Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CBAK0383

Een sprookje (mondeling), donderdag 02 april 1903

Hoofdtekst

In Brussel woonden vroeger twee rijke jonge meisjes. Die kregen verkeering met twee jongens. Toe ze zoowat een half jaar verkeerd hadden, wouen de jongens graag hebben dat de meisjes ers op erlui kasteel kwammen, want ze wazzen erg rijk. Eerst hadden ze der niet veel zinnigheid in, maar op lest gavve ze toch toe.
Toe kwam op een goede dag een mooie koets voor om erlui af te halen. Maar het eene meisje was ziek en kon niet mee, dat de ander die gong maar allien. Nou reed de koetsier de stad uit, het eene bosch in en het andere uit, en der leek wel geen end an te komme. Toe begon het meissie benauwd te worre, dat ze keek er es uit, en toe schrok ze erg, want ze zag dat de koetsier moordtuigen in zijn zak had. Wat most ze nóu doen? Ze vroeg of ie ho wou houden en of ze bij hem op de bok mocht zitten, want dat ze het zoo warm had.
"Dan zel je verkouden worre, juffrouw," zeidie.
"Nou, dat hindert niet."
Pas zat ze bij hem, of ze haalde er schaartje uit haar zak en knipte zijn strot door. Maar wat tóe? Nou had er vrijer zoo een bietje uit eduid waar ie woonde, dus ze loper na toe. De poort stong open. Ze zag prachtige kamers, maar er was gien mensch in. In de eerste kamer hingen allemaal vrouwekleeren. In de tweede was het vol met goud en edelgesteenten, maar toen ze in de derde kwam, schrok ze, want daar stong een bijl met een hakblok. Juist wou ze terug gaan, toe ze in de verte de twee vrijers zag ankomen, ieder met een meisje an derlui arm.
Dat is raar, docht ze, ik zel me verschuilen. Dat ze kroop onder een kast. Toe ze daar zat, zag ze dat de vrijers de meissies nakend uitkleedden en op het hakblok lagge. Ze hakte ze heelemaal an stukken. Een vinger met een ring er an vloog onder de kast.
Nou ben ik verloren, docht ze.
Maar nee: ze mosten die niet iens. Ze stak den vinger in der zak en toen zullie weggongen, maakte zij dat ze uit de kattenvoeten kwam.
Toe ze thuis kwam, vroege her vader en der zuster of ze pleizier ehad had.
"Erg," zei ze, maar meer wou ze niet zegge.
Een week later kwame de vrijers weer naar Brussel. Ze vonden het wel vreemd dat erlui koetsier vermoord was, maar ze konnen niet denken dat erlui meissie dat gedaan had.
Toe ze goed en wel zatten, zei het meisje teugen der vader: "Nou zel ik je vertellen, hoe het me gegaan is. Maar laat eerst poliesie halen."
Die kwam, en toe vertelde ze alles en haalde de vinger met de ring uit er zak. De vrijers wiere inerekend. Maar vreemd: het kasteel hebben ze nooit terug kennen vinden.
En toch is dat later door een toeval ontdekt. Een koopman, die veel geld bij hem had, was in dat bosch verdwaald. Hij had honger en dorst en wou graag slapen. Toe kwam ie een arme jongen tegen.
"Weet jij de weg hier, jongen?"
"Ja wel, daar en daar staat een kasteel, maar als je daar overnachten wilt, kost [dat] veel geld."
"Nu, dat hindert niet. Ik zel wel voor jou betalen ook."
Ze gongen er dan na toe en klopte an. Een oud wijf daan open.
"Kenne we hier lozeeren?"
"Jij wel," zei ze tegen de koopman, "maar die aar moet maar na zijn soort gaan."
Hij most maar op een bank gaan zitten.
Toe ze effen weg gong, zei de koopman teugen de jongen: "Ga jij maar onder de bank liggen."
Die daan het natuurlijk. Het wijf kwam met eten terug en de koopman at smakelijk. Toe ie zijn eten op had viel ie in slaap. Het wijf zag dat. Ze gong naar achteren, haalde een bijl en hakte zijn kop af. Toe nam ze zijn gordel, snee die open en allemaal goudstukken vielen op de tafel. Omdat het zeker meer was, dan ze gedacht had, gong ze effies weg om een zak te halen. Van die gelegenheid maakte de jongen gebruik om zijn zakken te vullen.
Ze streek het geld op en gong toe de koopman begraven. Maar toe docht de jongen: nou is het mijn tijd, en die smeerde num. Hij na de pelisie. Deer vertelde nie alles en toe ze hem niet geloove woue, haalde die handen vol geld uit zijn zak.
"Das allemaal wel goed," zei de commissaris, "maar na dat kasteel zoeken we maar niet meer, want dat vind je toch niet."
"Dan zal ik je er brengen," zei de jongen.
Die gong erlui dus voor. Ze hebbe het huis omsingeld, de lui gevangen genomen en het huis verbrand.
(Uitdam)

Onderwerp

AT 0955 - The Robber Bridegroom    AT 0955 - The Robber Bridegroom   

ATU 0955    ATU 0955   

Beschrijving

Van twee rijke zusters die verkering met twee jongen hebben, gaat één naar het kasteel van de jongens. Onderweg snijdt ze met een schaartje de koetsier de keel af, want ze heeft gemerkt dat hij moordwapens bij zich heeft. Ze gaat naar het kasteel, gaat naar binnen en ziet in de eerste kamer vrouwenkleren, in de tweede goud en edelstenen en in de derde een hakblok met een bijl. Het meisje kan niet meer wegkomen omdat ze de jongens met iede een meisje ziet aankomen. Ze verschuilt zich onder een kast, en ziet hoe de jongens de meisjes uitkleden, op het hakblok leggen en in stukken hakken. Het meisje pakt een vinger met een ring die onder de kast rolt op, en ze vlucht als de jongen zijn vertrokken. Als de jongens weer komen zegt ze haar vader de politie te halen, waarna ze alles vertelt en de vinger met de ring laat zien. De jongens worden gearresteerd. Het kasteel is nooit teruggevonden.

Bron

Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)

Motief

H57.2.1 - Severed finger as sign of crime.    H57.2.1 - Severed finger as sign of crime.   

Commentaar

2 april 1903
Informant uit Uitdam (90 jaar oud)
Zie ook publicatie G.J. Boekenoogen: `Nederlandsche Sprookjes en Vertelsels', in: Volkskunde 18 (1906), p.31-33.
The Robber Bridegroom

Naam Locatie in Tekst

Brussel    Brussel   

Plaats van Handelen

Brussel (België)    Brussel (België)   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21