Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BYLEFT03 - De zes dienaren

Een sprookje (boek), 1978

Melding:

Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.
De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.

Melding:

Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.
De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.

Hoofdtekst

De zes dienaren
Er was eens een oude heks, die het met veel achterbakse toverkunsten tot koningin van het land gebracht had.
Regeren kon ze natuurlijk niet. Ze deed maar wat. En niemand die er ook maar iets van durfde zeggen. De ministers en raadsleden in het paleis waren zó bang voor hun koningin, dat ze haar in alles gelijk gaven.
De heks had ook een dochtertje, dat helemaal niet op haar leek. Het was een lief meisje, maar de heks had een hekel aan haar, omdat ze nog mooi was óók. Ze hield haar opgesloten in een kleine, kille torenkamer en bracht haar daar één keer per dag wat eten en drinken.
Nooit liet ze haar dochtertje naar buiten gaan.
"Geen prins zal ooit zien hoe mooi je bent," zei ze weleens. En het arme prinsesje kon niets anders doen dan wachten en hopen, dat iemand haar ooit uit haar gevangenschap zou komen verlossen.
Ze kon niet weten, dat het gerucht over haar schoonheid al over de hele wereld was gegaan. Er kwamen dan ook prinsen uit allerlei landen naar het paleis van de heksenkoningin, om daar om de hand van de prinses te vragen.
Maar niet één van die prinsen was ooit naar zijn eigen koninkrijk teruggekeerd. Dat kwam zo.
De koningin verveelde zich eigenlijk nogal in dat grote paleis. Ze zat de hele dag maar op haar gouden troon in het rond te kijken. Een enkele keer nam ze haar toverboek nog weleens ter hand, om bijvoorbeeld een hofdame in een wandelende tak te veranderen, maar veel plezier beleefde ze daar toch niet meer aan.
Wanneer zich dus een trouwlustige koningszoon aan de poort meldde, beschouwde ze dat als een welkome afwisseling.
"Dus jij wilt met mijn dochter trouwen?" vroeg ze dan. "Nou, dat kan. Maar je moet er wèl wat voor doen. Ik geef je drie opdrachten. Als je die goed uitvoert, mag je de prinses meenemen. Zo niet, dan gaat je kop eraf!"
En natuurlijk bedacht ze altijd zulke verschrikkelijk moeilijke dingen om te doen, dat niet één van al die arme jongens er ook maar iets van terecht bracht. Zo waren er al heel wat prinsen onthoofd, want de heks kende geen medelijden.
Nu woonde er ergens een knappe jonge prins, die het nog niet geprobeerd had. Hij had wel horen vertellen dat het heel gevaarlijk was om de prinses het hof te maken, maar hij had óók gehoord hoe geweldig mooi ze was en op een dag besloot hij zijn geluk maar eens te gaan beproeven. Hij haalde zijn fluwelen mantel uit de kast, zadelde zijn paard en ging op weg.
Het eerste deel van de reis voerde hem over een uitgestrekte vlakte. Het was mooi weer, de heide stond in volle bloei en de prins was vol goede moed.
Opeens gaf hij zijn paard de sporen. In de verte lag een heuvel, die daar vroeger nooit geweest was. Was het een hooiberg? Een stapel suikerbieten? Een hoop zand misschien?
Niets van dat alles.
Het was een onbeschrijflijk dikke man, die met zijn bolle buik omhoog in de hei lag te luieren.
"Goeiemiddag," zei de prins.
"Ah," sprak de dikke man, terwijl hij zich moeizaam oprichtte, "een prins, dat zie je zo. Uw dienaar, meneer."
De prins schoot in de lach. "Mijn dienaar? Ik zou niet weten wat ik met zo'n dikkerd moest beginnen!"
"Ik dik? En ik heb al in weken niet lekker gegeten! Als ik me 's goed kwaadmaak, ben ik nog wel duizend keer zo dik!"
"Wacht eens even," zei de prins nadenkend. "In dat geval kan ik je misschien toch wel gebruiken. Hoe heet je?"
"Heuvelbuik," zei de man. En zo gingen ze samen verder. Na een poosje zagen ze een man die op de grond geknield lag, met z'n achterste omhoog en z'n oor vlakbij het gras.
"Wat doet U daar?" vroeg de prins.
"Luisteren," was het antwoord.
"Luisteren? Waarnaar?"
"Naar wat er zoal in de wereld gebeurt. Ergens huilt een meisje, omdat ze niet van spruitjes houdt en ze toch moet eten. Ik hoor een man zingen in het bad. En op de Buitel-eilanden zijn de kadetjes weer een cent duurder geworden. Tenminste, dat zeggen ze daar."
"Kunt U dat echt allemaal horen?" vroeg de prins verbaasd.
"Meneer, ik hoor zelfs het gras groeien. Het is weleens vervelend, hoor. Maar als ik U van dienst kan zijn? Ik heet Luisterbink."
"Dat kunt U zeker," zei de prins. En ze vervolgden gedrieën hun weg: de prins, Heuvelbuik en Luisterbink.
Even later bleef de prins opnieuw staan.
Op de grond lagen twee voeten. Er zaten twee benen aan vast die zo lang waren, dat het eind ervan pas na een hele tijd in zicht kwam. Daar kwam het lijf. En weer een heel eind verder was daar eindelijk het hoofd.
"Tjonge, wat bent U lang," zei de prins tegen het hoofd.
"Noemt U dat lang? Als ik me even uitrek, ben ik nog wel duizend keer zo lang! Ik ben met twintig stappen de wereld rond, als ik dat wil. Mag ik mee?"
"Nou en of," zei de prins. "Hoe is Uw naam?"
"Torenbeen," was het antwoord.
Toen waren ze met z'n vieren: de prins, Heuvelbuik, Luisterbink en Torenbeen.
"Wie zal nummer vijf zijn?" vroeg de prins zich af. Maar daar kwam hij gauw genoeg achter.
Daar zat, aan de kant van de weg, een man met een lap over z'n ogen.
"Hebt U zulke zwakke ogen dat U niet tegen het licht kunt?" vroeg de prins.
"Integendeel. Mijn ogen zijn zó scherp, dat ik dit verband wel moet dragen. Als ik ergens naar kijk, breekt het in duizend stukken. Wat ik in mijn leven al niet aan gruzels heb gekeken, meneer. Als klein kind keek ik de zuigfles al aan diggelen. Ik word dan ook door iedereen Kogel-oog genoemd, hoewel ik eigenlijk Piet heet."
"Wil je mee, Kogel-oog?" vroeg de prins.
"Nou graag," zei Kogel-oog.
En zo gingen ze met z'n vijven verder: de prins, Heuvelbuik, Luisterbink, Torenbeen en Kogel-oog.
Een hele tijd kwamen ze niemand tegen. Het was een warme dag en de prins wilde juist voorstellen om in een herberg even uit te blazen, toen ze vóór zich een man over de weg heen en weer zagen hollen. De man droeg een dikke winterjas, een ijsmuts, drie warme wollen sjaals en bontwanten.
"Wat doet U nou?" riep de prins uit.
"Ik h-heb 't zo k-k-koud," bibberde de man.
"Maar het is hartje zomer!"
"K-kan ik het helpen?" zei de man met klapperende tanden. "Hoe w-warmer het is, h-hoe k-k-kouder ik het k-krijg. Zo ben ik g-geboren. O, ik b-bevries zowat! Brrrr!"
En hij liep stampvoetend over de weg heen en weer, trok z'n muts nog dieper over z'n oren en sloeg zich met zijn armen om z'n schouders.
"Nou, jij bent ook een rare snoeshaan," zei de prins. "Maar ik heb zo'n idee, dat je me best nog eens van dienst zou kunnen zijn. Hoe heet je?"
"IJsbrand," mompelde de man.
"Dat had ik kunnen bedenken. Ga je mee, IJsbrand?"
"T-t-tuurlijk," zei IJsbrand.
Zo reisden ze samen verder: de prins, Heuvelbuik, Luisterbink, Torenbeen, Kogel-oog en IJsbrand.
Ze hadden al bijna de grens van het koninkrijk van de oude heks bereikt toen ze een man tegenkwamen die zó'n lange nek had, dat hij meer op een giraffe dan op een mens leek. De man keek vrolijk om zich heen en uit zijn ogen straalde een helder licht.
"Hallo!" riep de prins naar boven. "U lijkt wel een vuurtoren. Waar kijkt U zo naar?"
"Naar van alles en nog wat," antwoordde de man. "Ik zie álles. Ik kijk zó over de Himalaya heen, als ik me even uitrek."
"Wilt U mijn dienaar zijn?" vroeg de prins.
"Waarom niet," zei de man. "Langnek is de naam."
Daar gingen ze, op weg naar het paleis van de oude heks.
Eerst de prins, die maar wat blij was met zijn zes dienaren. Dan Heuvelbuik en Luisterbink, Torenbeen en Kogel-oog en tenslotte IJsbrand en Langnek.
De volgende morgen vroeg bereikte het gezelschap zijn bestemming. De prins liet zijn dienaren in een herberg achter en ging alleen het paleis binnen.
Daar zat de koningin op haar gouden troon.
"Jij wilt met mijn dochter trouwen, dat zie ik zo," riep ze uit, toen de prins voor haar stond.
"Alstublieft," zei de prins.
De koningin wreef zich vergenoegd in de handen.
Wat een knappe jongen, dacht ze: bijna zonde, om zo'n mooi hoofd te laten rollen. Maar het is m'n enige lolletje."
En ze vertelde de prins dat ze hem drie opdrachten zou geven, dat hij de prinses zou krijgen als hij die opdrachten goed uitvoerde en dat zijn kop eraf zou gaan, als hij faalde.
"Ik faal niet," zei de prins, hoewel hij zich allerminst op zijn gemak voelde. "Zegt U maar wat ik doen moet."
De koningin boog zich voorover en keek de prins strak aan.
"Ik heb mijn diamanten ring in de Zilverzee laten vallen. Ik wil 'm terug. Vóór vanmiddag twaalf uur. Ga maar gauw."
"De eerste opdracht is niet eenvoudig," zei de prins toen hij in de herberg terugkwam. "Het ouwe mens wil een ring hebben die op de bodem van de Zilverzee ligt. Wat doen we nu?"
"Ik zal eens zien," zei Langnek.
Hij stapte naar buiten en rekte zijn hals. Zijn hoofd wiegde als een klaproos op een lange stengel in de wind heen en weer. Eerst keek hij rechts. Toen keek hij links. Toen keek hij nog eens rechts. Het licht uit zijn ogen scheen over de wereld, helemaal tot op de bodem van de Zilverzee.
"Ik zie de ring!" riep hij opeens. "Daar ligt-ie. Tussen de waterplanten. Maar 't is een eind weg, hoor."
"Daar weet ik wel wat op," zei Torenbeen.
Hij knielde, zodat de prins en de overige vijf dienaren op zijn rug konden klimmen.
Toen richtte hij zich op en deed drie stappen.
"Uitstappen allemaal," zei hij toen.
"Hier is de Zilverzee. Als ik die ring zàg, zou ik 'm zo voor je pakken. Maar ik kan niet door het water heen kijken."
"Ligt-ie in dat vijvertje?" vroeg Heuvelbuik, toen ze allemaal weer op de grond stonden. Hij ging aan de oever liggen, deed zijn mond open en dronk... dronk... en toen hij zó was opgezwollen dat iedereen dacht, dat hij nu wel uit elkaar zou ploffen, veegde hij zijn lippen af en zei: "Voilà."
De Zilverzee was zo droog als een zandstrandje.
Torenbeen boog zich voorover, pakte de ring en overhandigde hem met een diepe buiging aan de prins.
"Zulke geweldige dienaren heb ik nog nooit gehad," riep die.
En terwijl hij zijn vrienden weer in de herberg liet wachten, bracht hij de ring aan de koningin - om precies twee minuten voor twaalf.
De oude heks wist niet hoe ze 't had. Mompelend draaide ze de ring in haar vingers rond, hield hem tegen het licht en liet hem tenslotte in de zak van haar mantel glijden.
"Ja, het is 'm," zei ze. "Dat heb je aardig gedaan, dat moet ik zeggen. Maar nu wordt het iets moeilijker, hoor jongen. Kom eens hier."
Ze nam de prins mee naar één van de grote vensters van de troonzaal en deed de luiken open. Het venster bood uitzicht op de uitgestrekte bossen en de sappige weilanden, die het paleis omringden. Op één van die weilanden graasde een kudde vette ossen.
"Driehonderd zijn het er," zei ze. "En die eet jij allemaal op. Alleen de staarten mag je laten liggen, want ossestaartsoep is mijn lievelingskostje. O ja - en dan heb ik in de kelder nog driehonderd vaten wijn staan. Die wijn is óók voor jou. En als ik er vanavond om acht uur ook maar één druppeltje van terugvind, weet je wat er dan met jou gebeurt?"
"Dan gaat mijn kop eraf," zei de prins.
Hij liep naar de deur en keerde zich om.
"Mag ik ook gasten uitnodigen? Zo'n heerlijk maal mag je toch niet in je eentje gaan zitten verorberen, vindt U wel?"
"O, wat zijn we leuk. Maar vooruit, je mag één gast uitnodigen. Zorg maar dat-ie honger heeft. Eet smakelijk!"
En de koningin liet zo'n valse lach horen, dat de prins maar gauw maakte dat-ie wegkwam.
Zo vlug hij kon liep hij naar de herberg, waar zijn zes dienaren al vol spanning naar hem uitkeken.
"En?" riepen ze in koor.
De prins sloeg Heuvelbuik op z'n schouder.
"Zou jij wel een lekker hapje lusten?"
"Nou!" riep Heuvelbuik watertandend.
"Kom dan maar mee," zei de prins.
Toen Heuvelbuik een uur later hoopvol om zich heen keek of er nog méér om te smikkelen kwam, lagen er driehonderd ossestaarten keurig naast elkaar in het gras. En toen hij wéér een uur later luid zingend naar de herberg terugwaggelde, was er in alle driehonderd wijnvaten niet één druppeltje wijn meer te bekennen.
De prins meldde zich bij de koningin, met de boodschap dat ook de tweede opdracht uitgevoerd was.
"Wel heb ik ooit!" riep ze uit. "Dat heeft nog nooit iemand gepresteerd! Is alles op?"
"Alles," zei de prins. "Gaat U maar kijken."
"Ach, ik geloof je wel. Nou ja. Ik heb nog één opdracht voor je. Die heb ik aardig bedacht, al zeg ik het zelf." De koningin lachte vals. "Luister. Ik laat op de binnenplaats van het paleis een groot vuur aanleggen. Als jij iemand kunt vinden, die midden in dat vuur wil gaan zitten tot het uitgedoofd is - en dat kan wel even duren - dàn heb je 't van me gewonnen en mag je met de prinses trouwen."
En toen de prins vertrokken was, mompelde ze in zichzelf: "Nou heb ik 'm! Hihi! Al is-ie honderd keer een prins, dáár krijgt-ie nooit iemand voor!"
En ze scharrelde de stenen trap af, om onder haar toezicht op de binnenplaats een grote brandstapel te laten oprichten.
Maar de prins kreeg er wèl iemand voor: IJsbrand, de man die het bij warmte zo koud en bij koude zo warm kreeg. IJsbrand pakte zich lekker dik in en sprong huiverend in het vuur.
De vlammen verlichtten de oude muren rond de binnenplaats en het brandende hout siste en knetterde. Een regen van vonken werd door de wind weggeblazen. Niemand waagde zich in de buurt, want op tien meter afstand was de hitte al bijna niet meer te verdragen.
Drie dagen en nachten bleef het vuur branden.
Toen doofde het langzaam uit.
En daar, tussen de gloeiende kooltjes en de laatste kleine vlammetjes, stond IJsbrand. Hij bibberde zó, dat hij zich bijna niet staande kon houden en er hing een grote ijspegel aan zijn neus. Toen hij de prins, de koningin en de overige vijf dienaren zag staan, zei hij met klapperende tanden: "Nou z-zó gek krijg je me niet meer hoor! Brrr! N-nog even en ik was doodgev-vroren! Hu!"
De koningin stond met open mond te kijken. Ze had de laatste dagen al veel verbijsterende dingen meegemaakt, maar dit was toch wel het toppunt.
"Nu mag ik met Uw dochter trouwen," zei de prins.
Sissend deinsde de koningin achteruit.
"Dat had je gedacht, wijsneus! Als ik je kop dan niet krijg, kan ik je toch tenminste in een pad veranderen! Ik ben niet voor niks een heks! Oebie-oebie-dabbeledoebie-"
Op dat moment lichtte Kogel-oog, de enige van de zes dienaren die nog niets voor zijn meester gedaan had, het verband voor zijn ogen op en keek één seconde naar de koningin.
Wat er toen gebeurde, hoef ik je niet te vertellen. De koningin spatte in duizend stukjes uit elkaar. Maar of dat nu door Kogel-oog kwam? Misschien was ze wel gewoon van woede uit elkaar geploft, wie zal het zeggen? In ieder geval had niemand ooit nog last van haar, dat is duidelijk.
De prins rende de wenteltrap op naar de torenkamer van het paleis en bevrijdde de prinses. Die was natuurlijk dolgelukkig. Na haar jarenlange gevangenschap wilde ze maar wat graag trouwen met de man, die haar uit dat ellendige bestaan verlost had.
"Ik wil eigenlijk wel meteen naar huis," zei de prins. "Maar wie moet het land dan regeren?"
"O, dat maken wij wel in orde," zeiden de ministers.
En nadat de èchte koning van het land, die door de heks uit het paleis verjaagd was en nu in een armzalig hutje op de hei woonde, zijn troon onder groot gejuich van de hele hofhouding weer bestegen had, vertrok de prins met zijn bruid.
En zijn zes dienaren? Die nam hij natuurlijk mee naar zijn koninkrijk, waar ze hun hele leven gratis in zijn paleis mochten wonen en als vorsten verzorgd werden!

Onderwerp

AT 0513A - Six Go through the Whole World    AT 0513A - Six Go through the Whole World   

ATU 0513A    ATU 0513A   

Beschrijving

Een heks heeft zich van de troon meester gemaakt en regeert als koningin; haar dochter heeft ze opgesloten. Prinsen komen om haar hand vragen, maar de koningin geeft ze drie onuitvoerbare opdrachten, en op falen staat de doodstraf. Toch wil weer een prins het erop wagen. Onderweg komt hij zes dienaren tegen die hij meeneemt. Ze hebben alle zes een bijzondere kwaliteit: veel eten, scherp horen, hard lopen, vernietigend kijken, hittebestendigheid en ver zien. De eerste opdracht voor de prins is: haal de diamanten ring uit de zee. De dienaar die ver kan zien, ziet de ring, de harde loper neemt iedereen mee, de grote eter drinkt de zee leeg. De tweede opdracht is: 300 ossen eten, behalve hun staart, en 300 vaten wijn drinken. Eén gast is toegestaan, en de grote eter slaagt in de opdracht. De derde opdracht: iemand vinden die op een brandstapel gaat zitten tot deze gedoofd is. De hittebestendige dienaar slaagt hierin. Als de koningin de prins in een pad wil veranderen, wordt zij door een dienaar gedood met een vernietigende blik. De dochter wordt bevrijd en de verbannen koning in ere hersteld. De prins neemt de dochter en de dienaren mee naar zijn eigen koninkrijk.

Bron

M. Bijl: Sprookjes van de Efteling. Zesde druk. Den Haag 1978, p.15-21

Motief

H335 - Tasks assigned suitors.    H335 - Tasks assigned suitors.   

H331 - Suitor contests: bride offered as prize.    H331 - Suitor contests: bride offered as prize.   

F601 - Extraordinary companions.    F601 - Extraordinary companions.   

F641.1 - Man can hear grass (wool) grow.    F641.1 - Man can hear grass (wool) grow.   

F641.3 - Man can hear one sleeping by putting ear to ground.    F641.3 - Man can hear one sleeping by putting ear to ground.   

F633 - Mighty drinker.    F633 - Mighty drinker.   

F632 - Mighty eater.    F632 - Mighty eater.   

F601.2 - Extraordinary companions help hero in suitor tests.    F601.2 - Extraordinary companions help hero in suitor tests.   

H1450.1 - Waking contest.    H1450.1 - Waking contest.   

H1114 - Task: climbing glass mountain.    H1114 - Task: climbing glass mountain.   

H1142 - Task: drinking enormous amount.    H1142 - Task: drinking enormous amount.   

H1511 - Heat test.    H1511 - Heat test.   

H1132.1 - Task: recovering lost object from sea.    H1132.1 - Task: recovering lost object from sea.   

H1132.1.1 - Task: recovering lost ring from sea.    H1132.1.1 - Task: recovering lost ring from sea.   

Commentaar

1978
Feit is, dat Luisterbink in deze sprookjesversie in het geheel geen taak verricht. In de Grimm-versie is de vuurproef een proef die de dochter oplegt. Voor de derde taak die de heks opdraagt, komt in de Grimm-versie de dienaar met het scherpe gehoor wel in actie: hij kan horen waar de weggetoverde dochter zich bevindt.
Zie onder Beeld een afbeelding van Anton Pieck (kleur).
Six Go through the Whole World

Naam Overig in Tekst

Heuvelbuik    Heuvelbuik   

Buitel-eilanden    Buitel-eilanden   

Luisterbink    Luisterbink   

Torenbeen    Torenbeen   

Kogel-oog    Kogel-oog   

Piet    Piet   

IJsbrand    IJsbrand   

Langnek    Langnek   

Zilverzee    Zilverzee   

Naam Locatie in Tekst

Himalaya    Himalaya   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20