Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VOLKS047 - Het vertelsel van Slimmen Jan

Een mop (), 1888

Hoofdtekst

Het vertelsel van Slimmen Jan
Slimme Jan moest op zijn dorp een klein misdrijf boeten, en ging daarom bij den burgemeester, om te zien, op wat manier hij daar kon van afgeraken.
Te dien einde gaf de burgemeester Slimmen Jan bevel, drij zaken te verrichten, en, als hij daar wel in gelukte, dan wierd zijne straf hem ten volle kwijtgescholden. Ten eerste moest hij bij den Burgemeester het beste paerd bij nacht kunnen uit den stal halen. Hij moest, ten tweede, het hemd van de vrouw des burgemeesters zien te krijgen, en eindelijk den pastoor der parochie al zijn geld ontnemen, en den man zelven op den toren der kerk opsluiten.
Wat deed mij nu Slimme Jan? Hij verkleedde zich in 'nen kluizenaar, nam eene flesch met slaapdrank, en ging daarmede tegen avond op des burgemeesters staldeur zitten. Hij dronk dikwijls, zou men gemeend hebben, aan zijne flesch, zoodat de dienstknechten, die last hadden, de paerden te bewaken, hem nieuwsgierig vroegen, wat hij toch zoo lekkers dronk.
"Ja, dat," zegde Jan, "dat is eene aangename likeur. Wilt gij er ook wat van proeven?"
De knechten stemden toe, en Jan gaf hun de flesch.
"Daar," zegde hij, "drinkt ze maar uit."
Maar zoohaast de gasten allen gedronken hadden, vielen ze in eenen diepen en vasten slaap.
Ondertusschen reed Jan met het beste paerd weg, en 's anderdaags, in den vroegen morgend, stond de `slimaard' voor het huis des burgemeesters, en zeide lachende: "Ziehier, heer! Dat is nu al éen!"
Men kan denken, hoe verwonderd de burgemeester was! Nu moest hij het hemd der burgemeesters-vrouw kunnen krijgen. Wat deed hij? 's Nachts ging hij op het kerkhof het lijk van eenen man ontgraven, die in den dag begraven was, ontkleedde het doode lichaam, bond het op eenen staak, en begaf er zich mede tot onder het venster der slaapkamer van den burgemeester. Daar heft hij het lichaam in de hoogte, en tikt er mede op de ruiten.
De vrouw des burgemeesters, 'nen vreemden kerel aan het venster ziende, verschrikte niet weinig, en zegde tot haren man: "God! God! Man! Er willen dieven inbreken! Toe! Schiet algauw!"
En de Burgemeester sprong recht, greep zijnen tweeloop, en paf!...
Slimme Jan liet het lijk met groot gedruis vallen, en verborg zich achter de haag.
"Ach! man," zegde de burgemeesters-vrouw, "gij hebt hem gedood. Ga hem aanstonds begraven, of gij zult met het gerecht af te rekenen hebben!"
De burgemeester was nog maar vertrokken, als Slimme Jan al in het huis was, en, veinzend de burgemeester zelf te zijn, van op den trap de vrouw toeriep: "Vrouw! Geef mij al gauw uw hemd, opdat er Slimme Jan niet mede weggerake! Ik heb hem zien loopen!"
De lichtgeloovige vrouw doet haastig haar hemd uit, werpt het naar beneden, en Jan daarmee weg!
Jamaar, als de burgemeester komt, en vraagt: "Ewel vrouw, is Slimme Jan bij u niet geweest?"
"Neen, man," zei deze, "en al was hij gekomen, hij kost immers toch mijn hemd niet meer hebben, vermits gij er al mee weg waart!"
"Wat? Zijt gij dan uw hemd al kwijt? Dan hebt gij het aan Slimmen Jan gegeven! Zoo zijn wij al tweemaal door hem bedrogen!"
Nu moest de fijnaard nog éenen toer spelen, en dan was hij gewonnen. Wat nu uitgepeisd? Wacht maar... Slimme Jan laat zich 's avonds in de kerk sluiten, en als het geheel nacht geworden is, doet hij al de kaersen branden, die in de kerk te vinden waren, kleedt zich in wit pastoorsgewaad, neemt 'nen kandelaar met eene kaers in handen, en gaat zoo aan de pastorij bellen. De dienstmeid, dit hoorende, ontsluit haar venster, en ziet vol verwondering eenen engel voor het tuinpoortje staan, die vraagt, om mijnheer pastoor te spreken...
"Ik ben een engel uit den hemel," zei Jan: "God heeft mij gezonden, om den braven ouden pastoor naar den hemel te geleiden."
De pastoor, den engel bemerkende, en de kerk vol licht en klaarheid ziende, geloofde aan het mirakel, en wilde aanstonds medegaan.
Doch de engel zei: "Een oogenblikje, eerwaerde herder! Onze Lieve Heer heeft bevolen, dat gij al uw geld zult mededragen."
De pastoor ging weer naar zijn huis, en zegde: "Trien, nu moet ik al mijn geld mededragen."
Daarop begon de meid te weenen en te kermen: "Ach! Mijnheer pastoor, wat zal ik dan gaan doen?"
"Zwijg, zwijg, Trien," zegde de pastoor, "er ligt nog eene kous vol kronen boven op mijne kleerkas."
Maar de geveinsde engel had alles stillekens afgeluisterd, en als de pastoor terugkwam, zegde hij: "Mijnheer pastoor, gij hebt al uw geld niet medegebracht; er ligt nog eene kous vol kronen boven op uwe klederkas. Foei, foei, eerwaerde herder! Gij zult immers tegen Gods engel niet liegen!"
Aanstonds keerde de pastoor terug naar de pastorij, en zeide aan Trien: "Och Trien! Trien! De engel weet alles! Ik moet de kous met kronen ook hebben!"
Waarop Trien begon te lamenteeren: "Ach, mijnheer pastoor, wat ben ik ongelukkig! Ik ben nu arm als Job!"
"Zwijg, zwijg," zeide de pastoor, "in den hof onder den kriekelaar is een pot vol goudstukken begraven! Dat is voor u, Trien!"
Maar de engel, die weer alles afgeluisterd had, vroeg aan den pastoor bij het terugkomen in de kerk, of dat nu wel alles was?
"Ja engel!" zeide de oude man, "ja, dezen keer is er alles!"
"Hoe," antwoordde Jan, "gij durft nog liegen? Wanneer de goede God u naar zijnen schoonen hemel doet halen, om er eeuwig gelukkig te zijn, durft gij zijnen afgezant bedriegen? Weet goed, mijnheer pastoor, dat God alles ziet en hoort! Gij hebt onder uwen kriekelaar nog een pot vol goudstukken... Spoed u, dat gij er hier mede zijt! Wij moeten onmiddellijk vertrekken naar den hemel!"
De pastoor keerde terug naar de pastorij, en zei aan zijne meid: "Ach, Trien! God weet alles, kind! 'k Moet den pot goudstukken ook mededragen!"
Nu begon Trien te kermen en te jammeren, dat zij verloren was, en zich in den uitersten nood zoude bevinden, waarop de pastoor haar zijnen heelen wijnkelder en zijne kleerkas in vollen eigendom beloofde.
Zoohaast nu de pastoor bij den engel kwam, zei deze: "Mijnheer pastoor, kruip stillekens in dezen zak. Wij gaan de groote reis beginnen! Ik zal u dragen...!"
Stevig knoopte hij den zak toe, maar, verre van den aanstaanden heilige te dragen, trok hij den pastoor met eene koord den torentrap op...
Ja maar, daar begon de pastoor te huilen en te schreeuwen, als hij zoo met lijf en ziel tegen die harde trapsteenen gestooten wierd.
"Zwijg," zeide de engel, "zwijg, mijnheer pastoor! De weg des hemels is moeielijk! Maar het zal niet zeer lang meer duren. Wij zijn reeds aan de helle!"
En Jan trok en sleurde, dat de pastoor meende, dat hem armen en beenen gebroken wierden.
"Och, engel Gabriël," riep de brave man in zijnen zak, "zijn wij er nog niet?"
"Patientie, mijnheer pastoor," zei Jan, "wij zijn al aan het vagevuur!"
Eindelijk was men tot aan de klokgaten gekomen. Jan maakte den zak, met den pastoor erin, vast aan den klepel der klok, liet hem daar hangen, en vertrok met al zijn geld, spottende: "Nog een beetje patientie, mijnheer pastoor! Ik ga eerst den poortier spreken."
`s Anderdaags, wanneer de koster ging `morgenlicht luien', gaf de klok geenen klank.
"Wat is me dat," zei de man, en hij naar boven.
Als de pastoor de trappen hoorde kraken, riep hij uit al zijne macht: "Och, engel Gabriël, wat hebt ge mij lang laten wachten! Ga ik nu nog niet binnengelaten worden?"
"God! God!" zei de koster, "dat is precies de stem van onzen pastoor", en op een twee drie was de zak open, en stond de oude sukkelaar daar te sidderen en te beven van kou en angst, gekneusd aan handen en voeten, en met zijn hoofd deerlijk bebloed.
Alzoo had Jan zijne drie proefstukken volbracht.
Als de burgemeester vernam, wat Jan met den pastoor gedaan had, deed hij hem vangen en door twee mannen in eenen zak steken, om buiten de stad in de vaart verdronken te worden. De beulen trokken met Jan op, maar, daar de vaart verre buiten de muren lag, gingen zij, vermoeid zijnde, in eene herberg een weinig rusten en een glas bier drinken, en zetten den zak, met Slimmen Jan erin, aan de deur van de herberg neder. Juist ging daar een schaapherder met honderd schapen voorbij.
Nauwelijks hoorde Jan het geblaat, of hij begon te schreeuwen: "Och God, Och God! Dat is nu toch droef! Ik kan geen A veur eene B! En nu gaat men mij verdrinken, omdat ik geen burgemeester wil zijn!"
"Sapperdeboeren," dacht de schaper, "ik kan lezen en schrijven; dat ik eens burgemeester wierd!"
Zoo gepeisd, zoo gedaan.
Hij ging naar den zak, en zei: "Kom spoedig er uit, gij moogt al mijne schapen hebben! Ik zal in den zak kruipen, en in uwe plaats burgemeester worden!"
Of Jan er gauw uit was!
"Och ja," zei hij. "Gij, die geleerd zijt, kruip gij in den zak, en word gij burgemeester!"
Slimme Jan vertrok met de schapen van den onnoozelen geleerde, en hoorde van verre den schaapherder maar altijd aan herhalen, dat hij geleerd was, en dat hij wilde burgemeester zijn!
Oei, oei... Daar kwamen de beulen uit de herberg, en de arme man wierd `met krot en mot` verdronken!
Des anderendaags ontmoette de burgemeester Slimmen Jan met zijne schapen, en zijne eerste vraag was, waar hij die kudde gehaald had.
"Och, heer," antwoordde Jan, "gij hebt mij willen verdrinken, hè? Welnu, in plaats van te verdrinken, heb ik honderd schapen bekomen; en, had men mij twee stappen verder den stroom ingeworpen, dan had ik eene koets met vier paerden gehad, en zeer groote schatten nog op den koop toe. Gij moet mij den naasten keer wat verder doen werpen...!"
(Buggenhout)

Onderwerp

AT 1525A - Theft of Dog, Horse, Sheet or Ring    AT 1525A - Theft of Dog, Horse, Sheet or Ring   

ATU 1525A    ATU 1525A   

Beschrijving

Om zijn straf ongedaan te maken, krijgt een jongen van de burgemeester drie opdrachten te vervullen. De eerste opdracht is het 's nachts stelen van het beste paard van stal. De tweede opdracht luidt het verkrijgen van het hemd van de vrouw van de burgemeestar. En ten derde moet de jongen proberen het geld van de parochie te stelen en de pastoor op te sluiten in de toren van de kerk. Door de stalknechten dronken te voeren, lukt het hem het paard te stelen. Het hemd verkrijgt de jongen door een list. Hij houdt een lijk voor het slaapkamerraam van de burgemeester. De burgermeestersvrouw denkt dat het een inbreker is. Haar man schiet de 'inbreker' neer en begraaft het lijk. Ondertussen dringt de jongen het slaapvertrek binnen en doet net alsof hij de burgemeester is. Hij neemt het hemd van de vrouw mee. Ook de derde opdracht lukt. Jan doet alsof hij een engel is die de pastoor komt halen om naar de hemel te gaan. Hij vraagt eerst al het geld van de pastoor. Dan sleept hij de pastoor in een zak naar de toren waar hij hem opsluit. De pastoor zit onder de blauwe plekken. Als de burgemeester hoort wat de jongen met de pastoor heeft gedaan, laat hij hemvangen en in een zak stoppen om hem in de vaart te laten verdrinken. Onderweg laten de beulen de zak een moment onbewaakt staan. Met een smoes komt de jongen uit de zak. Tegen een schaapherder zegt de jongen dat hij in de zak zit omdat hij geen burgemeester wil worden, omdat hij niet kan lezen. De herder kan dat wel en wil wel graag burgemeester worden. De herder neemt de plaats van de jongen in. Later komt de burgemeester de jongen tegen met een kudde schapen. De jongen verklaart dat hij de schapen heeft gevonden op de plaats waar hij is verdronken. Als hij nog wat verder was geworpen had hij nog grotere schatten kunnen krijgen.

Bron

Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 1 (1888) 289-292

Motief

H1151 - Theft as a task.    H1151 - Theft as a task.   

H1151.2 - Task: stealing twelve horses out of stall.    H1151.2 - Task: stealing twelve horses out of stall.   

K332 - Theft by making owner drunk.    K332 - Theft by making owner drunk.   

K362.2 - Ring to put on corpse’s finger.    K362.2 - Ring to put on corpse’s finger.   

K842 - Dupe persuaded to take prisoner‘s place in a sack: killed.    K842 - Dupe persuaded to take prisoner‘s place in a sack: killed.   

Commentaar

1888
Theft of Dog, Horse, Sheet or Ring & AT 1535 The Rich and the Poor Peasant

Naam Overig in Tekst

Slimme Jan    Slimme Jan   

Jan    Jan   

Trien    Trien   

Naam Locatie in Tekst

Gabriël [engel].    Gabriël [engel].   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20