Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SINVS065 - Jan en Griet

Een sprookje (boek),

Hoofdtekst

JAN EN GRIET
Jan had zijn leven lang in het bos gewerkt om boomstronken uit de grond te halen; daar verdiende hij zijn brood mee. Op een keer vond hij onder zo'n boomstronk een hele grote pot goud. Maar toen zijn vrouw Griet hem 's middags zijn eten kwam brengen, durfde hij haar niet te zeggen dat het goud was, dat hij in de ijzeren pot gevonden had, want ze was zo dom dat hij bang was, dat ze het aan iedereen zou vertellen. Daarom zei hij haar maar dat het een pot met oud ijzer was.
Griet nam de pot en droeg hem naar huis, maar toen ze thuiskwam, was ze doodop van het sjouwen, zodat ze de pot maar gauw ergens in een hoek neerzette en hem daar liet staan. Een half uur later kwam er een man langs, die haar vroeg of ze soms oud ijzer of geitenvellen of zo te koop had.
"Ja," zei ze, "dat tref je, want ik heb net een pot oud ijzer mee naar huis gebracht, die onze Jan daarginds in het bos gevonden heeft. Ga maar eens kijken."
De man zag dadelijk, dat het goud was, en zei tegen Griet: "Ik wil het wel kopen, zeg maar wat je ervoor moet hebben."
"Zou een kwartje te veel zijn?" vroeg Griet.
Neen, dat vond de man niet en hij sjouwde de pot weg.
Griet was zo blij met haar goede verkoop, dat ze geen geduld meer had om thuis te zijn en op Jan te blijven wachten; ze ging hem tegemoet om het grote nieuws te vertellen. Ze was immers rijk geworden!
"Ik heb al een kwartje te pakken," riep ze, "stel je voor: een kwartje voor die oude lelijke pot!"
Jan werd zo woedend, dat hij begon te schelden en te tieren.
"Verdorie Griet!" riep hij, "het is toch altijd hetzelfde met jou. Wat ben je toch stom. In die pot zat goud, goud, hoor je!"
Maar Jan zag al gauw in dat hij met schelden zijn goud niet terug kreeg en daarom zei hij tegen Griet: "Waar ging die man naar toe? Vlug, vertel op!"
"Die kant op," zei Griet, "daar, naar dat bos."
Toen gingen Jan en Griet die man achterna, maar hoe hard ze ook liepen en hoe ze ook zochten, ze vonden hem niet. Eindelijk kwamen ze aan een kreupelbos, dat zo dicht was, dat ze er alleen op handen en voeten door konden kruipen.
"Vooruit, erdoor!" riep Jan tegen Griet. De slimme Griet draaide zich bij die woorden plotseling om en liep op een drafje naar huis terug.
Wat zou ze nu weer hebben, dacht Jan en hij bleef stomverbaasd staan wachten en kijk, na een uur, daar kwam Griet aangezeuld met de voordeur op haar rug.
"De deur!" hijgde ze.
Jan begon weer met nieuwe moed te schelden en te tieren tot hij buiten adem was.
"Wat moet ik nou in 's hemelsnaam met je aanvangen," zuchtte hij tenslotte. En omdat ze zo moe waren van het lopen, lieten ze de moed zakken. Ze zetten de deur schuin overeind tegen een boom, en gingen eronder liggen om te slapen; zo bleven ze tenminste droog, als het zou gaan regenen. En de volgende morgen zochten zij hun hutje weer op met de deur tussen hen in.
Nadat ze die morgen gegeten hadden, moest hun enige zoon Hannes de koe gaan hoeden op de grasberm aan de rand van de hei. Toen hij daar heen en weer liep met de koe, struikelde het dier plotseling, trapte in een kuil en brak een poot.
Wat nu gedaan? Hannes durfde niet naar huis om het te vertellen en de koe kon niet meer verder en loeide van de pijn.
"'t Enige wat me overblijft, is het dier te slachten," dacht Hannes. Dat deed hij dan ook en hij stroopte haar de huid af om ergens in een dorp het vel aan een schoenmaker te verkopen, zodat hij voorlopig wat geld op zak zou hebben.
Toen hij echter onderweg was, viel de duisternis in. Hannes was juist in een groot bos, en toen hij daar zo liep, zag hij in de verte een vuur branden en om dat vuur was een bende rovers geschaard, die bezig waren hun buit te verdelen.
Hannes hing het koeievel op zijn rug, zodat de horens boven zijn hoofd uitstaken, kroop op handen en voeten naderbij en liep luid brullend op hen af.
De rovers schrokken vreselijk. Ze dachten niet anders of de duivel kwam hen halen en ze renden weg, zo snel hun voeten hen dragen konden; het geld echter lieten ze in de steek. Hannes verstopte dat geld in een kuil in het bos en nam toen in het dichtstbijzijnde dorp vier voerlui aan om het geld naar huis te sjouwen. Hij kon echter niet tellen of rekenen, lezen of schrijven, en zo wist hij niet, hoe rijk hij wel geworden was. Daarom ging hij naar de koning om van hem een maat te lenen en het geld te meten. Hij zei echter niet, waarvoor hij de maat nodig had; hij vroeg alleen een half vat te leen.
De maat was oud en versleten en zo kon het gebeuren, dat er nog een goudstuk in was blijven steken toen hij haar terugbracht. De koning vond dat goudstuk en begreep waarvoor dat halve vat had moeten dienen. Hij zei dat Hannes een rover was, want als hij geld moest meten, kon hij het onmogelijk zelf verdiend hebben, en hij liet hem oppakken en voor de raad brengen, die over zijn lot zou beslissen.
Het hielp Hannes niet dat hij bij hoog en laag beweerde eerlijk aan het geld gekomen te zijn en ook het verhaal van zijn avonturen kon hem niet redden. Het woord van de koning was wet en hij werd schuldig verklaard.
De volgende morgen werd hij in een zak genaaid en op een kruiwagen gezet. Twee knechts van de koning zouden hem drie uur ver wegbrengen en dan in een kolk verdrinken.
Onderweg zagen de knechts iets in het bos bewegen en ze gingen kijken wat het was. Juist kwam er een scheper met zijn kudde schapen voorbij. Zodra Hannes hen in de gaten kreeg, begon hij hard te roepen: "Ik moet met de dochter van de koning trouwen, maar ik wil niet! Ik moet met de dochter van de koning trouwen, maar ik wil niet!"
De scheper hoorde dat en kwam haastig naderbij.
"Als je niet wilt, ik wil met alle plezier," zei hij.
"Nu, maak dan de zak maar los," zei Hannes, "dan kun jij erin kruipen en met haar trouwen."
Dat gebeurde, de schaapherder kroop in de zak en Hannes knoopte die stevig dicht en ging er met de schapen vandoor. Even later kwamen de knechts weer uit het bos te voorschijn en reden met de kruiwagen naar de kolk, waar ze de zak in het water wierpen. Toen Hannes weer thuiskwam, was de koning erg verbaasd hem zo te zien aankomen met een troep van wel driehonderd schapen; hij dacht immers niet anders of Hannes was verdronken.
"Wat is dat nou? Hoe kom je aan al die schapen?" vroeg hij.
"Het is jammer," antwoordde Hannes, "dat ze me niet een beetje verder de kolk ingegooid hebben, want dan had ik koeien gehad en nog verder paarden; in die kolk kun je alles krijgen, wat je wilt."
De koning riep toen vlug zijn raadsleden bij elkaar en ogenblikkelijk werd besloten om ook naar de kolk te gaan.
Ze namen polsstokken mee, om er maar zo ver mogelijk in te kunnen springen, want ze dachten dat er heel wat te halen zou zijn.
Bij de kolk aangekomen, sprongen ze allemaal zo ver ze konden erin, en daar ze niet zwemmen konden, verdronken ze natuurlijk.
Hannes en zijn vader en moeder waren nu echter rijk en machtig en leefden verder tevreden en gelukkig.
(Noord-Brabant)

Onderwerp

AT 1535 - The Rich and the poor Peasant    AT 1535 - The Rich and the poor Peasant   

ATU 1535    ATU 1535   

Beschrijving

Een man vindt een pot met geld. Hij wil het niet aan zijn vrouw vertellen uit angst dat zij het door vertelt en ze het geld dan moeten afstaan. Hij zegt haar daarom dat het een pot ijzer is. De vrouw verkoopt de pot aan een ijzerhandelaar. De man en de vrouw proberen tevergeefs de handelaar te achterhalen. De vrouw haalt een deur van huis, omdat ze de woorden van haar man ("erdoor") verkeerd opvat. De volgende dag hoedt hun zoon de koe. De koe struikelt en moet afgemaakt worden. Het vel van de koe draagt de zoon over zijn rug om het elders te verkopen. Onderweg in een bos ziet de jongen een bende rovers die bezig zijn hun buit de verdelen. Met het vel over zich heen getrokken jaagt hij de rovers weg. De jongen neemt het geld dat de rovers hebben achtergelaten mee. Om te meten hoeveel geld hij nu bezit, leent de jongen een maatvat bij de koning. Omdat in het vat een goudstuk achterblijft, weet de koning dat de jongen veel geld heeft. Hij beschuldigt hem van diefstal. De jongen wordt in een zak gestopt en op een kruiwagen gezet, waarna knechts hem zullen laten verdrinken in een kolk. De jongen roept een schaapherder en vertelt hem dat hij in de zak zit omdat hij moet trouwen met de koningsdochter. De schaapherder bevrijdt de jongen uit de zak en neemt er zelf plaats in. De jongen loopt met de schaapkudde naar de koning. Aan de koning legt hij uit dat hij de schapen in de kolk heeft gevonden en dat je er van alles kunt krijgen. De koning en zijn raadsleden vertrekken terstond naar de kolk. Omdat ze niet kunnen zwemmen, verdrinken ze allen. De jongen en zijn ouders zijn nu rijk.

Bron

J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 193-195

Commentaar

The Rich and the Poor Peasant

Naam Overig in Tekst

Jan    Jan   

Griet    Griet   

Hannes.    Hannes.   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20