Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VOLKS031 - Barrik barrak!

Een mop (tijdschriftartikel), 1888

Hoofdtekst

"Barrik barrak!"
Jan had schoenen noch klompen! Winter en zomer, door dik en dun, altijd liep hij op de zolen zijner bloote voeten over heg en steg.
De sukkel was doodarm, en had zijn huis vol kleine bloedjes van kinderen. Met schraven en slaven van den morgend tot diep in den nacht, kon hij nauwelijks genoeg verdienen, om de twee eindekens van het jaar bij malkaar te knoopen; en, schoot er al eens een stuivertje over, dat smolt weg als een pluimke sneeuw, want Mie, zijne vrouw, had het allerleelijkste gebrek, kost wat kost den herbergier van den hoek te willen rijk maken! Nauwelijks hoorde zij eenige duiten in haren zak rammelen, of zij liet huis huis, liep naar de `Drij Gapers', en hapte er een koppel bittertjes den kop af... Dat vader Jan des noens meer dan eens op de kom mocht bijten, kan men raden.
Op zekeren dag in het najaar, - het regende, dat alle grachten overliepen! - baggerde onze Jan wederom barvoets door de straat. Hij zag er, och arme! zoo verhongerd uit, als hadde hij eenen lantaernpaal willen inslikken, en bibberde daarbij als een populierenblaadje van den kou. Juist ontmoette hij zijnen buurman, den schoenmaker van het dorp.
Deze, een schalke kerel, trad recht op Jan toe, en vroeg, wijzende op zijne bloote voeten, die als met schoenen van slijk bedekt waren: "Wat es da na veu en zotte gril, Jan? E wèrken, om er geenen hond deu te jaogen... Es da na nen tijd, om berrevoesj deu de straot te `plamodderen'?"
"Wa wil-de er aon doen," antwoordde Jan gelaten! "As men geen schoenen heet, es er niks zoo moeielek as er aon te steken!"
"As men geen schoenen heet," hernam de pekdraad, "dèn laotj men er, verdot, maoken!"
"Dat is allemaol goed en wel," zuchtte Jan, "mao ga wetj zoo goed as ik, da Jan Crediet dood es! Of zij-de ga masschiens gereed, ma op den `poef' te gerieven?"
"Da na percies nie," lachte de man van Sint-Crispijn; "maar a e middelke verschaffen, om nog veu den aovond e speksplinternief paor schoenen te bezitten, dat doe ik gaeren!"
"Jao, jao! Da middelke ken ik al... Goan stelen, zeker? Nee, vriendje, veel te bang veu de galg..."
"Wie sprekt er hie van stelen?" vroeg de andere. "Mijn middel is veul zekerder..."
"Awel, laotj hooren!"
"Dit es het geheim. Ik leer a twee wooren uitspreken; dij bezitten en groote tooverkracht. Wilde ga ma beloven, a veu het overige van den dag te bedde te leggen, en al wie a komt aonspreken, altij met dij twee wooren bescheid te geven, dan heb de, zoo waor as ek Jef heet, veu dezen nacht nog nief schoenen."
"Awel! Da gaot!" riep Jan besloten. "Leer ma na maor ga dij wooren, he!"
"Leuster, en onthaaft ze goed. 't Is Hebreeuwsch, zie-de!... Ze werken onfeilbaor..." En met gemaakte plechtigheid stak Jef den vinger op, en declameerde: `Barrik, barrak!'... Zie," zei hij dan, "da zijn mijne tooverwoorden!"
Sakkerloot, dacht Jan in het naar huis gaan, dat is al wonder! Ik ben eens benieuwd, hoe die schoenen er zullen komen, of wie ze brengen zal? Ze kunnen toch van `den hemelschen dauw' niet komen... Of zou die Jef ook kunnen `schamotteeren'!
Toen Jan te huis kwam, zag hij zijne vrouw juist de `Drij Gapers' verlaten. Blijkbaar had ze er meer dan eentje binnen gespeeld, want het puntje van haren neus was zoo vuurrood als een gezoden kreeft. Jan had juist tijd genoeg, om zich gereed en gekleed te bed te leggen... Toen trad zij binnen, en Jan begon te zuchten en te `lamenteeren', dat het te veel scheelde!
De vrouw naderde, bekeek den armen dompelaar met het ernstigste gezicht der waereld, en vroeg aarzelend: "Zij-de ga nie wel dè, Jan?"
Jan keerde zich met zijn gezicht naar den muur, en antwoordde kort af: "Barrik, barrak!"
"Wa belieft er a?" zeide het wijf, meenende, dat zij slecht verstaan had; "Ik vraog, of-t-er iets haepert?"
Ditmaal lag Jan zoo stijf als een gedroogde haring, doch liet niet na nogmaals te antwoorden: "Barrik, barrak!"
In den eerste dacht de vrouw: hij wil mij zeker voor den aap houden! Doch, toen Jan op al hare vragen hetzelfde antwoord gaf, en daarbij toch zoo pijnlijk zuchtte en kermde, toen geraakte ze den kluts kwijt, en geheel nuchter geworden van schrik, liep zij den huize uit, en ging met eenen vloed van woorden aan al de buurvrouwen vertellen, dat Jan, haar eenige en allerliefste Jan, daar zo `op 'nen cito-cito' zot was geworden!
Met ten minste een klein dozijn babbelaarsters uit de buurt keerde zij naar hare woning weder. Een voor een bukten de wijven zich over den zieke, bekeken zijn gezicht, legden hunne hand op zijn voorhoofd, en voelden zijnen pols.
"Ha heet de zevendaogsche keurtsen," zei de vrouw van den wagenmaker, die op het dorp voor `goeivrouw' speelde.
"Het bloed is noar zenen kop gestegen," meende Siska van den ketellapper.
"As't mao de seskes nie zijn!" riep Doka van den timmerman, en sloeg, tot teeken van misbaar, hare handen in elkander.
"Of en geroktheid!" veronderstelde eene vierde, met wijd geopende oogen.
"Of de zwerte pokken," fezelde heel stilletjes Mie, de stoeltjeszetster, terwijl ze sidderde van angst.
Intusschen was een zeer oud vrouwtje, die voor de dorpelingen bedevaarten ondernam, de `vijt' en de `bloem op het oog' kon aflezen en 't gebed van Keizer Karel kende, zeer dicht tot Jan genaderd, had hem op plechtigen toon eene heele litanie vragen gesteld, en toen zij nu onveranderlijk "Barrik, barrak" en nog eens "Barrik, barrak" ten antwoord kreeg, deinsde zij eensklaps vijf stappen achteruit en verzekerde, een groot kruis slaande: "Seemenis menschen, hij es van den duvel bezeten!"
Of de vrouwtjes ditmaal een oremus aanhieven! Daar waren er die, schietgebeden brabbelend, naar buiten vluchtten. Andere sloegen den voorschoot vóor de oogen, en durfden den zieke niet meer bezien.
Allen jammerden, als hadde de duivel in persoon zich in de kamer vertoond!
Nu werd de pastoor geroepen. Toen deze verman, wat er gaande was, liet hij onmiddellijk zijnen koster ontbieden, beval hem, het grootste wijwatervat en den grootsten kwispel mee te nemen, en bereikte spoedig het huis, waar de wijven luider dan ooit spektakel maakten.
"Vriendje lief," zei de priester tot den lijder, "heb goeden moed; hier zijn wij, om u te helpen! Zeg mij echter eerst, vriend: Hebt gij vertrouwen?"
Jan bekeek met verwonderden snuit den priester, en antwoordde zoo luid hij kon: "Barrik, barrak!"
"Koster," gebood de pastoor, "besproei hem met wijwater, want het is de duivel, die spreekt!"
Nu begon hij met luider stem in het Latijn te bidden, en de koster deed zijn best, om op den gepasten tijd met zijn `Amen' of zijn `Dominus vobiscum' voor den dag te komen. Daarna nieuwe ondervraging, gevolgd door het onvermijdelijke "Barrik, barrak" van den bezetene!
"Koster," herhaalde de pastoor, "sproei nog meer wijwater, want het is de Satan, die spreekt."
Toen de priester, ziende dat alle pogingen vruchteloos waren, wederom het huis verliet, stond daarbuiten de schoenmaker hem als toevallig op te wachten. Met zijn mutsken in de hand en het onnoozelste gezicht der waereld trad hij op den geestelijke toe, en vroeg, zoo beleefd hij kon, wie er in Jans huis toch ziek was?
"Ziek?" zei de priester hoofdschuddend, "zoo 't maar dat was! 't Is nog wat erger, mensch!"
"Erger?" hernam de andere, alsof hij van niets wist; "toch gee lijk zeker!"
"'t Is nog erger, man," was het bescheid; "bezeten van den duivel!"
"En," vroeg Jef geslepen, "kunde gij diën lastigen `kalant' niet doen verhuizen?"
De pastoor schudde `van neen'.
"Ewel," zei Jef met overtuiging. "Ik wil weudde veu vijf kronen, dat ik Jan mee een inkel wood genees..."
"Maar mensch, dat is onmogelijk. Wat mijne gebeden niet vermogen, dat zoudt gij met een enkel woord verkrijgen?"
"'t Es portang zoo," verzekerde Jef. "Ik en ken ik wel geen gebenedijd wood Latijn, maar het wood, dat ik zal uitspreken, zal beter werken dan al ave oremussen! Allo, wilde gij wedden?"
"Welnu, dat gaat! Kom, dat wil ik zien!"
"Slaat dan eest toe," zei Jef!
Zoo gezegd, zoo gedaan!
Plechtig trad de schoenmaker, door den pastoor op de hielen, doch door den bibberenden koster op geenen kleinen afstand gevolgd, het huis en weldra de kamer van den zieke binnen.
"Jan," sprak hij met luider stemme! "De komedie is uit, man, zie, hier ben ek met de nief schoenen!"
"Dèn ben ik genezen ook," zei Jan, en hij sprong, zoo frisch als een vischken, van zijn bedde, en begon te dansen van blijdschap.
(Vijnckt, Wambeke en elders)

Beschrijving

Een arme man heeft geen geld om schoenen te kopen. Zijn vrouw verdrinkt al het geld. Dan komt de man de schoenmaker tegen. Hij zegt hem dat het toverwoord voor nieuwe schoenen "barrik, barrak" is. Thuisgekomen zijn dit de enige woorden die de man uitkraamt. Zijn geschrokken vrouw haalt alle vrouwen van het dorp om raad. Tenslotte wordt de pastoor erbij geroepen, omdat men denkt dat de man van de duivel bezeten is. Dan komt de schoenmaker. Hij beweert dat hij met één woord de man kan genezen. De schoenmaker laat de nieuwe schoenen aan de man zien en de man is genezen.

Bron

Volkskunde. Tijdschrift voor nederlandsche Folklore. 1 (1888) 103-107

Commentaar

1888

Naam Overig in Tekst

Drij Gapers    Drij Gapers   

Jan    Jan   

Jan Crediet    Jan Crediet   

Sint-Crispijn    Sint-Crispijn   

Hebreeuws    Hebreeuws   

Siska    Siska   

Keizer Karel    Keizer Karel   

Latijn    Latijn   

Jef    Jef   

Satan    Satan   

Oremus    Oremus   

Dominus Vobiscum    Dominus Vobiscum   

Oremussen    Oremussen   

Naam Locatie in Tekst

Doka    Doka   

Mie    Mie   

Amen    Amen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20