Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SINVS030 - Mijnheer de Maan

Een sprookje (boek),

Hoofdtekst

MIJNHEER DE MAAN
Er was eens een soldaat die de dienst verliet. En hij wandelde zo ver, zo ver, dat hij huis noch heg meer zag, en toen de avond viel, kwam hij aan een grot. Daar stond een oud vrouwtje aan de deur en hij vroeg: "Vrouwtje, zou ik hier vannacht niet kunnen slapen?"
"Wel ja, m'n vriend, kom maar binnen."
't Was winter en koud en de soldaat was moe. Het vrouwtje bracht hem naar een kamer, waar een groot vuur brandde en gaf hem goed te eten en te drinken, een kaars en een boek om in te lezen. Toen hij naar hartelust gegeten en gedronken had, begon hij in het boek te lezen.
Onmiddellijk kwam er een klein mannetje te voorschijn.
"Meester, wat is er van je dienst?" vroeg het.
"Een beurs met geld," zei de soldaat.
't Mannetje ging weg en het keerde een tijdje later terug met een beurs vol met geld. De soldaat stak de beurs in zijn zak en ging naar bed.
Nadat hij de volgende morgen gegeten en gedronken had, bedankte hij het vrouwtje en ze zei:
"Vriend, moet je nog ver gaan?"
"Ja vrouwtje, ik moet nog wel honderdduizend uur ver gaan."
"Als je dan zo ver moet gaan, moet je mijn broer de Avondster, mijn broer de Maan en mijn broer de Zon eens opzoeken. Doe hun de komplimenten van hun zuster, die in de grot woont en zeg hun dat het mij goed gaat."
De soldaat beloofde dat te doen. Hij kreeg nog een zak met geld, bedankte het vrouwtje hartelijk en ging op weg. Nadat hij de hele dag almaar gelopen had, kwam hij 's avonds aan in een grote, grote stad. Hij liep de ene straat in en de andere uit, tot hij aan een hemelsblauwe poort kwam, waar een zilveren ster op geschilderd was met daaronder de woorden: Hier woont mijnheer de Avondster.
De soldaat belde en een meisje kwam opendoen.
"Woont hier mijnheer de Avondster?"
"Ja, hij woont hier."
"Zou ik hem kunnen spreken?"
"'k Zal het eens gaan vragen."
En het meisje vroeg: "Mijnheer de Avondster, daarbuiten staat een man die u graag zou willen spreken."
"Zeg maar dat hij binnenkomt."
De soldaat kwam binnen, salueerde en zei: "mijnheer de Avondster, ik breng u de komplimenten van uw zuster die in de grot woont en ze laat u weten dat ze het goedmaakt."
"Ha! ha! ha! Is ze er weer met haar komplimenten. 't Is juist honderdduizend jaar geleden, dat ze mij haar komplimenten liet overbrengen. Je zult wel honger hebben. Wil je iets eten?"
"Graag mijnheer," zei de soldaat.
"Meisje, dek de tafel."
Het meisje bracht een tafeltje naar binnen, zo klein als een poppentafeltje, want alles was daar even klein. De borden waren als kleine schoteltjes, de broden waren als peperkoeken, de glaasjes als vingerhoedjes, en je kon wel drie stukken vlees tegelijk in je mond steken. De soldaat en het meisje hadden toch zo'n grote honger: ze staken almaar hele broden in hun mond.
"Jullie eten zoveel, jullie zullen alles nog opeten," zei mijnheer de Avondster.
"Ach mijnheer, we hebben zo'n honger," zei het meisje.
Toen ze klaar waren met eten, vroeg mijnheer de Avondster aan de soldaat: "Wil je vannacht hier slapen?"
"Graag mijnheer," zei de soldaat.
De soldaat bleef daar slapen en toen hij de volgende morgen opgestaan was, vroeg mijnheer de Avondster hem: "Vriend, moet je nog ver gaan?"
"Wel zeker, mijnheer, ik moet nog wel honderdduizend uur ver gaan."
"Als je toch zo ver moet gaan, zou je mijn broer de Maan en mijn broer de Zon eens moeten opzoeken. Doe hun mijn komplimenten en zeg hun dat het mij goed gaat."
"Ik zal het doen," zei de soldaat. Hij bedankte mijnheer de Avondster, kreeg een beurs met geld en ging verder.
Nadat hij de hele dag almaar gelopen had, kwam hij 's avonds aan in een grote, grote stad. Hij liep door de straten en over de pleinen en toen de avond viel, stond hij voor een hemelsblauwe poort met een gouden maan erop geschilderd. Daarboven stond geschreven: "Hier woont mijnheer de Maan."
De soldaat trok aan de bel, een meisje deed open en hij vroeg: "Zou ik mijnheer de Maan kunnen spreken?"
"Ik zal het eens vragen," zei ze.
Zij ging weg en kwam een poosje later terug en bracht de soldaat bij mijnheer de Maan."Dag vriend, wat is er van je dienst?""Mijnheer de Maan, ik breng u de komplimenten van uw zuster, die in de grot woont en van uw broer de Avondster, en ze laten u weten dat het hen goed gaat."
"Zo! zo! zo! Zijn ze er weer met hun komplimenten. 't Is juist honderdduizend jaar geleden dat ze mij hun komplimenten gedaan hebben. Maar je zult wel honger hebben; wil je niet wat eten?"
"Graag mijnheer," zei de soldaat.
"Meisje, dek de tafel."Het meisje dekte de tafel. De glazen waren zo groot als emmers, er kwam een heel kalf op tafel, de borden waren zo groot als wagenwielen, de kannen met bier waren tonnen en daar ging wel negentig liter in en de soldaat at met moeite een halve boterham.
"Je hebt ook geen grote honger," zei mijnheer de Maan.
"Toch wel mijnheer, maar het zijn zulke grote boterhammen" antwoordde de soldaat.
Nadat ze gegeten hadden, vroeg mijnheer de Maan aan de soldaat: "Wil je vannacht met mij gaan schijnen?"
"Graag mijnheer," zei de soldaat.
"Meisje, ga eens kijken of het een heldere lucht is."
"Mijnheer, het is betrokken."
"Dan kunnen we een spelletje kaartspelen."
Nadat ze een tijd lang gespeeld hadden en de soldaat haast al mijnheers geld gewonnen had, kwam het meisje zeggen dat de lucht helder was. Daarop kropen ze beiden in een ledikant en er schenen die nacht twee manen.
Toen het dag begon te worden en de soldaat heel de wereld gezien had: al de steden, al de bossen, al de kerken en kastelen, kwamen de ledikanten langzaam al lager en lager, tot aan de poort van het huis van mijnheer de Maan en ze gingen naar binnen.
Toen ze weer thuis waren, vroeg mijnheer de Maan: "Vriend, moet je nog ver gaan?"
"Ja mijnheer, ik moet nog wel honderdduizend uur ver gaan."
"Als je zo ver moet gaan, zul je mijn broer de Zon wel ontmoeten. Doe hem mijn groeten en zeg hem dat, als hij mij nog een keer verduisteren wil, dat ik hem dan met mijn ijzeren handschoen zal slaan. Kom dan terug en vertel mij wat hij gezegd heeft."
Mijnheer de Maan gaf hem nog een beurs met geld en de soldaat ging weer op pad. Nadat hij de hele dag gelopen had, kwam hij tegen de avond in een grote, grote stad, zo mooi als hij nog nooit gezien had. Toen hij daar zo lang door de straten gedwaald had, stond hij opeens voor een gouden poort met een diamanten zon erop geschilderd. Boven die poort stond: "Hier woont mijnheer de Zon."
De soldaat belde aan, een meisje deed open en hij vroeg: "Is mijnheer de Zon ook thuis? Zou ik hem misschien kunnen spreken?"
Het meisje ging naar binnen en zei: "Mijnheer, daarbuiten staat een soldaat die u graag zou willen spreken."
"Zeg hem maar dat hij binnenkomt."
"Mijnheer zegt dat je binnen kunt komen," zei het meisje tegen de soldaat, "maar je moet je zakdoek voor je ogen houden, want mijnheer de Zon schijnt zo helder dat je blind zou kunnen worden als je van dichtbij naar hem keek."
De soldaat ging naar binnen en toen hij goedendag gezegd had, vroeg mijnheer de Zon hem wat er van zijn dienst was.
"Mijnheer," zei de soldaat, "u moet de groeten hebben van uw zuster, die in de grot woont en van uw broer de Avondster en ze laten u weten dat het hen goed gaat. En u moet ook de groeten hebben van uw broer de Maan, en hij laat u weten dat hij u met zijn ijzeren handschoen zal slaan, als u hem nog een keer zult verduisteren."
"Ga terug naar mijn broer de Maan," zei mijnheer de Zon, "en zeg hem dat ik niet bang voor hem ben. Als hij mij slaat met zijn ijzeren handschoen, zal ik hem slaan met mijn ijzeren hefboom. Maar blijf vannacht hier slapen."De soldaat bleef bij mijnheer de Zon slapen en de volgende morgen vertrok hij met een zak met goudgeld.De soldaat liep de hele dag en kwam 's avonds aan de poort van het huis van mijnheer de Maan.
Toen hij daar gekomen was, zei hij: "Mijnheer, ik breng u de groeten van uw broer mijnheer de Zon, en hij laat u weten dat hij u zal slaan met zijn ijzeren hefboom als u hem slaat met uw ijzeren handschoen."
"Ik ben niet bang," zei mijnheer de Maan. "Wil je hier blijven eten en vannacht met mij schijnen?"
De soldaat had daar wel oren naar en ze vierden die avond feest. Toen ze goed gesmuld hadden, ging het meisje kijken hoe het met het weer stond. De lucht was opnieuw betrokken en ze gingen weer kaartspelen. Nadat ze een tijd gespeeld hadden, kwam het meisje zeggen dat de lucht helder was. Weer kwamen de ledikanten, ze kropen erin, en de soldaat stak al zijn zakken met geld bij zich. Die nacht schenen er weer twee manen. Ze schenen over de hele wereld tot aan de stad, waar de soldaat vandaan kwam.
"Is dat daar je huis?" vroeg mijnheer de Maan.
"Ja mijnheer," zei de soldaat.
"Dan zal ik je omlaag laten zakken tot voor de deur."
Het ledikant daalde en bleef juist op de stoep staan. De soldaat haalde er al zijn geld uit, nam afscheid van mijnheer de Maan en ging op de drempel zitten.Toen zijn vader de volgende morgen wakker werd, vond hij zijn zoon daar zitten en ze waren alle twee even blij dat ze elkaar weer zagen. Ze droegen het geld in huis en leefden nog heel lang als de rijkste en gelukkigste mensen van de stad.
(West-Vlaanderen)

Beschrijving

Een soldaat keert terug naar huis. Hij overnacht bij een oud vrouwtje in een grot. Ze geeft hem een boek om te lezen. Een mannetje springt uit het boek en vraagt hem wat hij wenst. De soldaat krijgt een beurs met geld. De soldaat trekt verder en de vrouw vraagt hem langs het huis van haar broer de Avondster te gaan en haar complimenten over te brengen. Bij de Avondster wordt de soldaat gastvrij onthaald. De maaltijd wordt opgediend op piepkleine bordjes. Meneer de Avondster geeft de soldaat de raad op zijn tocht langs zijn broer de Maan te gaan. Bij de Maan is de soldaat een welkome gast. De maaltijd wordt op reusachtig grote borden geserveerd en is overvloedig. De Maan zegt de soldaat ook langs zijn broer de Zon te gaan met de boodschap dat de Zon hem niet meer moet verduisteren. De Zon geeft hem een zak goudgeld en vraagt de soldaat terug te gaan naar de Maan en te zeggen dat hij hem niet vreest. De Maan brengt de soldaat tenslotte naar huis.

Bron

J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 98-102

Naam Overig in Tekst

Avondster    Avondster   

Naam Locatie in Tekst

Maan    Maan   

Zon.    Zon.   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20