Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SINVS016 - Het toverhoedje en het toverfluitje

Een sprookje (boek),

Hoofdtekst

HET TOVERHOEDJE EN HET TOVERFLUITJE
Er was eens een landedelman die twee zoons had; hij was zo arm, dat zijn kinderen na zijn dood niets anders in huis vonden dan een grote, grote kist. Zij braken die kist open om te zien wat die bevatte. Maar de kist was leeg; alleen op de bodem lagen een oud hoedje en een fluitje.
"Veel is het niet," zeiden ze tot elkaar. "Er zal niets anders voor ons opzitten dan de wijde wereld in te trekken om te zien hoe we daar aan de kost kunnen komen."
De een nam het hoedje en de ander het fluitje en ze spraken af, dat ze over een jaar weer terug zouden keren, om elkaar te vertellen hoe het hun gegaan was. Maar voordat ze afscheid namen, blies de ene voor de grap eens op zijn fluitje... Toen hij dat gedaan had, stond er opeens een klein mannetje voor hem, die hem vroeg wat hij verlangde.
"O, als ik het maar voor het zeggen heb, geef me dan een zak met goud," riep hij vrolijk, en nauwelijks had hij dat gezegd of het mannetje stond er al met zijn zak vol goud.
"Dat is aardig," zei de ander, "dat is een kostbaar fluitje." En van blijdschap zwaaide hij met zijn hoedje door de lucht. Niet zodra had hij dat gedaan, of daar kwam weer een mannetje die hem vroeg, wat hij wenste.
"Geef mij ook maar een zak met goud," zei hij en dadelijk bracht het mannetje het hem.
Nu hoefden zij niet meer de wijde wereld in te trekken, in de hoop aan de kost te komen; de ene broer besloot met zijn goud een boerderij te kopen en daar rustig te gaan wonen. De andere evenwel wilde liever wat van de wereld zien en vertrok naar de hoofdstad van het land.
Toen hij daar aangekomen was, ging hij wat door de straten wandelen om al het merkwaardigs te bekijken en zo zag hij ook de prachtige koets, waarin de koning met zijn dochter gezeten was.
"Wel, dat is een mooie koets," dacht hij, "maar ik zal toch eens zien of mijn fluitje mij niet aan wat mooiers helpen kan."
Hij blies dus en verlangde van het mannetje een rijtuig en paarden, mooier dan die van de koning. En zie, nauwelijks had hij zijn wens geuit, of de koets kwam al voorrijden.Voortaan ging hij daarmee uit rijden, telkens als hij wist dat de koning ook uit rijden ging en dan zorgde hij wel, dat hij hem tegenkwam.
De koning en zijn dochter waren fel jaloers, dat er iemand was, die er een mooiere koets dan zij op nahield en ze lieten daarom een gouden koets maken.
Maar nauwelijks was die klaar of daar verscheen de jongen in een koets, die nog veel kostbaarder was en schitterde van de edelstenen. De koning en de prinses waren daar wat boos over, maar ze vonden het toch beter iemand die zo rijk was tot vriend en niet tot vijand te hebben, en ze nodigden hem aan het hof.
Daar werd hij vanzelfsprekend hoffelijk ontvangen en de prinses was zelfs zo lief en vriendelijk, dat hij verliefd op haar werd.
Zij deed of ze hem ook aardig vond, en toen ze het heel goed met elkaar konden vinden, vroeg ze hem, waar hij toch al zijn schatten vandaan haalde. Eerst wilde hij zijn geheim niet verklappen en hij verzon allerlei verhalen, maar de prinses geloofde er niets van en eindelijk wist zij hem zo ver te krijgen, dat hij haar het fluitje liet zien en vertelde wat je ermee kon doen.
Ze vroeg toen of ze ook eens mocht fluiten, maar dat wilde hij niet. Op den duur kon hij echter niet blijven weigeren en de prinses kreeg het fluitje om op te blazen.
Dadelijk verscheen het mannetje en vroeg, wat de koningsdochter begeerde. En toen beval ze hem de jongen, die bij haar zat, weg te jagen.
Dat gebeurde en zo stond hij dan even later zonder zijn fluitje buiten de stad.
Hij wist niets beters te doen dan naar zijn broer te gaan om hem alles te vertellen; ze beraadslaagden samen hoe ze het fluitje weer terug konden krijgen en besloten dat hij weer naar de stad zou gaan om met behulp van het hoedje het verlorene terug te winnen.
Niet lang daarna reed hij dus weer in een prachtige koets door de stad en vertoonde zich overal waar de koning en de prinses ook waren.
Tenslotte liet hij een huis bouwen, dat nog veel mooier was dan het koninklijk paleis. Weer kon de koningsdochter het niet langer uithouden van jaloezie en ontbood hem opnieuw aan het hof.
Daar was het hem juist om te doen, want zo hoopte hij haar het fluitje weer te kunnen afnemen. Maar het kwam anders uit. Want toen hij bij de prinses kwam, werd hij opnieuw op haar verliefd en was het hem niet mogelijk haar iets te weigeren. Ze was echter zo slim om net te doen of ze hem in alles zijn zin gaf en zo merkte hij niet, dat zij hem de baas was. Zo beloofde zij hem, dat zij hem zijn fluitje zou teruggeven, als ze eens een keer heel eventjes met zijn hoedje mocht zwaaien. En hij was dom genoeg om haar te geloven en het hoedje te geven. Ze zwaaide ermee en voor de tweede maal beval zij het mannetje hem weg te jagen.Weer stond hij buiten de poort, maar nu durfde hij niet naar zijn broer terug te gaan; hij had immers ook zijn hoedje verloren.
Mismoedig dwaalde hij rond en peinsde en peinsde hoe hij het fluitje en het hoedje weer terug kon krijgen.
Zo kwam hij in een bos en daar liep hij almaar verder, tot hij niet meer kon van moeheid; toen legde hij zich onder een boom te slapen.'s Morgens werd hij wakker met grote honger, want hij had sinds hij de vorige dag uit het paleis was verjaagd, niets gegeten.
Daar zag hij dat hij onder een pereboom had gelegen en dat er grote sappige peren aan de boom hingen.
Hij plukte er een paar af en zag niet ver daar vandaan een boom, waar nog grotere peren aan hingen. Ook daarvan plukte hij er een paar en ging daarop rustig bij een beekje zitten om ze op te eten.
Hij at drie van de grootste, maar... wat was dat?... Opeens begon zijn neus te groeien en te groeien en werd zo lang, dat zijn hoofd ervan voorover begon te hangen door de zwaarte. Hij moest zelf lachen, toen hij zich in het water bekeek, maar plezierig vond hij het toch niet, want hij kon zich niet goed meer bewegen met die grote zware neus. Zo zat hij daar dan, maar nadat hij wat van zijn verbazing bekomen was, merkte hij dat hij nog honger had.
Kom, dacht hij, ik heb nog peren over, laat ik die ook maar opeten.
Zo nam hij een van de kleine peren en at die op en daar begon zijn neus weer te krimpen en toen er drie in zijn maag verdwenen waren, was ook zijn neus weer net zo klein als hij vroeger geweest was.
"Dat is aardig," dacht hij, "maar nu ik dat weet, ga ik gauw terug naar het hof, om te zien of ik het fluitje en het hoedje weer terug kan krijgen. Hij liep naar de perebomen en stopte zijn zakken vol peren en ging op weg.

Dicht bij de stad ruilde hij zijn kleren met de lompen van een bedelaar en zo kwam hij op het plein voor het paleis. Daar riep hij: "Koop, koop, koop! Wie koopt er mijn lekkere, sappige peren!" maar hij vroeg er zoveel geld voor dat niemand ze kocht.
De prinses hield veel van snoepen. Toevallig zat ze voor het raam, en zag de perenkoopman en toen ze hoorde dat zijn peren zo duur waren, dacht ze: dat zijn zeker bijzonder lekkere peren, daar moet ik er een paar van hebben.
Ze zond dus een hofdame om de peren te kopen en zodra die ermee terugkwam, at ze ze achter elkaar op. Maar toen begon haar neus opeens onrustbarend te groeien.
Dat gaf een opwinding in het paleis. Ieder kwam aan met zalfies en goede raad, maar de koningsdochter werd er niet door van haar grote neus afgeholpen. De lijfarts van de koning en alle dokters uit de stad kwamen erbij te pas, maar de neus werd er niet kleiner door.
Toen werden er vreemde dokters van heinde en verre ontboden, maar ook zij konden de prinses niet beter maken.
Eindelijk kwam er weer een vreemde dokter aan het paleis. Tenminste men dacht dat het een vreemde dokter was, maar het was in werkelijkheid de jongen, die haar de peren had verkocht.
Hij onderzocht de prinses en verklaarde daarna, dat ze niet genezen kon, omdat zij onrechtvaardig verkregen goed in haar bezit had. Dat wilde de koning natuurlijk niet geloven, maar toen de dokter volhield, bekende de prinses ten laatste, dat ze een oud hoedje had, dat haar eigenlijk niet toebehoorde. Dat werd gehaald en daarop gaf hij haar twee van de kleine peren.Haar neus begon te krimpen en werd al kleiner en kleiner en de prinses dacht al, dat ze genezen was, maar neen, onverwachts hield het krimpen op en ze had nog altijd een heel grote neus.
"Ik begrijp er niets van," zei de dokter. "Ja, dan moet de prinses nog meer dingen bezitten, die haar niet toebehoren!"
En nu kwam het uit, dat zij ook een fluitje had.
"Dan wil ik wel geloven, dat het middel niet afdoend hielp," zei de dokter.
Hij kreeg het fluitje en gaf haar de derde kleine peer, en nu werd haar neus weer zo klein als hij geweest was.
Met geschenken overladen verliet de vreemde dokter het paleis, maar voor hij afscheid nam, gaf hij de koningsdochter nog een pap van fijngewreven peren, met de raad om daarmee van tijd tot tijd haar neus eens in te smeren. Het duurde niet lang of de prinses proefde eens van de pap en vond die zo lekker, dat ze er flink van at.
Maar toen begon haar neus weer te groeien en werd net zo lang als hij tevoren was geweest.
De koning was natuurlijk woedend op de bedrieger, verzamelde zijn leger en trok hem achterna. Juist was hij met zijn fluitje en zijn hoedje behouden op de boerderij van zijn broer aangekomen, toen het leger van de koning in de verte naderde.Maar de broers waren niet vervaard. De een zwaaide met zijn hoedje en de ander blies op zijn fluitje, en toen de mannetjes hun vroegen, wat ze beliefden, wensten zij een leger dat groter en sterker was dan dat van de koning. Daarmee trokken zij hem tegemoet en versloegen hem en de prinses moest haar hele leven blijven zitten met haar grote neus.
(Zeeland)

Onderwerp

AT 0566 - The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)    AT 0566 - The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)   

ATU 0566    ATU 0566   

Beschrijving

Twee zonen erven een toverfluitje en toverhoedje waarmee ze van alles tevoorschijn kunnen toveren. De ene zoon trekt naar de stad en tovert een paleis en een koets tevoorschijn, nog mooier dan van de koning. Zo wekt hij de jaloezie van de prinses. Zij nodigt hem op haar paleis uit. Dan ontfutselt zij hem het toverfluitje en jaagt hem weg. De man zoekt raad bij zijn broer die hem het toverhoedje geeft. Ook dit raakt hij aan de prinses kwijt. De man vindt een pereboom met grote en kleine peren. Als hij van de grote peren eet, wordt zijn neus groter, eet hij van de kleine peren, dan krimpt zijn neus weer. De man verkoopt verkleed als koopman de peren aan de prinses. Als haar neus groot is en niemand een oplossing voor het probleem weet, komt de man verkleed als dokter binnen. Als oorzaak voor de lange neus verklaart hij dat de prinses onrechtvaardig verkregen goed moet bezitten. De prinses bekent dat zij een toverfluitje en toverhoedje bezit die haar niet toebehoren. De prinses eet wederom van de peren en haar neus begint weer te groeien. De koning, woedend om het bedrog van de dokter, jaagt de man met zijn leger achterna. De man tovert nu een leger te voorschijn dat het leger van de koning verslaat.

Bron

J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 50-54

Motief

D1470.1 - Magic wishing-object.    D1470.1 - Magic wishing-object.   

D1376.1 - Magic object makes nose long (restores it.)    D1376.1 - Magic object makes nose long (restores it.)   

Commentaar

Bron: G.J. Boekenoogen: 'Nederlandsche sprookjes en vertelsels', in: Volkskunde 14 (1901-1902), p.234-238. Zie ook CBAK0244.
Vertellers in feite: mevrouw J.H.E.Schoemaker - Sevenhuysen en haar broer, meneer Sevenhuysen.
The Three Magic Objects and the Wonderful Fruits (Fortunatus)

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20