Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SINVS043 - Het wonderschip

Een sprookje (boek),

Hoofdtekst

HET WONDERSCHIP
Er was eens een koning die in een oorlog was verwikkeld. Daarom had hij graag een schip gehad dat zowel in het water als op het land kon varen en hij beloofde veel, veel geld aan de man, die zo'n schip zou maken.
In dat land woonde een timmerman en die bouwde zo'n schip. Daarna voer hij ermee, kris kras door land en water, om naar de koning te gaan.
Toen hij zo een tijd had gevaren, kwam hij aan een grote tuin en daar lag een man zo lang als hij was op zijn buik met zijn oor tegen de grond.
"Hé baasje, wat doe je daar?" vroeg de timmerman.
"Wel, ik ben aan het luisteren of mijn groente nog niet uitkomt."
"Dat kun je toch niet horen?"
"Zeker, kijk, hier zal er dadelijk een sprietje uitkomen."
"Wel, je hebt gelijk. Zou je geen zin hebben om met mij mee te varen?"
"Ja, waar gaan we naar toe?"
"Naar de koning om een hele hoop goudstukken te halen."
"Dan ben ik van de partij."
En ze voeren al verder en toen ze een hele tijd gevaren hadden, zagen ze een man met benen als lucifershoutjes. Hij was zo mager als een sprinkhaan en hij had een haas aan bei zijn oren vast.
"Zeg eens vriendje, wat heb je daar een mooi beestje. Waar heb je die vandaan? "
"Ik heb hem zo juist gepakt, toen ik wandelde."
"Je maakt ons zeker wat wijs, vriend."
"Nee, ik kan harder lopen dan de wind, kijk maar eens.
"En wat deed hij? Hij liet zijn haas lopen en toen dat dier een heel eind verder was, ging hij hem achterna en in een vloek en een zucht had hij langoor weer te pakken en in een ommezien was hij ermee terug.
"Zeg, je moet met ons meegaan," zeiden de twee op het schip.
"Waar gaan we naar toe?"
"Wel, naar de koning, daar kunnen we flink wat verdienen."
"Dat is goed."
En zo voeren ze al verder en verder, en toen ze weer een tijd gevaren hadden, kwamen ze aan een groot eikenbos en de bomen die in dat bos stonden, waren zo dik als torens. En daar was een vent in zijn hemdsmouwen bezig om die bomen er stuk voor stuk met wortel en al uit te trekken.
En zo dikwijls als hij een boom neersmeet, daverde en dreunde de grond, zodat het schip heen en weer werd geslingerd als in een storm op zee.
De drie op het schip vroegen of die sterke kerel ook met hen mee wou gaan en na lang praten deed hij dat ook.Ze waren nu met z'n vieren en voeren verder over land en water. En toen ze weer een eind verder waren, zagen ze een klein, oud, benepen mannetje aan komen sukkelen met een zwart kastje op zijn rug.
"Kijk eens wat een kleine, zwarte marskramer daar aankomt, hij lijkt wel de dood van Pierlala," riepen ze vanaf het schip naar het mannetje om hem voor de gek te houden. Maar dat mannetje was bij de pinken, want wat deed hij? Hij draaide zomaar even met zijn zwart kastje en opeens was het zo donker als in een put, zodat ze geen hand voor ogen meer konden zien, en niet verder durfden varen.
Ze begonnen dat mannetje te smeken en te soebatten dat hij het toch weer licht zou laten worden, en dank zij het lange aanhouden, het bidden en het smeken, kregen ze het mannetje toch zo ver dat hij weer aan zijn kastje draaide en het weer licht werd. En waarachtig, die zwarte marskramer ging ook mee.Ze hadden weer een hele tijd gevaren, berg op en berg af, door heg en struik, toen ze op een vlakke hei kwamen, 't was al hei en zand dat het oog zag. Daar stond een jager met een groot geweer; hij mikte ergens op, maar waarop, dat zagen ze niet. Toen hielden ze het schip even stil en vroegen aan die jager waarop hij wilde schieten.
"Wel," antwoordde de jager, "ginder ver zit een kraai in de eikeboom en die zal ik eruit halen."
"Kom nou," zeiden ze, "je bent me er ook een. Die bomen kunnen we nauwelijks zien, en die kraai, daar is geen sprake van.""Je hoeft mij niet te geloven; ik zal het je bewijzen."
"Pang," klonk het.
"Ze valt, ze valt! " riep de jager, "zie je wel dat ik ze geraakt heb."
"Je kunt ons zoveel vertellen," zeiden de anderen, "zo ver kunnen wij toch niet zien."
"Ik zal eens gaan kijken," zei de hardloper.
Als het weerlicht was hij weg, en op een, twee, drie was hij terug en hij had de kraai bij zich. Toen ze dat zagen, moesten ze het wel geloven, en ze lieten niet af voordat de scherpschutter beloofd had met hen mee te gaan. En ze voeren met z'n allen al verder en verder, tot ze ten lange leste bij de koning kwamen.Intussen was de oorlog afgelopen en 't ergste van al, de koning wilde het schip niet meer. Daar stonden de mannen, alle zes, te kijken voor Piet Snot, ze waren bitter teleurgesteld. De koning had dat zeker opgemerkt, want hij zei: "Als jullie kunt doen, wat ik jullie opdraag, dan zul je betaald worden."
"Ja, mijnheer de koning, wat is onze opdracht?"
"Wel, een van de zes moet met mijn meisje meegaan om water te halen aan de fontein aan de andere kant van de stad en is hij 't eerst terug, dan hebben jullie het gewonnen, maar als het meisje 't eerst terug is, dan krijgen jullie niets."
Met dat voorstel waren ze erg ingenomen, want de hardloper was immers overtuigd dat hij zou winnen.
Zo gezegd, zo gedaan. Het meisje van de koning en de hardloper kregen elk een mooi zilveren kannetje om water te putten en ze wandelden allebei, op hun dooie gemak, al pratend en lachend, naar de fontein. Maar het meisje was er een, die niet op haar tong was gevallen, ze snaterde almaar en toen ze aan de fontein kwamen, wist de hardloper niet meer van toeten of blazen. In plaats van water te putten, gingen ze eerst wat zitten, en nadat ze weer een tijd gekletst en gesnaterd had, haalde ze van onder haar schort twee appels te voorschijn, hele mooie, rode appels, zodat het water al in zijn mond stond.
"Daar," zei ze, "ik heb juist voor ieder van ons beiden een appel, en later kun je zeggen dat je van de appels van de koning hebt gegeten."
De hardloper had net zijn appel opgepeuzeld of hij begon al te knikkebollen: hij wreef in zijn ogen en een poosje later lag hij te snurken als een os. Dat meisje had zijn appel door een slaapdrank gehaald en toen ze zag dat hij sliep, stond ze stilletjes op, schepte haar kannetje vol en liep vlug terug naar het paleis van de koning.
De anderen waren intussen erg ongerust dat hij zo lang wegbleef. Je kunt denken hoe ze schrokken, toen ze het meisje van de koning in de verte alleen zagen aankomen. Wat nu gedaan? Zouden ze de wedstrijd verliezen? Toen kreeg degene, die zo goed hoorde, een idee. Hij ging even met zijn oor tegen de grond liggen luisteren, sprong dadelijk op en riep: "Wel, hij ligt ginds bij de fontein met zijn hoofd op een stuk hout te slapen; ik heb hem horen snurken."
"Maar hoe moeten we hem wakker maken? Lang voordat we hem bereikt hebben, is het meisje al hier."
"Wacht, wacht," zei de jager. Hij greep snel zijn geweer, legde aan, mikte en "Pang!" Hij schoot het stuk hout onder het hoofd van de hardloper vandaan. Je kunt je indenken, hoe die opsprong en woest om zich heen keek. Hij wreef zijn ogen uit, maar toen hij het meisje niet meer zag, was hij er vlug bij. Hij schepte water en ging toen aan de loop zo vlug hij kon en juist toen het meisje de poort opendeed, sprong hij snel als de bliksem naar binnen en was in een wip bij de koning.
Ja, nu hadden ze toch gewonnen en de koning moest hen betalen, of hij wilde of niet. Hij ging toen met die mannen naar zijn geldkelder en daar gaf hij hun een grote linnen korenzak en wees hun op een grote hoop goudstukken.
"Wel," zei hij, "jullie mogen scheppen zoveel als je wilt, maar één ding moet ik je zeggen: als je meer schept dan een man tot buiten het paleis kan dragen, dan moet je de zak hier laten."
Toen begonnen ze het goud met handen vol in de zak te smijten en ze lachten maar, toen het gerinkel van het geld hen als muziek in de oren klonk en ze hielden niet op met scheppen.
De koning verkneuterde zich al, want hij dacht dat geen mens die zak geld kon bewegen, laat staan optillen en als ze even rustten, zei hij: "Doe er maar een schepje op, straks heb je geen kans meer."
Ja, en ze schepten net zo lang tot de zak propvol was.
Die zak zullen ze wel moeten laten staan, dacht de koning bij zichzelf. Maar je kunt denken wat voor een gezicht hij trok, toen ze de zak toebonden en toen die sterke houthakker hem op zijn rug gooide en ermee weg wandelde.
Dat was nu goed en wel, maar de koning barstte bijna van spijt, dat hij zoveel goudvinken kwijt was. En wat deed hij? Hij riep dadelijk zijn soldaten bijeen en snelde ze na om het geld terug te halen. Intussen waren de mannen met hun geldzak op het schip gesprongen en ze voeren er vandoor zo hard ze konden, maar dat hielp hen niet, want de soldaten van de koning begonnen hen in te halen.
Die van het schip vreesden al dat ze eraan moesten geloven en ze waren zo geschrokken dat ze niet wisten wat ze moesten doen.
"Wel jongens," zei toen dat oude mannetje met zijn kastje, "wat zijn jullie goed af dat je mij bij je hebt, want zonder mij waren jullie allemaal verloren."
En wat deed hij? Hij zette zijn kastje achter op het schip en draaide er even aan en onmiddellijk werd het zo donker als in een put, zodat de soldaten met hun koppen tegen elkaar botsten en de een naar links en de ander naar rechts tuimelde. En lachen dat de reizigers op het wonderschip toen deden, maar ze voeren er toch maar snel vandoor en als ze niet ergens vastliggen, dan varen ze nog.
(Vlaams Limburg)

Onderwerp

AT 0513B - The Land and Water Ship    AT 0513B - The Land and Water Ship   

ATU 0513B    ATU 0513B   

Beschrijving

Een koning voert oorlog en wil graag een schip dat zowel over water als over land kan varen. Hij belooft veel geld aan de man die zo'n schip bouwt. Een timmerman bouwt het schip en vaart ermee naar de koning. Onderweg neemt hij allerlei mensen mee die iets speciaals kunnen. Een man kan heel goed horen, een ander kan met een toverdoos de lucht donker maken, en een derde kan snel lopen. Als ze bij de koning arriveren, is de oorlog afgelopen. De koning belooft hen toch de goudstukken te geven. Ze moeten sneller dan zijn dochter water halen aan de andere kant van het dorp. De snelle man loopt met de koningsdochter mee. Zij geeft hem een slaapverwekkende appel te eten zodat hij in slaap valt. De man die goed kan horen, hoort hem snurken, Ze wekken hem met een geweerschot. De snelle man is nog net voor het meisje bij de koning terug. De koning geeft de mannen een zak waarin ze zoveel goudstukken mogen scheppen als ze maar dragen kunnen. Maar als de zak te zwaar is, krijgen ze niets. De sterke man kan de zak dragen. De koning krijgt spijt en laat de zak door soldaten terughalen. De man met de toverdoos maakt de hemel donker en de mannen ontkomen aan de soldaten.

Bron

J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 133-137

Motief

D1533.1.1 - Magic land and water ship.    D1533.1.1 - Magic land and water ship.   

F601 - Extraordinary companions.    F601 - Extraordinary companions.   

F621 - Strong man: tree-puller.    F621 - Strong man: tree-puller.   

F641.1 - Man can hear grass (wool) grow.    F641.1 - Man can hear grass (wool) grow.   

F641.3 - Man can hear one sleeping by putting ear to ground.    F641.3 - Man can hear one sleeping by putting ear to ground.   

F601.2 - Extraordinary companions help hero in suitor tests.    F601.2 - Extraordinary companions help hero in suitor tests.   

F601.1 - Extraordinary companions perform hero‘s tasks.    F601.1 - Extraordinary companions perform hero‘s tasks.   

H1127 - Task: carrying off huge quantity of money.    H1127 - Task: carrying off huge quantity of money.   

Commentaar

The Land and Water Ship

Naam Overig in Tekst

Pierlala    Pierlala   

Piet Snot.    Piet Snot.   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20