Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VOLKS032 - De koning van Zevenbergen

Een sprookje (tijdschriftartikel),

Hoofdtekst

De koning van Zevenbergen
Er was eens een rijke jongen die Arthur heette. Hij was nog maar onlangs uit de school en hield hem niet bezig dan mee boeken te lezen en hij had anders geen zinnen.
Maar op ne keer zei zijn vader tegen hem: "Ach Arthur, ik en wete niet, waarom dat gij ook 's avonds met de kaart niet en gaat spelen met uw kameraden."
"Wel vader, wat spel is 't dat ze doen?"
"Het is banken, Arthur; 't is zoo gemakkelijk."
"En as ik verlieze, zulde dan niet kwaad zijn?"
"Neen, Arthur, dat ge wint of dat ge verliest het is het zelfde; we zijn rijk genoeg!"
Zoo 's anderdaags gaat Arthur in den avond mee zijn kameraden naar het staminee om te gaan banken, en van den eersten avond hadden ze wel aan Arthur zijnen zak gewaggeld en as hij thuis kwam:
"Wel, Arthur," zei zijn vader, "hoe heeft het gegaan?"
"Och, vader, ik heb veel geld verloren."
"Ge moet daarom niet bedroefd zijn, Arthur," zei de vader.
Zoo wanneer het avond wordt begint Arthur hem weer aan te kleeden om te gaan spelen, en as hij gereed was, gaf zijn vader hem geld en zei: "Zie dat ge niet benauwd en zijt van opzetten."
Zoo Arthur ging weer naar het staminee, en wanneer ze ophielden van spelen, was Arthur al zijn geld kwijt. En hij verliet de herberg en was zoo droef en mistroostig, dat hij benauwd was van naar huis te gaan.
"Ei wel, Arthur, hoe is `t," zei zijn vader as hij hem zag; "hedde u kunnen weren mee spelen?"
"Nee, vader, het is voor mij onmogelijk, ik bén te ongelukkig en 'k en ga niet meer met de kaart spelen."
"Zie Arthur, moete morgen weerom gaan spelen, en ge moet zien, dat ge u weert, of anders en moete naar huis niet meer komen."
Zoo Arthur peinsde en herpeinsde wat hij nu ging doen. En wanneer het avond was:
"Zie, Arthur," zei zijn vader; "hier is het laatste geld dat ge krijgt, en as ge daarmee niet en wint, dan moete uw ouders' huis derven."
Arthur ging `tristig en droevig' naar de herberg. Hij moest tussen de granen langs nen eenzamen weg gaan en daar komt hem op eens eenen ouwen heer tegen, dien hij nog nooit gezien had; en hij was ook treffelijk gekleed gelijk nen heer, en hij zei tegen Arthur: "Ge zijt bedroefd. Zeg mij wat dat er is en ik zal u helpen."
"Wel, meneer," zei Arthur, "gij en kunt mij niet helpen."
"Ik kan u helpen."
"Wel, meneer, ik moet gaan met de kaart spelen voor groot geld; en ik weet op voordeel dat ik mij niet kan weren mee spelen."
"Zie, Arthur, hier is een spel kaarten en daarmee zulde altijd winnen, 't is gelijk waarvoor ge speelt; maar ge moogt met geen ander willen spelen dan met deze."
En den heer haalde nen boek uit zijnen zak: "Zie Arthur, hier moete uwen naam op zetten mee mijn penne en binnen een jaar en nen dag moete mijn kaarten weer brengen; hier is mijn adres. Ik ben de koning van Zevenbergen. En as ge op zoo nen naam vraagt, dan zulde mij vinden."
"Het is nijg wel, meneer, ik zal ze u schoon terugbrengen."
En hiermee verlaat Arthur den heer en hij gaat naar de herberg waar hij gewoon was te gaan.
Zoo Arthur zei tegen zijn kameraden: "Ik kom wat later vandaag, maar we zullen seffens beginnen; ik heb een nieuw spel kaarten mee en ik zal nu de bank zetten."
Zij begosten te spelen, en as ze ophielden had Arthur al hun geld gewonnen.
Blijgemoed ging hij naar huis en zei tegen zijn vader: "Zie, vader, nu heb ik mij geweerd", en hij toogde hem een groote beurze met geld.
Nu was zijn vader tevreden en dan ging Arthur alle avonden naar een verschillende herberg om met zijn kaarten gaan te spelen, en zoo won hij altijd zijn kameraden hun geld af; en het was hetzelfde tegen wien dat hij speelde, ze waren alles kwijt.
Maar wanneer het jaar bijna gepasseerd was, dan moest hij er op denken om de kaarten weer te dragen aan den heer. Met het adres dat deze hem gegeven had, zag hij op de landkaart, dat het op vele uren afstand was: het was in een wildernis op een groot kasteel op een grootte hoogen berg. Hij en kost er met den trein of den postwagen niet naar toe rijen, vermits hij dan nog niet en reed, maar Arthur zette hem te peerde en begaf hem op weg. Hij moest door nen bosch, die wel drij honderd uren lang was, en in dien bosch woonden drij eremijten. Het waren drij gebroers, en alle drij woonden honderd uren van een, eenen aan den bosch, eenen in 't midden, en eenen op 't einde.
Zoo Arthur ging bij den eersten eremijt om er den nacht door te brengen. Arthur vroeg hem ook of hij hem den weg kost wijzen naar den koning van Zevenbergen zijn kasteel. De kluizenaar was een geleerd man en wist veel dingen die aan ander menschen onbekend waren: want hij gebood over het zwemmend gedierte. Op de vraag van den jongen sloeg hij zijn boeken open, liet appel blazen en ondervroeg de visschen, maar geen van al had ooit van dat kasteel hooren spreken.
"Maar," zei de kluizenaar tegen Arthur, "ga mee mijn complimenten bij mijn broer; hij woont honderd uren dieper in den bosch, en gebiedt over het loopend gedierte; die zal u wel kunnen helpen. En hier hedde een bolleken dat u den weg zal wijzen."
Zoo 's morgens begeeft Arthur hem weer op reis, en komt tegen den avond bij den tweeden eremijt; hij legt de complimenten van den eersten af en wordt er heel wel ontvangen. Arthur brocht daar den nacht door en 's morgens, as hij wilde weggaan, vroeg hij ook aan den kluizenaar of hij den weg wist naar het kasteel van Zevenbergen. De kluizenaar sloeg zijn boeken open, riep al het loopend gedierte bijeen, en ondervroeg ze, maar geen van al kende dat kasteel van Zevenbergen.
"Maar," zei hij tegen Arthur; "ga mee mijn complimenten tot bij mijnen oudsten broer, die op het einde van den bosch woont; en mijn broer," zei de eremijt, "die heeft groote vogels die geheel den dag rondvliegen en die hem 's avonds alles komen zeggen wat ze gezien hebben; hier hedde een bolleken dat u den weg zal wijzen."
Zoo, Arthur begint wederom te rijen en des avonds komt hij aan 't huizeken van den derden eremijt; hij doet daar ook de complimenten van den broer, en hij wierd daar treffelijk ontvangen. Arthur sprak nu ook den derden eremijt van den weg, dien hij moest nemen om naar het kasteel van den koning van Zevenbergen te komen, maar de eremijt en wist hem niet te antwoorden. Zoo hij riep al de vogels bijeen, want hij gebood over al het vliegend gedierte, en nu kwamen groote en kleine vogelen toegevlogen, tot arenden toe, en allen spraken gelijk de menschen; maar geen van al wist iets van dat kasteel.
Maar daar was nog de vogelstruis achtergebleven, en Arthur begost al zijn courage te verliezen, as de vogel verscheen. Deze kende gewoonlijk het meeste nieuws en wist ook het kasteel staan. En de vogel vertelde dat de koning ne grooten tooveraar was en dat hij drij dochters had die ook tooveressen waren, en de jongste van de dochters was de meeste tooveres.
"En ik heb," zei de vogel, "ze zoo dikwijls afgeluisterd en horen spreken van de jongens; ze zouden geerne verkeeren, maar het is nutteloos, want de weg naar het kasteel is te rampzalig en te ongelukkig."
Zoo Arthur brocht hier den nacht door, en 's morgens, wanneer ze geëten en gedronken hadden, dan zei de eremijt tot den vogelstruis: "Vogelstruis, ge gaat dezen jongen heer naar dat kasteel helpen."
Maar hij had al aan Arthur doen verstaan, hoeveel gevaar dat er aan de reis naar den koning van Zevenbergen zijn kasteel vast was; want "ge gaat over bergen en zeeën vliegen, en telkens dat mijn vogelstruis kwekt, moete een stuk vleesch in zijnen bek steken."
Maar Arthur had goeën moed, klom op den rug van den vogelstruis, nam een goede provisie vleesch mee, en bedankte den kluizenaar, en nu begost de vogel te vliegen, over bosschen en bergen, over zeeën en rivieren; en telkens dat hij kwekte, stak Arthur een stuk vleesch in zijnen bek. Hadde hij dat niet gedaan, de vogel zijn krachten waren verflauwd en hij had Arthur in de zee laten vallen. Maar als de vogel drij maal gekwekt had, was al het vleesch op; en ze waren alreeds in zicht van 't kasteel, as de vogelstruis nog eens kwekte.
Arthur had geen vleesch meer over. Wat nu gedaan? T'einde raad, sneed hij een stuk uit zijn bille en stak het in den vogel zijn muil. Zoo was hij gered, en hij wierd aan den vijver van 't kasteel neergezet. Op den vijver van 't kasteel zaten juist drij zwanen te veeren.
"Zie," zei de vogel tegen Arthur, "dat zijn de drij dochters van den koning van Zevenbergen, die eeier in zwanen doen veranderen; en de schoonste van al dat is de jongste; achter dezen hust hout liggen heur kleeren. Gaat aan, pakt heur kleeren en as ze uit het water komt, zal ze roepen: Dieven dieven!, en dan moete zeggen: het zijn geen dieven, maar as ge mij bij den koning brengt, zulde uw kleeren weerom hebben."
Zoo gezeid, zoo gedaan. Arthur gaat en pakt de kleeren, en steekt hem weg achter ne struik. Niet lang daarnaar kwamen de zwanen uit den vijver, en namen weer hun menschelijke gedaante aan; maar de jongste vond heur kleeren niet meer, en begost te roepen: "Dieven, dieven!"
Dan kwam Arthur te voorschijn en gaf heur de kleeren niet weerom, voor dat ze beloofd had hem bij heur vader te brengen.
"Ik zal het mee plezier doen", zei ze, "want ik ben verheugd over uw schoonheid; het is zeker al drij of vier jaar dat ik geenen jonkman meer gezien en heb, en daarom ben ik blij dat het juist mijn kleeren zijn die ge hebt, en dat ik mee u bij mijnen papa mag gaan. Ge zult wel zien, dat mijn ander zusters zoo schoon niet zijn as ik, en dat ze zoo hoog in de tooverkunst niet geleerd en zijn en dat ge u mee mij zult het beste bevinden, want mijn papa en mijn mama zelve en kunnen niet wat ik kan... Ik wete," ging het meisje voort, "wat ge hier komt doen, en ik zal er u 't voordeeligste in zijn, maar zie, dat ge nu maar goed in mijn voetstappen treedt, of anders zulde den nek breken."
Nu waren zij aan 't kasteel gekomen.
"Zie," zei het meisje, "ga nu maar binnen, maar zeg niet dat ik u den weg gewezen heb. En morgen, as vader u uw werk zal opgeven, let wel op dat ge hem laat voorgaan, en blijf maar altijd van achter, of anders zal hij u den nek breken."
Zoo Arthur gaat bellen, en den heer, die hem de kaarten gegeven had, komt en doet de deur open. Arthur wenscht hem den goeien avond.
"Ah, Arthur, hoe zijde-gij hier geraakt?"
"Ach, meneer, ik ben mee veel moeite boven gekomen."
Nu wierd Arthur treffelijk ontvangen, en seffens begost meneer Arthur te ondervragen, hoe dat hij hem bevonden had mee zijn kaarten.
"Goed, meneer, ik heb u nijg te bedanken, ik heb er veel geld mee gewonnen... En dat ge mij nu eens wilde zeggen, wat dat ge moet hebben voor uwen loon," zei Arthur.
"Nu, ge zult hier eerst den nacht doorbrengen, en dan zal ik u drij werken opgeven, en as die gedaan zijn, dan moogde van hier vertrekken."
Zoo, wanneer den nacht verdwenen was en den dag kriekte, zei den heer: "Zie Arthur, dat is 't eerste werk dat ge uit te voeren hebt. Daar achter den hof staat nen bosch van omtrent vijf dagwand groot, en ge zult daar naar toe gaan met een schop, en een bijl, en een zaag en een mutsaardmes; en ge zult dien bosch van daag uitroeien, en klieven en in mutsaarden binden, en in hoopen van tien zetten; en as 't tegen t'avond gedaan is, dan is 't wel."
Arthur kreeg nu het noodige gereedschap, maar alles was van glas, schop, bijl, zaag en mutsaardmes. Arthur was verschrikt as hij dit hoorde.
"En," voegde den heer erbij, "uw eten zal u gebrocht worden waar ge werkt."
Arthur pakt zijnen alam op zijnen schouder, en as hij aan den bosch kwam, legt hij alles op den grond en de bijl breekt. Hij zette hem daar neer en begost te krijschen, maar wanneer het twaalf uren klepte, ja, het was gelukt: het jongste meisje, dat Hortense heette, kwam mee Arthur zijn eten.
"Och, Arthur," zei ze, "ge moet u niet bedroeven, hier is uw eten; en wanneer ge geëten zult hebben, dan verzoek ik u van mij eens te zeggen of mijne persoon u voldoet, en of ge uw gedachten op mij zoudt kunnen stellen."
Arthur en had niet veel goesting om te eten en te drinken, maar naardat hij een weinig geëten en gedronken had, zei hij op minzamen toon: "Zie, Hortense, het doet mij plezier van u zoo te hooren spreken. Ik en heb nooit mijn gedachten op een meisje kunnen stellen, vermits ik in mijn dorp zonder mij te geneeren, een dochter kost nemen tot het huwelijk; maar ik en heb nooit eene kunnen vinden die mij geheel voldeed in mijn zinnen en gedachten. Doch, had ik ooit de keus gehad van zoo een meisje gelijk gij, ik ware nu al lang in den huwelijken band geweest. Dat ik zoo gelukkig ware van u te mogen voor vrouw nemen!"
"Wel, Arthur, as uw zinnen zoo zijn, dan zijn ze gelijk de mijne, zij maar gerust: het zal wel geschieden volgens uwen wensch. Leg u nu maar wat in mijnen schoot te slapen en laat mij begaan; op den tijd van een half uur zal uw werk gedaan zijn."
Zoo, Arthur lei hem wat in Hortense heuren schoot en een half uur daarna maakte zij hem wakker en zijn werk was voltooid: den bosch was uitgeroeid, in mutsaarden gebonden en op stuiken van tien gezet.
"Arthur," zei Hortense voordat ze wegging, "nu moete t'avond om zeven uren naar huis komen."
Hij bleef daar tot bij den zevenen, en dan ging hij naar het kasteel, en as hij daar kwam, vroeg den heer: "Wel, Arthur, is uw werk gedaan?"
"Ja, meneer, het is gedaan."
Den heer begost vieze gedachten te krijgen; hij peinsde dat Arthur verder in de tooverkunst geleerd was dan hij. Na zijn avondmaal ging de heer van op den balkon zien of het werk voltooid was, en krabde er in zijn haar van.
Zoo, wanneer den nacht verdwenen was en den dag kriekte, stond Arthur op, en naardat hij geëten en gedronken had, vroeg hij aan meneer naar zijn werk.
"Van dien gekapten bosch moete een schoon stuk land maken, en het met wijngaards beplanten. Die wijngaards moeten druiven dragen en die druiven moeten rijp zijn en geplukt in korven staan."
En Arthur kreeg weer een heelen alam maar alles van glas, en daarmee trok hij naar den bosch, maar hij begost er niet aan, want hij wachtte tot dat Hortense hem zijn eten brocht. Ja, wanneer het twaalf uren klepte, was ze daar. Arthur begost te eten en Hortense met veel liefde aan te spreken, en as hij gedaan had mee eten, dan begosten zij mee elkaar wat te verkeeren.
"Nu, Arthur," zei Hortense weer, "leg u een half uur in mijne schoot te slapen, en uw werk zal gedaan zijn."
En inderdaad, as ze hem opriep, stonden de korven met rijpe druiven gevuld.
"Nu moete t'avond te zessen en half naar huis komen", zei ze, en ze verliet Arthur.
As meneer te zessen en half den jongen zag afkomen: "Ei wel, Arthur, is uw werk gedaan?"
"Ja, meneer, het is gedaan."
"Zoo! nu moete morgen nog een werk uitvoeren, en as dat gedaan is, dan moogde een van mijn dochters ten huwelijk nemen."
Zoo, wanneer den nacht weer verdwenen was en den dag kriekte, stond Arthur op, en hij at en hij dronk.
"Wat is mijn werk, meneer?" vroeg de jongen.
"Over zestig jaar," sprak de koning, "heeft mijn vrouw in den vijver van 't kasteel nen diamantene ring verloren. Dien ring moete mij vandaag weer bezorgen."
Zoo Arthur ging naar den vijver en zette hem aan den oever, naar zijn Hortense wachtende, die hem weer op denzelfden tijd zijn eten brocht.
"Zie, Arthur," zei ze, "hier is uw eten; het is de laatste keer dat ik het u zal brengen, en as ge doet gelijk dat ik zegge, zal ik uw vrouw zijn, en gij mijne man. Beloofde mij dat?"
Arthur beloofde alles te doen wat ze hem zou zeggen.
"Hier is een savel, en daarmee moete mij dooden en mijn lichaam in al kleine brokskes kappen zoo groot als een erwt, en die mee ne wan in eens in den vijver gieten; maar zie wel toe dat ge er geene uitlaat."
Arthur kost dat niet over zijn herte krijgen van zoo een schoon meisje dood te doen, maar ze zei hem dat het noodig was en herinnerde hem zijn belofde. Dan deed hij toch eindelijk gelijk ze hem gezeid had, en een uur daarnaar kwam Hortense weer uit den vijver met den diamanten ring.
"G'en hebt niet precies gedaan wat ik u gezeid heb," zei ze: "Er ontbreekt een lid aan den kleinen vinger van mijn rechter hand; dat hedde niet in den vijver geworpen."
En inderdaad, dat stukske was onder het kappen weggesprongen.
"Maar dit let mij weinig," zei ze, "het zal ons morgen wel van pas komen. Nu moete t' avond te zes uren naar huis komen, en luistert naar hetgeen ik u ga zeggen. As mijn vader zal zien dat zijn werk gedaan is, dan zal hij u zeggen: `Zie, Arthur, nu moogde kiezen van mijn dochters; en as ge drijmaal dezelfde kiest, dan moogde er eene van voor uw vrouw nemen'. Let dan maar goed op dien kleinen vinger."
Arthur beloofde dat, en daarmee omhelst hij Hortense en kussen zij malkander, en hierop laat Hortense hem alleen. Arthur brocht daar zijnen tijd tot zes uren over, en dan ging hij naar huis. En wanneer hij thuis komt:
"Wel Arthur, is uw werk gedaan?"
"Ja, meneer, het is gedaan," en hierop toogt hij den ring.
Zoo de koning herkende hem inderdaad voor den ring van zijn vrouw, en zei: "Wel, Arthur, ik en wist niet dat ge zoo bekwaam waart. Nu zulde een van mijn dochters krijgen ten huwelijk. Van den avond, naardat we gesoupeerd hebben, zulde mogen kiezen."
Wanneer ze geëten hadden, wierd Arthur nen blinddoek aangedaan en de meisjes wierden op root gesteld. Arthur betastte goed de rechter hand van de meisjes en koos al de drij keeren zijn Hortense. En nu was ze zijn vrouw, want in dien tijd waren ze getrouwd zonder voor den paster te gaan.
Ja, naardat ze nu eenige dagen getrouwd waren, wierd Hortense gewaar dat haar ander zusters jaloersch waren, en ze zei: "Arthur, zijde kontent, dat we van den nacht vertrekken naar uw land? Ik vrees dat we den eenen nacht of den anderen zullen van 't leven gebrocht worden, en daarom, Arthur, laat ons vertrekken. Het is nu twaalf uren van den nacht; morgen vroeg zullen we al verre van hier zijn."
Zoo gezeid, zoo gedaan. Hortense doet al haar dingen bijeen; ze nemen een peerd, maar op raad van Hortense het slechtste van de drij die de koning op stal staan had, en daarmee vertrekken ze.
Maar zoo gauw als den dag kriekte, zei de koning tegen de koninginne: "Gaat aan, ziet eens naar mijn dochter en mijnen schoonzoon."
Dit deed hij alle morgenden. Nu, Hortense had ne papegaai en die kost spreken gelijk ne mensch.
En Hortense had hem gezeid voor dat ze wegging: "As mijn moeder ons morgen komt oproepen, ziet dat ge in mijn plaats spreekt, juist gelijk ik."
Als de moeder nu aan de kamer kwam, klopte ze op de deur en riep: "Allo! kinderen, 't is tijd om op te staan!"
Maar de papegaai nam de stem aan van zijn meesterse en antwoordde: "Ja, moeder, wij komen seffens!"
En zoo tot drij keeren toe. Maar de moeder wierd eindelijk ongeduldig en deed de deur open, en as ze aan 't bedde kwam, waren de dochter en de schoonzoon gaan vliegen! Ze zei het tegen den heer.
"Zijn ze weg?" vroeg deze. "Ge moet er achter!"
Ja, as het zoo een uur of tien was van den voormiddag, hoorden Arthur en Hortense van verre een donderweer opkomen. Het was Hortense heur moeder, die heur in een donderwolk deed veranderen met heur tooverkunst, maar wie er meer in geleerd was, wist wel wat het was. Meetjen kwam zoodanig haastig over, dat ze niet meer en kosten weg geraken.
"Arthur," zei Hortense, "blijf staan, wij gaan van ons peerd."
En as ze er af waren, zei Hortense: "Ons peerd is een kapelle, en ik ben een Lieve Vrouwken, en gij zijt ne man die leest. En as ze u wat vraagt, zegde maar altijd: `Bid voor mij!'"
En in nen oogwenk was dat zoo. Zoo meetjen kwam er over en as ze aan de kapelle kwam:
"Een kapelleken," zei ze, "en een Lieve Vrouwken, en ne man die leest."
Maar ze kwam toch eens neer en vroeg aan den man: "Zeg eens, vriendje, hedde hier niet een meisje met een jongen voorbij zien vluchten te peerde?"
"Bid voor mij," zei de man.
Meetjen herhaalde heur vraag tot drij keeren toe en alle keeren was 't `Bid voor mij!'
"Al verloren moeite," zei ze, en daarmee trok ze naar huis. Als ze thuis kwam:
"Wat hedde gezien?"
"Een kapelle, en een Lieve Vrouw en ne man die las."
"Het peerd was een kapelle, en de Lieve Vrouw was uw dochter en de man was uw schoonzoon en ge moet er seffens weer achter, want as ze nog een weinig gereën hebben, zijn ze in Arthur zijn land, en dan zijn ze vrij, en kunde er niks meer aan doen."
Zoo de moeder moest er weer achter, en het was omtrent vijf uren van den namiddag as ze weer een donderwolk hoorden opkomen, en het begost zoo nijg te lichten en te donderen, dat Arthur er van verschrikt was.
"Och, Arthur," zei Hortense, "ge moet daarvan niet verschrikt zijn: ik verander ons peerd in een `bedde land', mij in ne ploeg en u in nen boer, en as moeder u iets vraagt, dan zegde maar altijd: `Nen boer es een beest!'"
Zoo meetjen kwam kort daarna neer op het stuk land en vroeg aan den boer: "Hedde hier niet een meisje mee ne jongen voorbij zien vluchten te peerde?"
"Nen boer es een beest!"
Meetje herhaalde heur vraag.
"Nen boer es een beest!" zei de jongen weer.
"Die man is zeker zijn zinnen kwijt," zei meetjen.
"Nen boer is een beest!" zei den andere maar altijd.
"Al verloren moeite," zei meetjen en daarmee trok ze naar huis.
"Wat hedde gezien?"
"Een bedde land, ne ploeg en nen boer."
"Het peerd was het bedde land, de ploeg was uw dochter, en den boer was uw schoonzoon. Wacht," zei de koning, "dezen keer zal ik gaan, en mij zullen ze niet ontsnappen."
Zoo hij veranderde hem nu ook in een dondervlaag, en weer begost het te lichten en te donderen, dat Arthur er verschrikt van was.
"Zij maar gerust," zei Hortense; "ons peerd zal veranderen in een water, ik in een schip en gij in ne schipper."
Maar de koning was al op hun hielen en riep tegen de vluchtelingen die hij wel herkende: "Komt weer of ik drink al het water uit."
Maar er ging een stem op uit het water die riep: "As ge dit water durft uitdrinken, zal ik het in uw maag doen koken, zoodat gij zult sterven!"
Zoo, de koning zag dat zijn dochter machtiger was dan hij en keerde naar zijn paleis terug. Nu hadden de vluchtelingen niets meer te vreezen.
Als zij nog eenige uren gereën hadden, kwamen ze in 't dorp waar Arthur woonde, en waar zijn ouders' huis stond.
"Zie Hortense," zei Arthur, "om gij nu seffens mee mij mee te gaan bij mijn ouders, dat en durf ik niet doen. Dat ge hier een kamer huurde voor een maand? Zoo zouen we langzamerhand tot bij mijn ouders geraken."
"Wel, Arthur, ik ben zoo kontent. Wij zullen ons peerd verkoopen."
En zij verkochten hun peerd, en zij huurden een kamer voor Hortense voor een maand of twee.
"Arthur," zei Hortense, "luistert eens wat dat ik u ga zeggen. As ge thuis komt, dan moete zien dat ge u niet en laat kussen of lekken, dan en zoude van mij niets meer weten."
"Neen, Hortense, ik zal het niet laten doen en morgen avond zal ik bij u komen."
Zoo Arthur verlaat Hortense en hij gaat naar huis. Zijn ouders waren natuurlijk geheel blij van hem weer te zien, en allen gelijk sprongen ze naar Arthur om hem te kussen, maar hij en liet ze aan hem niet komen. Hij was zoo vermoeid van die lange reis, dat hij wat ging rusten, en terwijl waren ze zijn tante gaan roepen en binst dat hij daar lag te slapen, kuste ze hem. Als hij wakker wierd, wist hij van al hetgeen geschied was niets meer te vertellen of hij en wist van Hortense ook niets meer.
Zoo zijn kameraden kwamen hem 's avonds roepen om naar 't staminee te gaan, en ze moesten voorbij het huis, waar Hortense op de kamer woonde, en ze stond juist voor de venster; de jongens zagen heur staan.
"Zie!" zei den eene, "wat schoon meisje dat ginder voor de venster staat. Dat ik daar eens nen nacht mocht bij slapen! ik wil vijftig frank geven!"
Hortense had dat gehoord: "Wel," zei ze, "kom van dezen avond."
Ja, as hij een pint was gaan drinken, ging hij er seffens naar toe; maar hij en wist niet wat dat er hem te wachten stond. Als hij bijna geheel ontkleed was, zei ze tegen hem: "Ga eens beneden en haal mijnen waterpot."
Hij ging spoedig de trappen af en as hij den pot oplangt, doet Hortense er hem daarmee stijf staan, en 's morgens pakt ze zijn kleeren, en werpt ze de trappen af.
"Ga nu maar naar huis," zei ze, "de oorden zijn verdiend!"
Waarop hij zei: "Gij leelijke hekse, g'hebt mij vast gehad!" maar hij mocht er van door gaan.
As hij bij zijn kameraden kwam, en vertelde hij niet, welke grap dat er hem gebeurd was; hij zei integendeel: "Dat is een meisje van vreugde."
Zoo 's avonds, as Arthur met zijn kameraden weer voorbij het huis gingen, zei den tweede nu ook: "Mag ik nu ook eens komen?"
"Ja," roept Hortense, "kom maar af."
Zoo, wanneer hij ook een pint gedronken had, ging hij er naar toe, maar as hij ontkleed was, ook in zijn sleppe gelijk den ander, dan zei Hortense: "Toe, haal mij eerst een liter water aan de pomp beneden den trap."
Maar hij begint te pompen, en Hortense doet hem tot 's morgens toe pompen, en dan werpt zij ook zijn kleeren de trappen af, en hij mocht vertrekken. Wanneer hij 's avonds bij zijnen kameraad kwam, vertelden zij hun gevarendeid aan malkander en dan gingen ze Arthur roepen: "Arthur, ga daar ook eens bij, bij dat meisje, dat is een deugdelijk lieveken."
Zoo Arthur ging nu den volgenden avond, en as hij daar kwam, dan was alles weer gelijk te voren. Hij omhelsde heur, en zij kusten malkander, en nu wist hij weer alles. En 's anderdaags ging Arthur met zijn vrouw bij zijn ouders, en vertelde hun alles wat gebeurd was. En nu was het feest en er werden vlaai en bonbons gemaakt en tjakkes gesolemiterd en tegen de boomen geloopen, en 't was drijkoningen avond en 's anderdaags klaren dag.

Onderwerp

AT 0313 - The Magic Flight    AT 0313 - The Magic Flight   

ATU 0313    ATU 0313   

Beschrijving

Een rijke vader zet zijn zoon aan tot het kaartspel. De jongen verliest geld. Als de zoon weer geld verliest, mag hij niet meer thuis komen. Onderweg komt de jongen een man tegen die hem een spel kaarten geeft waarmee de jongen altijd zal winnen. Na een jaar moet de jongen de kaarten weer inleveren bij de man.
Als het jaar om is, gaat de jongen op weg naar het kasteel van de man. Onderweg komt hij in een bos drie kluizenaars tegen. Het zijn drie broers. Geen van allen weten ze waar het kasteel is. Een struisvogel brengt de jongen naar het kasteel. Voor het kasteel is een vijver waarin drie zwanen zwemmen. Het zijn de dochters van de kasteelheer. De jongen pakt de kleren van de jongste dochter en vraagt haar hem naar haar vader te brengen alvorens hij de kleren teruggeeft. De jongen wil graag trouwen met de jongste dochter. Hij mag haar trouwen, mits hij aan drie opdrachten voldoet (bos kappen, wijngaard planten en oogsten, ring uit water halen). Alle keren wordt hij door de dochter geholpen. Zij legt hem te slapen, terwijl zij het werk doet. Ze trouwen en vluchten vervolgens weg van de twee overgebleven, jaloerse zusters. Ze ontkomen aan de achtervolgende ouders door toverij. Ze komen aan in het dorp van de jongen. Ze huren een kamer voor het meisje met het idee pas later het meisje aan de ouders van de jongen voor te stellen. Als de held zich door een familielid laat kussen, is hij plots zijn bruid vergeten, maar uiteindelijk herinnert hij haar weer, neemt haar mee naar huis en dan is er groot feest.

Bron

Volkskunde. Tijdschrift voor nederlandsche Folklore. 1 (1888) 121-133

Motief

S22.3 - Father learns that his son is planning to kill him.    S22.3 - Father learns that his son is planning to kill him.   

G461 - Youth promised to ogre visits ogre‘s home.    G461 - Youth promised to ogre visits ogre‘s home.   

D361.1 - Swan Maiden.    D361.1 - Swan Maiden.   

K1335 - Seduction (or wooing) by stealing clothes of bathing girl (swan maiden).    K1335 - Seduction (or wooing) by stealing clothes of bathing girl (swan maiden).   

G465 - Ogre sets impossible tasks.    G465 - Ogre sets impossible tasks.   

H335 - Tasks assigned suitors.    H335 - Tasks assigned suitors.   

H1103 - Task: setting out vineyard in one night.    H1103 - Task: setting out vineyard in one night.   

H1095 - Task: felling a forest in one night.    H1095 - Task: felling a forest in one night.   

H335.0.1 - Bride helps suitor perform his tasks.    H335.0.1 - Bride helps suitor perform his tasks.   

E33 - Resuscitation with missing member.    E33 - Resuscitation with missing member.   

H57.0.1 - Recognition of resuscitated person by missing member.    H57.0.1 - Recognition of resuscitated person by missing member.   

D671 - Transformation flight.    D671 - Transformation flight.   

D2003 - Forgotten fiancée.    D2003 - Forgotten fiancée.   

D2004.2 - Kiss of forgetfulness.    D2004.2 - Kiss of forgetfulness.   

Commentaar

A. Gittée meldt dat het sprookje in meer dan zes handschriften is opgetekend in verschillende dorpen van het 'Land van Aalst', waaronder Erembodegem, Iddergem, Denderwindeke, Liedekerke. Het heeft de titel: De koning van zevenbergen, of van den Glazenberg, of Vertelling van eenen rijken jongen die Arthur heette.
De notulist heeft getracht zoveel mogelijk de oorspronkelijke tekst van de verteller weer te geven. Hij heeft daarbij wel het Vlaams hier en daar aangepast. Bijvoorbeeld: kendege (=kende), zwompen (=zwommen) , vrieg (=vroeg).
The Magic Flight. The Girl as Helper in the Hero's Flight

Naam Overig in Tekst

Arthur    Arthur   

Hortense    Hortense   

Lieve Vrouwken    Lieve Vrouwken   

Naam Locatie in Tekst

Zevenbergen    Zevenbergen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20