Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SINVS027 - Jan Slimbroek

Een mop (boek),

Hoofdtekst

JAN SLIMBROEK
In een dorp niet ver van de kerk stond een krot van een huisje, waar Lieven Slimbroek woonde met zijn vrouw en hun enige zoon Jan. 't Was een slechte tijd voor de arbeiders en Lieven vond geen werk. Toen dat een tijdje geduurd had, werd Lieven ziek en stierf.
Lieven lag zowat drie of vier weken onder de aarde toen Jans moeder tegen Jan zei: "Jongen, je vader is nu dood, je zult nu zelf naar de molen moeten gaan om meel te halen. Neem de zak en haal een achtendeel (dat is twaalf en een halve kilogram) meel."
"Ja maar moeder, hoe zal ik dat kunnen onthouden?"
"Dat is heel gemakkelijk," zei moeder, "je moet van hier tot aan de molen almaar zeggen: 'n achtendeel meel."
"Goed moeder," zei Jan, en hij pakte de zak en ging op weg.
Hij was juist buiten achter het huis of hij zag daar een boer die tarwe zaaide. Die boer, die hoorde dat Jan altijd maar zei: "'n achtendeel meel" riep hem na: "ik zou tevreden zijn als ik een achtendeel meel van mijn land kreeg. Je zou veel beter kunnen zeggen: `God, geef mij er duizend'!"
"Goed," zei Jan, en hij zei voortaan niets anders dan: "God, geef mij er duizend!" wel honderd keer achter elkaar.
Terwijl hij dat zo herhaalde, kwam hij langs een kudde schapen en de schaapherder had de grootste moeite om een wolf van zijn kudde weg te houden. De schaapherder hoorde duidelijk dat Jan altijd maar zei: "God, geef mij er duizend" en hij meende dat Jan wilde zeggen, dat er duizend wolven moesten komen.
"Wat zeg je daar?" zei hij tegen Jan. "Durf dat nog een keer te zeggen; ik heb al last genoeg met één. Je zou beter kunnen zeggen: `De duivel hale hem!' Dat zou het juiste woord zijn."
"Goed," zei Jan, en hij zei nu altijd maar: "de duivel hale hem!"
Jan kwam juist voorbij het kerkhof, waar ze een rijke heer begroeven. Er waren bijzonder veel mensen en Jan ging ook eens kijken. Hij kwam aan het graf, waar de hele familie bijeen was en zei zijn spreukje: "De duivel hale hem!"
De geestelijken en allen die het hoorden, waren kwaad op Jan en de pastoor vermaande hem, dat hij zoiets niet mocht zeggen.
"Mijnheer pastoor," zei Jan, "wat moet ik dan zeggen?"
"Zeg liever," zei de pastoor: "God hebbe zijn ziel."
"Goed mijnheer pastoor," antwoordde Jan en hij ging verder, terwijl hij steeds herhaalde: "God hebbe zijn ziel."
Tegenover het kerkhof woonde een paardenkoopman, en daar was een oud paard dood. De vilders waren druk bezig om dat oude paard te villen en Jan ging erop af.
"God hebbe zijn ziel," zei hij.
"Ach ezel," riep de vilder. "Je weet toch ook wel dat paarden geen ziel hebben."
"Dat weet ik wel," zei Jan, "maar ik herhaal wat de pastoor mij heeft voorgezegd".
"Als ik het was," zei de vilder "dan zou ik zeggen: `Vieze stinkerd, maak dat je wegkomt'."
"Goed," zei Jan en hij wandelde verder.
In de buurt van het dorpsplein ontmoette Jan een bruiloftsstoet. Toen hij vlak bij de bruidegom gekomen was, zei hij: "Vieze stinkerd, maak dat je wegkomt."
"Wel heb ik van mijn leven," riep de bruidegom, en het had weinig gescheeld of hij had Jan een pak slaag gegeven."
Als die jongen nu nog zei: `'t Is plezierig om dat te zien'," meende een van de bruiloftsgasten.
"Goed," zei Jan, "ik zal het zeggen.
"Een eind verder, op de hoek van de straat, stond een huis in brand. Jan kwam erlangs en zei, twee-, driemaal achter elkaar: "'t Is plezierig om dat te zien."
"Wat zeg je daar?" riepen de mensen, die kwamen toegelopen om de brand te blussen.
"Als je nog zei: `Ik wou dat het uitging,' dan was iedereen tevreden."
"Ik zal het doen," antwoordde Jan en vervolgde zijn weg.
Hij was nu bijna aan de molen, maar eerst moest hij nog voorbij de smidse. De smid had al drie, vier uur lang zijn best gedaan om het vuur flink te laten branden, maar het wou niet lukken.
Toen stak Jan zijn hoofd door de deur en zei: "Ik wou dat het uitging."
De smid, die toch al een kwaaie bui had, greep Jan bij zijn kraag, legde hem op het aambeeld en sloeg hem met een grote voorhamer op zijn kop. En
tiere, liere, luit
mijn vertelsel is uit.
(West-Vlaanderen)

Onderwerp

AT 1204 - Fool Keeps Repeating his Instructions so as to remember them    AT 1204 - Fool Keeps Repeating his Instructions so as to remember them   

ATU 1204    ATU 1204   

Beschrijving

Een jongen moet van zijn moeder een bepaalde hoeveelheid (achtendeel) meel halen. Om de boodschap niet te vergeten, herhaalt hij hem steeds. De jongen herhaalt de woorden ook bij een boer die zijn land inzaait. De boer denkt dat de jongen spreekt van de hoeveelheid graan dat zijn land zal opbrengen. De boer zegt hem dat hij beter het getal duizend kan noemen. De jongen herhaalt nu de nieuwe boodschap en vergeet de oude. Zo gaat het bij elke volgende persoon die de jongen tegenkomt en zijn woorden persoonlijk opvat. Tenslotte komt de jongen langs de smid, die net met veel moeite het vuur heeft aangemaakt, met de woorden: "Ik wou dat het uitging". De smid slaat de jongen met zijn hamer op zijn hoofd.

Bron

J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 90-91

Motief

J2671.2 - Fool keeps repeating his instructions so as to remember them.    J2671.2 - Fool keeps repeating his instructions so as to remember them.   

Commentaar

Fool Keeps Repeating his Instructions

Naam Overig in Tekst

Lieven Slimbroek    Lieven Slimbroek   

Jan Slimbroek    Jan Slimbroek   

God.    God.   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20