof raakt hij ook het hoedje kwijt en wordt weer verjaagd. In het bos Waar hij zich wil verhangen vindt hij bomen met grote en kleine peren, die de neus doen groeien en krimpen. Bij verkoop van de peren aan het hof kiest de prinses voor de grote peren waarop ze een enorme neus krijgt. Geen dokter weet er raad op, maar de jongen, verkleed als dokter, constateert dat ze onrechtvaardig verkregen goed bezit. Als zij fluit en hoedje teruggeeft, krijgt zij de kleine peren, waardoor haar neus weer krimpt. Uit wraak laat hij een papje van fijngewreven grote peren achter, waardoor de neus van de prinses weer groeit. De koning stuurt een leger achter de jongen aan, maar dat wordt verslagen door het grotere leger dat de jongen en zijn broer is gevraagd. De prinses blijft arm en met een grote neus achter.

Bron

Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)

Motief

N821 - Help from little man.    N821 - Help from little man.   

D1470.1 - Magic wishing-object.    D1470.1 - Magic wishing-object.   

D1376.1 - Magic object makes nose long (restores it.)    D1376.1 - Magic object makes nose long (restores it.)   

Commentaar

brief november 1901
Het verhaal wordt in feite verteld door mevrouw en meneer Sevenhuysen, die zus en broer zijn. In haar jeugd in Brouwershaven door haar ouders verteld.
Zie onder "Beeld" een foto van het echtpaar Schoemaker en Bakker.
Publicaties:
- G.J. Boekenoogen: 'Nederlandsche sprookjes en vertelsels', in: Volkskunde 14 (1901-1902), p.234-238.
- J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p.50-55.
The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21