Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

SINVS078 - Het meisje in het rovershol

Een sprookje (boek), zaterdag 16 april 1892

Hoofdtekst

HET MEISJE IN HET ROVERSHOL
Er was eens een rijke familie, die in een deftig huis op een van de grachten in Amsterdam woonde. Eens gingen zij 's avonds uit en lieten de zorg van hun huis aan de knecht en de twee dienstmeisjes over. Nu wilde het geval dat de knecht dringend werd weggeroepen en de twee meisjes besloten voor alle zekerheid alles voor en achter grondig af te sluiten, de luiken voor de vensters vast te maken en alle grendels op de deuren te schuiven.
Nadat ze gegeten hadden, merkte Anna de keukenmeid dat het vleesmes nodig gescherpt moest worden. Ze ging daarom met het andere meisje naar de keuken om het mes op de slijpplank te wetten. Toen ze daarmee bezig waren, hoorden de meisjes plotseling een geluid van mannenstemmen dat uit de kelder opsteeg. Het tweede meisje bedacht zich geen ogenblik, maar rende naar buiten de straat op, maar Anna bleef en ze hoorde hoe de rovers met elkaar overlegden hoe ze het beste vanuit de kelder het huis konden binnendringen. Al spoedig ontdekten die kerels een luik, waardoor ze in de keuken konden komen en ze besloten één voor één door het nauwe luik naar boven te klimmen. De eerste, die door het luik was, zou wachten tot de volgende zou roepen: "Ben je er?" en dan met "ja" antwoorden. Zo zouden ze alle zeven één voor één het huis binnendringen.
In de keuken stond Anna, ze was wel bang, maar ze bleef toch met het scherpe vleesmes in de hand bij het luik staan. Toen de eerste rover zijn hoofd door het luik stak, sloeg zij hem rats de kop af en trok daarop snel het lichaam door het luik en legde het opzij bij het aanrecht.
Na enige ogenblikken klonk een zware stem van beneden: "Ben je er?" en zij antwoordde met een stem, die klonk als een klok: "Ja". Hierop volgde de tweede rover en die verging het als de eerste en zo ging het tot zesmaal toe. Maar de laatste rover, die de hoofdman van de bende was, kreeg argwaan en vluchtte de kelder uit.
Niet lang daarna kwam de familie thuis en toen ze hoorden wat er gebeurd was toen ze al die dode rovers zagen, waren ze eerst sprakeloos van schrik, maar daarna overlaadden ze de dappere Anna met geschenken.
Spoedig daarop vertrok de knecht en een paar dagen later kwam een andere knecht zijn diensten aanbieden en werd op slag aangenomen, omdat hij zo keurig en beleefd was.
Die nieuwe knecht, die Piet heette, had het dadelijk op Anna voorzien en hij sloofde zich zo uit dat ze hem haar jawoord gaf toen hij zijn aanzoek deed. Daarop vroeg hij of hij een dagje vrij mocht nemen, opdat hij Anna aan zijn ouders kon voorstellen.
De familie vond dit dadelijk goed en mijnheer stelde voor dat ze een weekje vrijaf zouden nemen en op een goede dag vertrokken zij. Zij reden in een sjees en nadat ze de stad achter zich gelaten hadden en al een tijdje gereden hadden, vroeg Anna steeds: "Zijn we er nog niet?"
"Nog niet, nog niet," was voortdurend zijn antwoord, tot hij eindelijk zei: "Verlang je zo naar je dood?"
Toen Anna hem verbaasd aankeek, zei hij: "Je hebt mijn zes broers vermoord en nu zul je er ook aan moeten geloven."
Ze begreep opeens dat Piet, die brave knecht, de roverhoofdman was die had kunnen ontkomen; ze had immers tevoren de rovers horen zeggen dat ze met z'n zevenen waren, en er waren slechts zes mannen door het luik gekropen. Piet legde de zweep over het paard en ze reden bliksemsnel tot ze aan een groot huis kwamen: dat was het rovershol en Piet's ouders hielden er een herberg. Veel reizigers, die er overnachtten, werden er van kant gemaakt als de rovers meenden dat ze genoeg geld bij zich hadden.
Anna werd van de sjees getild en overgeleverd aan Piet's vader en moeder, die haar dadelijk vastbonden en in een kamer brachten. Anna was verre van dom en ze had ervoor gezorgd dat de koorden niet al te stijf zaten.
Terwijl ze daar nu zat te overleggen hoe ze zou kunnen ontvluchten, hoorde ze in het roofhol beraadslagen of ze deze avond of eerst de volgende avond een eind aan haar leven zouden maken. Haar Piet was er voor om haar nog diezelfde avond te vermoorden, maar de anderen waren voor uitstel, omdat ze nog een paar karweitjes moesten opknappen.
Anna nam echter het zekere voor het onzekere en bang dat de rovers van gedachten zouden veranderen, besloot ze zo snel mogelijk te handelen. Met een puntige steen, die daar lag, gelukte het haar de koorden los te maken. Ze had ook een venstertje ontdekt, dat boven een sloot uitkwam en ze werkte zich door die smalle opening. Daarna knoopte ze de koorden, waarmee men haar gebonden had, aan elkaar en liet zich zo naar beneden zakken. Toen ze uit de droge sloot gekropen was, liep ze zo snel als ze kon weg tot ze aan een boerderij kwam.
Daar woonde toevallig een boer, die wel eens kaas en boter aan de familie leverde en zij smeekte hem haar te verbergen en zo spoedig mogelijk naar Amsterdam te brengen. De boer, die juist een zwaar beladen hooiwagen had klaargemaakt om er de volgende morgen mee naar Amsterdam te rijden, besloot Anna onder het hooi te verbergen. Anna vroeg hem om haar vlak vooraan een plaatsje te geven, waar de wagen het breedst was, achter de rug van de boer. Daar ging ze zitten, zodat ze met een grote hooivork niet te raken was. Wat Anna had gevreesd, gebeurde.
Zo gauw ze de grote weg waren opgereden, kwamen een paar als boer verklede rovers uit het struikgewas te voorschijn en eisten dat de boer halt zou houden en het hooi af zou laden. Dat weigerde de boer, maar hij stelde voor dat ze met de grote hooivork tot driemaal toe in het hooi zouden steken. Wanneer daar iemand zich verborgen had, zou er stellig bloed aan de punten van de hooivork kleven en dan zou hij afladen.
Na die woorden dachten de rovers wel dat de boer niets te verbergen had, maar voor alle zekerheid staken ze tot driemaal toe met kracht in het hooi, maar aan geen enkele punt kleefde bloed en ze lieten de boer gaan, die doorreed en tegen de avond in Amsterdam aankwam.
Daar werd Anna uit het hooi bevrijd en ze keerde terug naar de familie aan de gracht die haar verbaasd ontving. Nadat ze wat op haar verhaal gekomen was, vertelde ze wat haar overkomen was en men besloot voorzichtig te werk te gaan. De politie werd gewaarschuwd en men wachtte af wat er gebeuren zou. En ja hoor, na een week kwam Piet doodgemoedereerd weer opdagen en hij vertelde dat Anna ziek was geworden en dat ze daarom bij zijn ouders zou blijven.
Maar wat schrok hij, toen Anna plotseling te voorschijn kwam en voor hij van zijn verbazing was bekomen, hadden de politieagenten hem al te pakken. De dag daarop was het de beurt van Piet's vader en moeder en van de andere rovers, die niets kwaads vermoedden en zo werd de hele bende opgerold.
(Noord-Holland)

Onderwerp

AT 0956B - The Clever Maiden Alone at Home Kills the Robbers    AT 0956B - The Clever Maiden Alone at Home Kills the Robbers   

ATU 0956B    ATU 0956B   

Beschrijving

Een rijke familie gaat op een avond uit en laat de zorg van het huis aan twee dienstmeisjes over. Vanuit de keuken horen ze hoe zeven rovers willen inbreken. Via het luik in de keuken komt de eerste rover naar boven. Een van de dienstmeisjes hakt snel zijn kop eraf. De volgende rover vraagt aan de eerste rover of hij er al is. Het meisje antwoordt met een lage stem bevestigend. Ook de tweede rover onthoofdt ze. Dit gaat zo door tot ze zes rovers heeft gedood. De laatste rover heeft argwaan gekregen en weet te ontsnappen. Dan wordt een nieuwe knecht in dienst genomen. Hij maakt het dienstmeisje het hof. Hij wil met haar trouwen en haar voorstellen aan zijn ouders. Hij neemt het dienstmeisje mee. Dan vertelt de knecht dat hij de laatste rover is en dat ze haar zullen vermoorden. Het meisje weet uit zijn ouderlijk huis, een rovershol, te ontsnappen. Ze verstopt zich in een hooiwagen van een boer die haar terug naar de stad zal brengen. De boer komt de rovers tegen. Zij willen dat hij de hooiwagen aflaadt. De boer weigert dit maar staat wel toe dat ze drie keer in het hooi prikken. Het meisje heeft zich in het breedste gedeelte verstopt. Ongedeerd komt ze bij de familie terug. De 'knecht' komt terug om te zeggen dat het meisje ziek bij zijn ouders is gebleven. De gewaarschuwde politie pakt de knecht op en rolt de hele roversbende op.

Bron

J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 218-220

Commentaar

16 april 1892
Het is een bewerkte versie van een op 16 april 1892 door mevrouw M.A. Ferwerda ingezonden verhaal aan G.J. Boekenoogen.
The Clever Maiden Alone at Home Kills the Robbers

Naam Overig in Tekst

Anna    Anna   

Piet.    Piet.   

Naam Locatie in Tekst

Amsterdam    Amsterdam   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20