Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SINVS042 - Het spook dat uit de schoorsteen viel

Een sprookje (boek),

Hoofdtekst

HET SPOOK DAT UIT DE SCHOORSTEEN VIEL
Lang, lang geleden stond er op de Kleinmarkt in Antwerpen een huis. Het had vier verdiepingen en was zo mooi als het huis van de koning, en toch wilde niemand erin wonen, want het spookte er.
Klokslag twaalf uur kwam er altijd een geest, die trap op, trap af liep. Wanneer het één uur sloeg, ging hij achter de voordeur staan en begon zo erbarmelijk te kermen dat iedereen medelijden met hem had. Niemand had echter moed genoeg om het huis binnen te gaan en daarom bleef het leeg staan, hoewel de geest iedere nacht riep: "Verlos mij! verlos mij!"
Toen dat zo een hele tijd geduurd had, kwam er eens een oude soldaat terug uit de oorlog. Hij hoorde over dat huis spreken en zei dadelijk, dat hij er wel een nacht in wilde doorbrengen, als zij hem honderd zilverstukken op voorhand gaven. De huisbaas verbaasde zich daarover, maar de soldaat zei hem, dat hij voor dood noch duivel bang was, want "Wat God bewaart, is wel bewaard."
"Geef mij de hand erop, dat je het doen zal," antwoordde de huisbaas, "en zeg mij als je nog meer nodig hebt."
"Geef mij om te beginnen een flinke portie in blokken gekapt hout, een dozijn flessen wijn, een fles brandewijn, een pot deeg en een pan, waarin ik koeken bakken kan."
"Dat zal gebeuren," antwoordde de huisbaas en toen de soldaat alles had waarom hij gevraagd had, ging hij met het aanbreken van de nacht met het hele spul het huis binnen.
Nadat hij vuur had gemaakt, bracht hij alles naar een kamer op de eerste verdieping, waar nog een tafel en twee stoelen stonden. Daar legde hij een groot vuur aan in de haard en zette het deeg ernaast, opdat het alvast wat rijzen zou. Intussen schoof hij een stoel bij de tafel, sloeg de flessen een voor een de kop af, zodat hij op den duur niet zo heel nuchter meer was, maar toch nog wel wist wat hij zei of deed.
Nadat hij zijn dorst gelest had, begon zijn maag te spreken. Hij nam daarop de pan, zette die op het vuur en deed er een flinke kwak deeg in. De pannekoek beloofde lekker te worden, hij rook heerlijk en was al bruin en gaar aan één kant. Juist wilde de soldaat hem omgooien om ook de andere kant te laten bruinen, toen er plotseling iets uit de schouw in de pan viel en de pannekoek in de hete as terechtkwam.
De soldaat werd erg kwaad, maar dat hielp hem niet... hij moest opnieuw deeg in de koekepan doen. Terwijl hij de pannekoek bakte, keek hij naar het ding, dat uit de schouw gevallen was... het was het bot van een mens. De soldaat begon te lachen.
"Ha! ha! jullie willen mij bang maken, maar dat zal jullie niet lukken met jullie paardeknoken."Hij greep de pan weer om de pannekoek eruit te nemen, want hij wilde hem liever half gaar opeten, dan zich nog eens te ergeren. Op hetzelfde ogenblik echter klonk er een gerammel en geratel in de schouw en een groot aantal beenderen viel naar beneden in de koekepan en de pan lag weer in de as.
"Wel sakkerloot!" riep de soldaat uit, "dat is me wat moois. Laat me toch rustig eten, ik heb honger. Wie haalt het nu in zijn hoofd om de ruggegraat van een veulen in mijn pan te gooien?"
Hij vergiste zich behoorlijk, want het was de ruggegraat van een mens. Boos greep hij alle botten bijeen en wierp ze tegen de wand, zodat ze in stukken en brokken braken. Daarna ging hij weer terug naar zijn koekepan en probeerde nog verschillende keren pannekoeken te bakken, maar telkens viel er weer een deel van een geraamte in, en tot slot kwam er een doodskop naar beneden vallen, die de soldaat zo ver als hij maar vliegen wou, wegwierp.
"Nu zal die grap wel gedaan zijn," zei hij en hij begon opnieuw te bakken. Deze keer ging het goed en hij had al een flinke schotel pannekoeken voor zich op tafel staan en at er met smaak van, toen de klok sloeg. Hij telde de slagen: twaalf. Terzelfdertijd keek hij op. In de hoek tegenover hem hadden de beenderen zich samengevoegd tot een geraamte, dat daar stond met een wit laken over zijn schouders geslagen.
De soldaat wreef zich de ogen uit, want hij meende te dromen, maar nadat hij zich overtuigd had met een echt geraamte te doen te hebben, sprak hij vrolijk: "Ha! Pietje de Dood! Ben je van het ganzenbord gelopen? Hoe gaat het? Wat ben je mager. Kom maar, eet en drink met mij, als de wijn en de pannekoeken niet door je heenvallen."
Het geraamte antwoordde niet, maar wenkte hem met de vinger.
"Spreek toch als je van God bent," lachte de soldaat. "Ben je echter van de duivel, scheer je dan weg."Het spook bleef echter met zijn vinger wenken en sprak geen woord. De soldaat kreeg er gauw genoeg van, at rustig door en keek niet op of om. Daar sloeg het half één en het geraamte kwam uit zijn hoek te voorschijn en naderde de tafel.
"Spreek maar op," zei de soldaat, "maar kom mij niet te na, anders worden we kwade vrienden."
Het geraamte strekte zijn hand uit en raakte de mouw van de soldaat aan. Dadelijk brandde er een gat in."Wat duivel! " riep de soldaat uit, "wat moet dat betekenen?"
Hij greep een fles en sloeg naar het geraamte, maar hij sloeg er dwars doorheen. Nu werd hij toch werkelijk kwaad en wilde de geest grijpen, maar hij greep in het niets; onderwijl wenkte het geraamte hem weer en wees naar de deur.
Tenslotte gaf de soldaat toe, nam het licht van de tafel en zei: "Vooruit, ik ga mee. Ga maar voor."Het spook ging hem voor tot aan de trap en beduidde de soldaat dat hij naar beneden moest gaan. De soldaat echter was wel zo verstandig om daar niet op in te gaan.
"Ga jij maar voor," zei hij, "je zult mij de nek niet breken, als dat je plan was."
Zo kwamen ze beneden in de gang. Daar lag een zware steen op de grond met een ijzeren ring eraan.Het geraamte beduidde hem dat hij die steen op moest tillen, maar de soldaat lachte en zei: "Wil je die steen uit de weg hebben, dan moet je hem zelf maar optillen."
Dat deed de geest en toen zag zijn metgezel een groot gat, waarin drie ijzeren potten stonden.
"Zie je dat geld?" vroeg het spook, dat eindelijk begon te spreken.
"Ha landgenoot, spreek je Vlaams?" riep de soldaat verheugd uit. "Dat is goed. Ja, ik zie iets, dat er als een gouden tientje uitziet."
Nu haalde de geest de drie potten te voorschijn, en sprak weer: "Dat is geld, dat ik verborg, voor ik stierf."
"Zo," vroeg de soldaat, "je bent dus dood? Wel heb ik ooit."
Het spook sprak echter verder, zonder op de woorden van de soldaat te letten.
"Ik moest zo lang in de hel branden, tot het geld gevonden was. Je hebt mij verlost!"
"'n Aardige kerel ben je," zei de soldaat. "Tot dank verbrand je mijn mouw."
"Nu brand ik niet meer," lachte de geest, "voel mijn hand maar, ze is helemaal koud."
De soldaat trok echter snel zijn hand terug en riep: "Wel bedankt. Ik ken je, vreemde vogel."
"In godsnaam," sprak het geraamte, "vraag ik je om van die drie potten een aan de armen te geven, en de andere aan de kerk te schenken, opdat men daar missen voor mijn ziel zal lezen en..."
"Dat is een slechte rekening," riep de soldaat uit. "Ik ben je knecht niet. Wat wilde je nog zeggen?"
"De derde pot is voor jou," fluisterde de geest.
Van vreugde maakte de soldaat een luchtsprong, duikelde omver en kwam in het gat terecht. Zijn licht ging uit en daar zat hij in het donker.
"Hé geestje," riep hij, "help mij er toch uit."
Maar de geest was al verdwenen en hij moest er zelf uit zien te komen.
Toen de soldaat weer in de gang stond, zocht hij zijn kaars, stak hem aan, beklom de trap en ging slapen.
De volgende dag deed hij wat het spook hem bevolen had, hij gaf één pot aan de armen, de tweede aan de kerk, en in de derde vond hij zoveel goud, dat hij schat- en schatrijk werd en elke dag in een rijtuig rondreed en naar de herberg ging.
(Antwerpen)

Beschrijving

In een huis spookt het. Een soldaat neemt er zijn intrek. Tijdens het pannekoeken bakken vallen via de schoorsteen gedeelten van een geraamte in zijn pan. Het blijkt het geraamte van het spook te zijn, dat om middernacht verschijnt. Het leidt de soldaat naar drie potten met geld. De geest van het spook zal niet eerder rusten dan wanneer één pot aan de armen is geschonken en één aan de kerk. De derde pot vol goud mag de soldaat zelf houden. De soldaat wordt schatrijk.

Bron

J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 129-132

Naam Locatie in Tekst

Kleinmarkt    Kleinmarkt   

Antwerpen.    Antwerpen.   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20