Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VOLKS043 - De bekwame waarzegger

Een mop (), 1888

Hoofdtekst

De bekwame waarzegger Krekel en zijne vrouw hadden beiden éen zelfde gebrek: zij hielden van snoepen. De man lustte boven al het andere een borrelken `klaren', en zijn wijfken was ongemeen verlekkerd op een hutsepotteken. Zij hadden malkander niets te verwijten: hield hij aleens een stuiverken achter, wanneer hij graan of aardappelen ter markt bracht, ook zij hield er een potjen op na, en bespaarde voor hare lievelingspijs menig centje van den verkoop van eiers of boter.
Eens had Krekel zijn vlas naar den koopman gedragen. Toen hij de stad weer verliet, zongen de schijven zoo pleizierig in zijnen broekzak, dat zijn hertje van vreugde popelde... Hij had eenen goeden prijs bekomen, en nam het besluit, zijne vrouw eens aangenaam te verrassen: onderweg zou hij bij eenen beenhouwer het noodige vleesch koopen voor een hutsepotteken... Dan zou zijn Trientje stellig niet durven kijven, indien hij, te huis komende, soms een klein `sterreke' op had! Doch de weg was nog lang; het was in het heetste van den zomer, en daar stonden zooveel `kapellekens' langs de baan. Krekel, die voor meer dan éenen heilige devotie toonde, sloeg geen enkel kapelleken over, zonder er een stuiverken of twee achter te laten. En zoo smolten zijne schijven zoo zeer, dat hij, eer hij het zelf wist, nagenoeg alles kwijt was! Nu bleef hij verbaasd staan, stak zijne hand in zijnen broekzak, en haalde er de laatste stukken uit... Vijf centen: 't was alles, wat hij nog bezat! Krekel wreef zich de oogen uit, overtuigd, dat hij niet goed gezien had; doch, wat hij telde en hertelde, en in al zijne zakken zocht en herzocht, geen duitje werd hij meer gewaar. Daarbij begon hij zich zoo raar te gevoelen! Het scheen hem, dat de straat allerlei sprongen maakte, en de boomen in de ronde dansten. Hij meende te vallen, toen hij gelukkiglijk een huis bemerkte: in zijnen nood liep hij er heen, en zie, 't was weer een `kapelleken' en de vijf centjes lagen weldra in den offerblok van den baas.
Wat nu gedaan? Naar huis gaan zonder het noodige voor het hutsepotteken zijner vrouw? Oei, oei, oei! Daaraan viel niet te denken! Hij klapte zoo `belebberd', dat Trientje zeker seffens het `sterreken' zou bemerkt hebben, en — wat zou er dan gebeuren? Reeds dacht hij er aan, den herbergier om een nachtverblijf te vragen, toen deze hem vertelde, welken grooten diefstal onbekende schurken op een nabijgelegen kasteel begaan hadden. Men had den `diamanten ring' der edele vrouw ontstolen, en deze had eene belooning van honderd dukaten beloofd aan dengene, die haar den schuldige zou doen kennen.
"Honderd `patotterkens', jongens," dacht Krekel, terwijl hij zijn ledig borrelglaasken bekeek, "dat ware juist een kolfken voor mij... Als ik den dief eens kon ontdekken!... Komaan, voor Trientje's oogen komen zonder geld of hutsepotteken, daartoe heb ik geen moed genoeg! Spoedig naar het kasteel... Ik kan er in elk geval den nacht doorbrengen!"
Zoo gezegd, zoo gedaan! Krekel liet zich bij de edelvrouw als waarzegger aandienen, en verkreeg toelating, om op het kasteel te verblijven. Kon hij na drie dagen den schuldige niet aanwijzen, dan zou hij schandelijk weggejaagd worden! Het eerste, wat Krekel op het kasteel uitrichtte, was, op alle voetpaden en bloembedden van den tuin gaan zoeken naar den verdwenen ring. Daar hij deze handelwijze voor de knechts wilde verborgen houden, bekeek hij hen, in het voorbijgaan, met schuwe en wantrouwige blikken. Dezen, dit bemerkende, geloofden, dat de waarzegger hen verdacht van den diefstal, zoo hij al niet met zekerheid wist, dat zij de schuldigen waren...
Intusschen snuffelde Krekel onder alle struiken en bloemgewassen, scharrelde hier en daar met zijne tien vingeren in het zand, bad "vader-ons" op "vader-ons" ter eere van den heiligen Antonius, patroon van alle verloren voorwerpen, doch het eenige, wat hij uit den grond haalde, was een glimmend keiken hier, een kronkelend pierken daar... Toen het avond werd, beval mevrouw eenen der knechts, den hooggeleerden vreemdeling naar zijne kamer te brengen.
Krekel was niet weinig neerslachtig; zuchtend en ontmoedigd zakte hij op eenen stoel, en overwegende, dat reeds éen der drie dragen zonder eenigen uitslag verstreken was, mompelde hij zoo half binnensmonds, juist toen de dienstbode zijne kamer verliet: "Ja, ja, Krekelken, dat is nu al de eerste!"
Toen de knecht dit hoorde, werd hij door groote vrees bevangen. Bij vieren liep hij de trappen af, vergaderde zijne medeknechts in eenen duisteren hoek, en zegde hun, bevend van ontsteltenis: "Wij zijn verloren! Die vreemde kerel weet alles."
En hij vertelde hun, wat hij zooeven gehoord had. Van dit oogenblik af durfden zij zich nog nauwelijks voor Krekels oog vertoonen. Den tweeden dag bracht deze voor een goed deel op de zolders en in de kelders van het kasteel door. Hij moest daar, zegde hij, bezweringen doen... maar eigenlijk liet hij geen enkel hoekje, geen enkel hoopje stof ondoorzocht. Van den kostelijken ring ontdekte hij natuurlijk geen spoor! Dien avond weigerde de eerste knecht, hem naar zijne kamer te vergezellen.
En zie, toen nu de tweede, op bevel zijner meesteres zulks deed, zuchtte Krekel, die nog dieper ontmoedigd was dan daags te voren: "Nu opgepast, jongen, want dat is nu de tweede reeds!"
Nauwelijks had de knecht deze woorden vernomen, of hij ging zijne makkers vinden, en deelde hun het gebeurde mede. Nu viel er niet meer aan te twijfelen! Die drommelsche vreemdeling had wel degelijk hun vergrijp ontdekt! Tien tegen éen zou hij morgen alles aan hunne meesteres verraden, en — zoo zij er dan al zonder galg of gevang van af kwamen, zouden zij toch stellig hun gemakkelijk postje voor altijd verliezen. Wat nu gedaan? Na lang beraadslagen, vonden zij het nog geraadzaamst, den geleerden waarzegger te voet te vallen, en hem desnoods met al hunne spaarpenningen het stilzwijgen af te koopen.
"Ziet ge nu wel, ongelukkigen," zoo berispte hen Krekel, toen zij hem alles verteld en ook den ring toevertrouwd hadden, "ziet ge nu wel, hoe geen enkel schelmstuk kan verborgen blijven? Mijne kunst is zoo groot, dat ik, nauwelijks op het kasteel aangekomen, met zekerheid wist, dat een uwer den ring gestolen had. Voor ditmaal echter wil ik u sparen!"
En, terwijl hij de duurgewonnen schijven der arme sukkels in zijnen broekzak liet glijden, wees hij hun, met streng gebaar, de deur. Nu schafte de looze vos zich een bolletje koekdeeg aan, verborg het juweel in hetzelve, en gooide het op het binnenplein, te midden van eene schaar kalkoenen en ganzen.
"Ik-kik, ik-kik!" zei een groote kalkoensche haan, en met opgestroven staert joeg hij zijne gezellinnen weg, en — "slok!" het bolleken was reeds binnengespeeld. Op Krekels aanduiding werd nu het gulzige dier gedood, en, tot groote verbazing niet alleen van mevrouw, maar ook van al de knechts, ontdekte men het gestolen juweel in den krop van het dier!
Toch zou Krekel de beloofde honderd dukaten niet zoo gemakkelijk opstrijken. Mevrouw scheen niet al te gerust over de eerlijkheid van haren waarzegger, en zij besloot, hem nog op eene tweede proef te stellen.
"Gij zijt waarlijk een groot kunstenaar," zeide zij met hare zeemzoete stem, "en ik kan uwe geleerdheid niet genoeg bewonderen. Ook zou ik het geheel mijn leven beklagen, zoo ik u liet heengaan, zonder dat gij mij nog een bewijs van uwe kunst gegeven hebt."
Krekel, die begreep, waar zij zijn wilde, was geenszins op zijn gemak. Hij vermande zich echter, en vroeg, met geveinsde kalmte: "Gij hebt maar te spreken, mevrouw! Een toerken min of meer, daar zie ik geenszins tegen op!"
Stout gesproken is half gedaan, dacht de vent! Doch welke was zijne vreeze niet, toen de edele kasteelvrouw voor hem twee op elkaar geplaatste tellooren op tafel zette, en hem, met het onnoozelste gezicht der waereld, vroeg, wat zij wel bevatten mochten.
"Luister," voegde zij er bij, "ik wil niet, dat gij voor niet zult werken. Daarom doe ik u een voorstel: vindt gij het antwoord op mijne vraag, dan geef ik u vijftig dukaten meer. Vindt gij het echter niet, dan krijgt gij honderd zweepslagen in stede van de andere honderd dukaten!"
Was me dat een gezicht, dat onze waarzegger nu opzette! Men zou gedacht hebben, dat hij eene pad had ingeslikt, met zulke wanhopige oogen bestaarde hij nu de kasteelvrouw, dan de tellooren.
Reeds had hij wel een geheel uur aan tafel gezeten, en zich het hoofd gekweld met honderd veronderstellingen, en nog zag hij er geenen dag door... Wat kon dan wel tusschen die borden zitten? Eene bloem? Een stroopijltje? Een oortje? Eene vlieg of spin? Hij had wel gaerne, zoo maar op goed valle 't uit, als een blinde naar een ei slaat, een of ander dier genoemd, maar — 't moest zoo eens mis zijn... Wat dan! Honderd slagen en geen arm dukaatje! En het hutsepotteken van zijne vrouw, dat er dan stellig niet zou komen? Neen, dan zweeg hij nog liever; wie weet, of mevrouw zich niet een oogenblik zou verwijderen, zoodat hij gauw gauw een der tellooren kon oplichten.
Eindelijk echter werd het den armen duivel al te onhoudbaar. Het zweet brak sappelings uit al zijn ledematen, en hij bibberde, waar hij zat. En zie, eer hij er aan dacht, liet hij zich met eenen zucht ontsnappen:
"Och... Och... Och... Arme Krekel toch! Arme Krekel!"
Hij meende om te vallen, toen hij van mevrouw tot antwoord kreeg: "Ik ben verloren, vriend, ik ben verloren!"
En de bovenste telloor wegnemende, hield zij hem eenen dooden krekel voor. Krekel ontving zijne honderdvijftig dukaten, liep zoo snel hij kon naar huis, en een heele week lang werd er niets meer gedaan dan... borrelkens gedronken en hutsepottekens gegeten, alles omdat hij zulk een knap waarzegger was!

Onderwerp

AT 1641 - Doctor Know-All    AT 1641 - Doctor Know-All   

ATU 1641    ATU 1641   

Beschrijving

Een man geeft bijna al zijn geld weg in de kroegen die hij onderweg tegenkomt. De man durft nu niet meer terug te gaan naar zijn vrouw. Hij neemt zijn intrek in een herberg. Daar hoort hij dat op een naburig kasteel de ring van de kasteelvrouw is gestolen. De man besluit naar het kasteel te gaan en de dief op te sporen. Hij geeft zich uit voor waarzegger. De man krijgt drie dagen de tijd de ring op het spoor te komen. Na de eerste dag heeft de man nog niets gevonden. Een knecht brengt hem naar zijn kamer. De man verzucht "dat is de eerste al", waarmee hij bedoelt dat de eerste dag al voorbij is. De knecht, die in het complot zit, denkt echter dat de 'waarzegger' al weet dat hij de ring heeft gestolen. Dit herhaalt zich na de tweede dag met een tweede knecht uit het complot. De dieven biechten alles aan de man op. De man zegt hun de ring in de kalkoen te verstoppen. De man kan nu de vindplaats van de ring melden. Dan wordt de man gevraagd nog een bewijs van zijn kunnen te leveren. Hij moet zeggen wat zich onder een schaal bevindt. Het angstzweet breekt de man, die Krekel heet, uit. Vol medelijden met zichzelf zucht hij "ach arme krekel". De kasteelvrouw geeft zich gewonnen. Onder de schaal bevindt zich een dode krekel.

Bron

Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 1 (1888) 225-228

Motief

K1956 - Sham wise man.    K1956 - Sham wise man.   

N611.1 - Criminal accidentally detected: “that is the first”--sham wise man.    N611.1 - Criminal accidentally detected: “that is the first”--sham wise man.   

N688 - What is in the dish: “Poor Crab”.    N688 - What is in the dish: “Poor Crab”.   

Commentaar

1888
Doctor Know-All

Naam Overig in Tekst

Trientje.    Trientje.   

Naam Locatie in Tekst

Krekel    Krekel   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20