|
|
|
type
|
AT 0361 => versies
|
|
omschrijving
|
Bear-Skin
|
|
titel
|
Man in berenhuid
|
|
auteur
|
Jurjen van der Kooi
|
|
lemma
|
Een afgedankte soldaat wordt door zijn broers het ouderlijk huis uitgejaagd. Treurig zit hij op de heide als plotseling een heer in een groene jas en met een paardenpoot achter hem staat. Deze belooft hem geld en goed als hij aan kan tonen dat hij geen angst kent. De soldaat bewijst dit door een grote beer die ineens opduikt om te leggen. De duivel -- want die is het en de soldaat beseft het -- stelt nu zijn voorwaarden: zeven jaar lang mag hij zich niet wassen, zijn haren en baard niet kammen en zijn nagels niet knippen. Ook mag hij niet bidden. Hij krijgt de jas van de duivel, uit de zak zal hij altijd alle geld kunnen halen dat hij nodigt heeft, daarover moet hij de huid van de beer dragen. Alleen hierin zal hij mogen slapen en naar deze zal hij 'Bärenhäuter' genoemd worden. Als hij binnen deze zeven jaar sterft behoort hij aan de duivel; blijft hij in leven dan zal hij vrij zijn en tot het einde zijner dagen een rijk man.
De soldaat neemt dit aan. Hij trekt in zijn nieuwe kleren de wereld in en doet goed waar hij kan. Na vier jaar ziet hij er zo afschuwelijk uit dat alleen zijn geld hem nog onderdak kan verschaffen. Dan ontmoet hij in een herberg een wanhopig man: hij is zijn geld kwijtgeraakt, hem dreigt gevangenisstraf en zijn drie dochters armoede. De soldaat helpt hem rijkelijk en uit dankbaarheid biedt de man hem een van de dochters tot vrouw. De oudste twee versmaden hem om zijn uiterlijk, de jongste willigt in: hij heeft haar vader geholpen en moet dus een goed mens zijn. De verheugde soldaat geeft haar een halve ring en houdt zelf de andere helft. Zij moet haar helft goed bewaren, hij moet nog drie jaar zwerven. Komt hij niet terug dan is ze vrij.
Hij trekt verder, overal goed doende, tot zijn tijd om is. Dan keert hij terug naar de heide. De teleurgestelde duivel geeft hem zijn jas terug en moet hem wassen, kammen en knippen. De soldaat ziet er nu nog veel knapper uit dan vroeger. Opgewekt gaat hij naar de stad, rust zich uit als een grote mijnheer en reist naar het huis van zijn bruid, waar niemand hem herkent. Daar vraagt hij de man om een van zijn dochters. De beide oudsten die altijd hun zuster met haar beer geplaagd hebben, willen hem nu maar wat graag, maar hij doet zijn halve ring in een beker en overhandigt deze de jongste, die zedig op haar bruidegom gewacht heeft. Haar hart springt op van vreugde. Zij past de halve ring met haar halve die ze aan een band om haar hals draagt. De jaloerse zusters plegen zelfmoord. Die avond klopt een tevreden duivel aan; hij heeft twee zielen gewonnen in plaats van maar een.
Het in de vroege middeleeuwen ontstane motief van een contract tussen mens en duivel met van de kant van de mens zijn ziel als inzet en van de kant van de duivel, rijkdom, macht of kennis heeft een plaats en functie gekregen in bijna alle volksverhaalgenres. In de ernstige sage wordt de mens slachtoffer van Gods grote tegenstrever en zijn eigen begeerten en wangedrag, in de humoristische genres, in het bijzonder het domme duivel-sprookje, wordt de boze (de kwaadaardige maar niet bijster slimme demon) het slachtoffer van menselijke listen en lagen (vergelijk de -> Verdeling van de oogst en de -> Stenen uilenborden), in wondersprookjes zoals dit hier is de relatie mens-duivel meer ambivalent. Het spanningsveld tussen het hier en nu, tussen het bovennatuurlijke goddelijke of demonische en de wereld van mens en dier is in het wondersprookje weggevallen en de duivel kan hierin zowel als helper als tegenstander van de held een rol krijgen. Soms is hij ook beide tegelijk. De held wint, maar de duivel staat aan het slot ook niet met lege handen.
Dit sprookje (AT 361: 'Bear-skin') is vooral bekend geworden in de tweede, hier weergegeven, versie die de gebroeders Grimm in de druk van 1843 van hun Kinder- und Hausmärchen opgenomen hebben. Deze -- hij kwam uit de omgeving van Paderborn -- verving een eerdere lezing uit de 1815-druk. Beide gaan terug op een werk van Johann Jakob Christoph von Grimmelshausen (1621/22-1676): Der erste Bärnhäuter (1670), de oudste tekst van dit verhaal. Grimmelshausen vertelt het als een historische overlevering en baseert zich op een tekst die zich onder een oeroud schilderij in het slot Hohenrot bevonden zou hebben. Waarschijnlijk doelt hij op slot Hohenrode in het Zwarte Woud; de afbeelding van de 'Bärenhäuter' die hij geeft stamt uit het Kartenspielbuch (1588) van Jost Amman (1539-1591). Zijn held is een lansknecht die in het jaar 1396 (bij Nikopolis) na een veldslag tussen de toenmalige Hongaarse koning Sigismundus en de Turkse keizer Celapino (= Bajesid I) in een bos verdwaald zou zijn. Zijn 'helper' is niet de duivel maar een geest of spook. Een 'Bärenhäuter' was in het zestiende-eeuwse Duitsland een luilak, een drinkebroer, die als een beer in de winterslaap op zijn pels liggend het er van neemt. Grimmelshausen maakt van een arme rondzwervende lansknecht, een veel voorkomende en veel vermaledijde figuur in zijn tijd, een slachtoffer van de omstandigheden en een onder zijn afschrikwekkend uiterlijk in wezen toch goed mens.
Zijn tekst werd (als sage) na 1670 regelmatig herdrukt en bewerkt, waarbij meermalen relaties werden gelegd tussen zijn verhaal en beelden van 'Bärenhäuter' of herbergen met passende namen als het 'Gasthaus zum wilden Mann' in Wenen. Met de romantiek drong het verhaal ook door in de literatuur. Zo werd het in 1808 bewerkt door Clemens von Brentano (1778-1842) en in 1812 door Achim von Arnim (1781-1831). Justinus Kerner (1786-1862) maakte er een humoristisch schaduwspel van (Der Bärenhäuter im Salzbade, 1835) en ook werd het gegeven verschillende keren tot libretto voor een opera bewerkt. Toch bleef de 'Bärenhäuter' vooral een literaire figuur. In de mondelinge overlevering van dit sprookje, die vanaf de eerste helft van de negentiende eeuw grijpbaar wordt, speelt hij, behalve in een enkele van de Grimms afhankelijke optekening, nauwelijks een rol. De held is hierin meestal een gewone verarmde soldaat of daarmee vergelijkbare man die in ruil voor rijkdommen belooft zich een bepaalde periode niet te verschonen enzovoort. Of hij kwam als 'Bärenhäuter' benoemd niet voor in de mondelinge overlevering, of de vertellers hebben dit door Grimmelshausen en de zich op hem baserende auteurs ingebrachte motief niet meegenomen.
Aan de basis ligt wel een oud en vooral in het Germaanse cultuurgebied zeer verspreid gebruik: iemand doet de gelofte zich niet te zullen wassen, scheren, verschonen e.d. voor hij of zij een bepaald iets heeft bereikt of bewerkstelligd. Al in zijn Germania meldt de Romeinse geschiedschrijver Tacitus (ca. 50-112) dat de jonge Chatten hun haar en baard lieten groeien en beloofden zich eerst te zullen scheren nadat zij een vijand gedood hadden. In de zeventiende eeuw moeten verhalen over dit gebruik verbonden zijn met het toen zo geliefde motief van het pact met de duivel (de koning van drek en vuiligheid) en zo dit sprookje opgeroepen hebben. Dit heeft anders dan de Grimmse versie waarin de deugdzaamheid van de held benadrukt wordt meestal een uitgesproken humoristisch karakter. Men zou het ook als een reactie op het in de nieuwe tijd inzettende beschavingsoffensief kunnen zien: niet het uiterlijk maakt altijd de man. In psychologische zin kan men het duiden als de ontwikkelingsgang van een jongen tot man, die in deze overgangsfase gevangen tussen stof (wat hij wil) en geest (wat hij zou moeten) zichzelf ziet als een 'Bärenhäuter', maar in de loop van dit proces de demon in zichzelf weet te temmen en met zichzelf in het reine komt.
Het sprookje van de Man in Berenhuid is een typisch Europees sprookje. Het is behalve op dit continent verder alleen genoteerd in vanuit Europa gekoloniseerde gebieden: Noord- en Midden-Amerika en de Filippijnen. Het was echter niet overal in Europa even geliefd. De kern van het verspreidingsgebied ligt in Midden- en Noord-Europa. Uit Vlaanderen zijn ons geen lezingen bekend, in Nederland is het maar een keer gevonden. In 1973 vertelde de in 1905 geboren Friese meesterverteller Roel Piters de Jong het aan de verzamelaar Ype Poortinga (1910-1985). Hij had het als kind van de turfmakers in zijn dorp Ouwsterhaule gehoord. Bij hem krijgt een door zijn stiefmoeder en stiefbroer verjaagde prins van de duivel een beurs die niet leeg kan, maar hij mag zich in drie jaar niet wassen, scheren en knippen en moet in deze periode met een prinses trouwen, anders verspeelt hij zijn ziel. Met zijn geld helpt hij een koning tegen een aanvaller en krijgt daarvoor net als bij Grimm diens jongste dochter. Haar twee oudere zusters zijn ook bij hem voor de duivel. Weer de oude herovert hij zijn koninkrijk en hangt hij zijn stiefmoeder en haar zoon op.
|
|
literatuur
|
Teksten: KHM 101; Uther 1990a, nr. 42; Poortinga 1981, p. 194-198.
Studies: AT 361; VDK p. 322; EM 1, 1225-1235; BP 2, p. 427-435; Liungman 1961, p. 76; Scherf 1995, 1, p. 46-49; Zelger 1996.
|
|
|
|