Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

EDJSL041 - Schinderhinke

Een sage (boek), 1980

Hoofdtekst

Schinderhinke
In de donkere bossen rond Venlo hield vroeger een beruchte roversbende huis. Hun aanvoerder was Hinke, de zoon van een paardenvilder of schinder. Vandaar zijn bijnaam, Schinderhinke. Zijn vrouw, Zwarte Trui, was een zigeunerin, die haar man op zijn tochten gewapend met pistool en dolk vergezelde.
Vaak lag de bende op de loer tussen de Mergelstraat en het dorp Steil, waar de weg naar Belfeld door een smal dal loopt. Als zich daar een reiziger vertoonde, versperden de rovers de beide uitgangen van het dal en overvielen hun slachtoffer. Zij beroofden hem van zijn bezittingen en dikwijls namen ze hem mee naar een van hun schuilplaatsen.
Wie niet bereid bleek of in staat was losgeld te betalen, werd met een steen om zijn nek in de Maas gegooid.
De enige die met een gerust hart over deze weg van Steil naar Belfeld kon gaan, was een oude pater. Hij was altijd aanwezig bij de terechtstellingen op de Maagdenberg om de terdoodveroordeelden in hun laatste ogenblikken bij te staan.
Op een dag reed hij in een koetsje over de Meerlose hei naar Venray, toen opeens een bandiet met een pistool achter een struik vandaan sprong en riep: "Halt! In naam van Schinderhinke."
"De sterren schijnen helder," antwoordde de pater.
Dat was het wachtwoord, dat Hinke hem had gegeven. Maar deze rover wist niets van een wachtwoord of vrijgeleide.
"Breng me dan maar bij Hinke," zei de pater.
Een paar dagen eerder was een van de rovers opgeknoopt, en de bende vierde zijn begrafenis. Bij het zien van de koets, kwam Hinke naderbij.
Hij verwelkomde de pater en zei: "Kom, drink wat met ons en dans eens met mijn Trui."
"Daar ben ik te oud voor, Hinke," zei de pater en streek door zijn baard.
Maar het bier liet hij zich goed smaken.
Bij zijn vertrek wenste hij de roverhoofdman het beste, en zei dat hij hem nooit op de Maagdenberg hoopte te zien.
Het liep anders.
Een paar maanden later moest Hinke, met een schot in zijn been, onderduiken op het Hulsterhof. De justitie zat hem op de hielen. De boer, bij wie de rovers dikwijls proviand insloegen, had het allang niet meer op hen begrepen.
"Nee, ik heb Schinderhinke in tijden niet gezien," zei hij met luide stem, maar tegelijkertijd wees hij met zijn duim naar de regenton, waar Hinke verborgen zat.
De roverhoofdman, die onder het deksel door gluurde, zag hoe hij werd verraden.
"Je spreekt als een eerlijk man, maar je wijst als een schurk," zei hij tegen de boer, terwijl hij zich overgaf.
Schinderhinke werd op de Maagdenberg geradbraakt, en zijn vrouw werd er met acht anderen opgehangen.
Maar lang na zijn dood vreesde men hem nog meer dan bij zijn leven.
Als de avond was gevallen kon je aan de voet van de Maagdenberg soms een licht zien, dat langzaam heen en weer bewoog, als een door vuurvliegen omgeven lantaarn.
Wie dichterbij kwam, ontwaarde de donkere gestalte van een man met een breedgerande hoed, uit wiens verwilderde baard vonken sprongen als hij zijn mond open deed. Hij werd van binnen door laaiend vuur verteerd.
Na verloop van tijd steeg die gloed hoger en hoger. Dan beklom Schinderhinke de heuvel, waar hij zijn leven had geëindigd, en keek uit over het land dat hij in zijn greep had gehouden.Een molenaarsknecht die met paard en wagen laat op weg was naar huis, zag hem daar op een avond staan.
Hij was vreemd in de streek en kende de vuurman alleen van horen zeggen.
In zijn jeugdige overmoed riep hij: "Hé, Hinke, geef eens een vuurtje!"
Schinderhinke kwam zo snel naar beneden dat het leek of er een vuurbol uit de lucht viel.
Het paard had de zweep niet nodig. Het sloeg op hol. De knecht wist zich met moeite op de kar staande te houden.
Zo stormden ze het erf van de molen op, regelrecht naar het gapende gat van de grote schuur. De knecht had nog net tijd om van de wagen te springen en de deuren achter zich in het slot te gooien.
Een ogenblik werd de schuur tot in de verste hoeken verlicht. Er klonk een dreunende slag.
Schinderhinke bonkte in machteloze woede op de deuren.
De volgende morgen zag men dat in de schuurdeur de koolzwarte afdruk van een hand was gebrand.
(Limburg)

Onderwerp

SINSAG 1301 - "Sie sprechen wohl gut, aber sie weisen verkehrt."    SINSAG 1301 - "Sie sprechen wohl gut, aber sie weisen verkehrt."   

Beschrijving

Een rover wordt na zijn dood nog meer gevreesd dan bij zijn leven. Zijn donkere gestalte wordt van binnen door vuur verteerd. Op een nacht komt de gestalte zo snel van een berg naar beneden, dat het lijkt alsof er een vuurbol uit de lucht valt. De volgende dag staat er een koolzwarte afdruk van een hand in de deur gebrand.

Bron

E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen. Bussum 1980, p. 106

Commentaar

1980
Bron: J.R.W. Sinninghe: Nederlands sagenboek, Den Haag 1976, pp. 27-30
Sie sprechen wohl gut, aber sie weisen verkehrt.

Naam Overig in Tekst

Schinderhinke    Schinderhinke   

Zwarte Trui    Zwarte Trui   

Maagdenberg    Maagdenberg   

Meerlose Hei    Meerlose Hei   

Hulsterhof    Hulsterhof   

Naam Locatie in Tekst

Venlo    Venlo   

Hinke    Hinke   

Mergelstraat    Mergelstraat   

Steil    Steil   

Belfeld    Belfeld   

Maas    Maas   

Venray    Venray   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20