Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

- Het meisje met de zwavelstokjes

Een (),

Onderwerp

TM 0748B - Het meisje met de zwavelstokjes.    TM 0748B - Het meisje met de zwavelstokjes.   

Beschrijving

Het meisje met de zwavelstokjes

Tekst

De tafel was gedekt met een schoon, helder wit tafelkleed en ’t fijnste porselein. De gebraden gans stond heerlijk te dampen, hij was gevuld met appelen en pruimen. Maar het allerheerlijkste was, dat de gans van de tafel sprong en over de grond kroop met vork en mes in zijn rug; hij kwam recht op het arme meisje af. Toen ging het zwavelstokje uit en ze zag niets dan de dikke, koude muur.   Het meisje met de zwavelstokjes is een van de populairste sprookjes van de Deense schrijver Hans Christian Andersen (1805-1875), maar ook een van de treurigste. Een arm meisje met mooie blonde lokken probeert op een koude oudejaarsavond zwavelstokjes te verkopen, maar niemand toont interesse in haar en gedurende de dag verkoopt ze geen enkel zwavelstokje. Het meisje durft uit angst voor straf van haar ouders niet naar huis terug te keren en loopt koud en hongerig door de stad. Achter de ramen ziet ze hoe kinderen cadeautjes uitpakken en families aan een feestmaal beginnen. Het meisje heeft het zo koud, dat ze besluit een zwavelstokje aan te steken. Plotseling lijkt het alsof ze voor een ijzeren kachel zit, zo lekker warm, maar als het zwavelstokje uitgaat is het weer koud en donker. Bij de daaropvolgende zwavelstokjes ziet het meisje een uitgebreid gedekte tafel, zoals beschreven in de hierboven weergeven passage, en de mooiste kerstboom die ze ooit heeft gezien. Een van de lampjes van de kerstboom verandert in een vallende ster. “Nu gaat er iemand dood” denkt het meisje. Dit had haar oma, die niet meer leefde, haar eens verteld. Na het afsteken van het vierde zwavelstokje verschijnt de grootmoeder van het meisje, die altijd zo goed voor haar was geweest, en uit angst dat ook zij zal verdwijnen na het uitbranden van het zwavelstokje steekt ze het hele bosje aan. Grootmoeder neemt het meisje mee in haar armen en samen vliegen ze heel hoog de lucht in naar een wereld zonder kou, honger en angst. Ze zijn bij God. De volgende dag vinden de mensen het meisje, doodgevroren door de kou, met een glimlach op haar gezicht.   Andersen schreef Het meisje met de zwavelstokjes, oorspronkelijke titel Den lille pige med svovlstikkerne, in de winter van 1845 tijdens een verblijf van bijna een maand aan het slot Augustenborg op het Deense eiland Alsen. Een paar weken daarvoor was hij al te gast geweest bij het Deense koningspaar en bij hertog Christan August von Augustenborg begaf Andersen zich wederom in een wereld vol overvloed en rijkdom. Aan zijn goede vriend Edvard Collin schreef Andersen hoe hij tijdens een wandeling op straat door arme jongens werd begroet en met tranen in zijn ogen terugdacht aan zijn kindheid (Nielsen 1958, p.89). Andersen was namelijk net als het meisje met de zwavelstokjes goed bekend met een leven in armoede. Zijn vader, een arme schoenmaker, overleed op jonge leeftijd en zijn moeder waste kleren in de rivier van het Deense stadje Odense om een dak boven hun hoofd te houden. Andersen voelde zich als kind een buitenstaander en kreeg regelmatig te maken met pesterijen. Hij volgde les op een armenschool, maar overtuigd dat hij voor iets groters bestemd was, vertrok Andersen op zijn veertiende naar Kopenhagen. Hier wist hij zich met de nodige tegenslagen op de sociale ladder omhoog te werken, tot hij uiteindelijk in de jaren veertig van de negentiende eeuw met zijn sprookjes in Europa algemene bekendheid verwierf (Svend en Topsøe-Jensen 1955, p.10-13).   Net als in de andere sprookjes van Andersen zijn er in Het meisje met de zwavelstokjes veel autobiografische elementen terug te vinden. Andersen had zelf ervaren hoe het was om in armoede op te groeien en ook zijn oma had zich altijd om haar kleinzoon bekommerd. Het sprookje zou echter voornamelijk geïnspireerd zijn op de verhalen die zijn moeder hem over haar jeugd had verteld. Zijn moeder kwam uit een arm gezin en werd van kleins af aan door haar ouders gedwongen om op straat te bedelen. Als ze geen opbrengsten had zat ze vaak urenlang huilend onder een brug uit angst voor de gevolgen (Tatar 2007, p.217). Ook werd Andersen geïnspireerd door de situatie waarin hij zich ten tijde van het schrijven van het sprookje bevond. Tijdens zijn verblijf aan slot Augustenborg werd Andersen door de uitgever van een almanak benaderd met het verzoek bij één van de door hem meegestuurde houtsneden een verhaal te schrijven. Andersen koos voor de prent van de Deense artiest Johan Thomas Lundbye, waarop een arm meisje met een handjevol zwavelstokjes werd weergeven. Andersen schreef in het verslag van zijn reizen door Europa dat er sprake was van een scherp contrast tussen het leven van het meisje op de prent en zijn leven op het Augustenborger slot (Andersen 1999, p.214). Een contrast dat zijn leven had gemarkeerd en dat hij in het sprookje had willen weergeven.   Onder literatuurwetenschappers is er geen overeenstemming over de vraag hoe Het meisje met de zwavelstokjes moet worden geïnterpreteerd. In de tweede helft van de twintigste eeuw werd het sprookje in de communistische landen in Oost-Europa als een bewijs gezien voor het sociaal engagement van Andersen, terwijl in de Westerse wereld meer nadruk werd gelegd op het verklaren van de ellende op de wereld door religie (De Mylius 1999, p.104). Maria Tatar stelt dat het sprookje, geschreven in een periode van sociale onrust en politieke opschudding, met name bedoeld was als een krachtige kritiek op de economische onrechtvaardigheid in de negentiende eeuw. Andersens sympathie lag duidelijk bij de onderdrukten en het meisje moet worden gezien als een ‘puur’ slachtoffer van de wrede en harde wereld (Tatar 2007, p.217). Ook anderen leggen de nadruk op het sociale aspect van het sprookje. Andersen wilde de misstanden van de negentiende, maar ook van de mensheid in het algemeen, aankaarten. Hij gaf kritiek op het feit dat mensen in een tijd van toenemende modernisering steeds meer langs elkaar heen begonnen te leven, zonder enig medeleven voor de ander (Sahr 2001, p.164). Jackie Wullschlager stelt dat Het meisje met zwavelstokjes bovendien blijk geeft van Andersens onbehagen met zijn nieuwe levensstijl. ‘It was written when he was cocooned and dissatisfied in a dull, aristocratic luxury, and is, on social level, his most fiercly indignant tale’ (Wullschlager 2001, p.267). Wullschlager vergelijkt Andersen met tijdgenoot Charles Dickens (1812-1870), die in veel van zijn verhalen de sociale misstanden van de Victoriaanse samenleving, onder andere kinderarbeid, de rigide standenmaatschappij en slavernij, een centrale plaats toekende.   Niet iedereen is er echter van overtuigd dat Het meisje met de zwavelstokjes hoofdzakelijk als een sociale kritiek moet worden beschouwd. Volgens Erling Nielsen kan er weliswaar worden gesproken van een ‘sozial Nebenmotiv’, maar valt het te betwijfelen of dit de centrale boodschap is die Andersen wilde overbrengen (Nielsen 1958, p.143). Het sprookje heeft een duidelijk religieuze dimensie. Het is bekend dat Andersen een vrome Lutheraan was en zijn verhalen zijn doordrongen van christelijke symbolen en religieuze gedachtes. Het ‘Daseinsmetapher’, waarin vanuit de duisternis een weg wordt gebaand in het licht, is een oeroude christelijke, deels heidense, metafoor (Sahr 2001, p.162). Het meisje vindt na een leven vol duisternis verlossing in de hemel en is bevrijd van haar aardse lasten. Ook in De rode schoentjes (1845) wordt het arme meisje uiteindelijk door God verlost en gaat ze naar een plek waar niemand meer naar haar rode schoentjes vraagt. Volgens Jack Zipes loopt het met de vrouwelijke personages in Andersens sprookjes uitsluitend ‘goed’ af als zij zich vroom en nederig gedragen. Het meisje met de rode schoentjes wordt in eerste instantie gestraft vanwege haar ijdelheid, haar voeten worden met schoenen en al afgehakt, maar kan verlossing vinden door te biechten en zich aan God over te geven. Het meisje met de zwavelstokjes is echter al de personificatie van vroomheid en wordt beloond door haar grootmoeder die haar meeneemt naar het rijk van God (Zipes 2005, p.89).    Op deze manier wordt de boodschap van het verhaal dat hoewel de mensheid tijdens het leven op aarde niet om ons geeft, God altijd van ons zal houden. Hoe slecht je het ook hebt, Hij zal verlossing brengen. Het meisje met de zwavelstokjes wordt als een passie beschouwd, een verhaal waarin het leiden van Jezus als uitgangspunt wordt genomen, en wordt op die manier in muziekstukken en opera’s weergeven. De dood speelt een belangrijke rol in Andersens sprookjes, slechts één zesde zou zonder enige referentie naar de dood zijn (Sahr 2001, p.161). Tatar stelt echter dat hoewel Het meisje met de zwavelstokjes wordt geïnterpreteerd als een sprookje van verlossing, de visioenen van het meisje vaak over het hoofd worden gezien (Tatar 2007, p.xxviii). Deze visioenen, visioenen van warmte, eten, schoonheid en huiselijkheid en uiteindelijk liefde en compassie, hebben een dubbele betekenis. In eerste instantie kunnen hallucinaties wetenschappelijk gezien als een symptoom van onderkoeling worden beschouwd. In het sprookje is het echter pas na het aansteken van het zwavelstokje dat de visioenen opkomen. Het zwavelstokje verandert in een magisch object dat de verbeelding aanwakkert. Dit is een bekend motief in sprookjes en volksverhalen en het is waarschijnlijk dat het zwavelstokje een verwijzing is naar de magische lamp van Aladdin (D1470.1.16, Magic wishing-lamp). Andersen las dit sprookje samen met zijn vader en ook was hij bekend met het toneelstuk Aladdin en de magische lamp, originele titel Aladdin og den vidunderlige lampe, van de Deense dichter en toneelschrijver Adam Oehlenschläger uit 1802 (Tatar 2007, p.219).   Tegenwoordig spreekt het sociale thema van Het meisje met de zwavelstokjes nog steeds veel mensen aan: het is een verhaal waarin de misstanden van de negentiende eeuw worden aangekaart, maar in de huidige wereld, waarin armoede en kindersterfte aan de orde van de dag zijn, nog altijd actueel zijn. Het is uiteindelijk deze tijdloosheid, tezamen met de veelzijdigheid van het sprookje, de combinatie van de sociale met de religieuze dimensie, dat het tot de dag van vandaag een populair sprookje maakt. Hoewel Het meisje met de zwavelstokjes een kunstsprookje is waaraan een geschreven tekst ten grondslag ligt, en niet een volkssprookje dat in de mondelinge overlevering is ontstaan en gegroeid, is het sprookje toch in de mondelinge overlevering terecht gekomen en zijn er door de jaren heen veel adaptaties verschenen. Niet alleen in de Westerse wereld, maar ook in Azië en Latijns-Amerika wordt het verhaal van het meisje met de zwavelstokjes in de vorm van film, theater, muziek en boeken verder verteld, waarbij met name het einde van het sprookje is gaan variëren. Een interessante adaptatie komt van de hand van de Franse schrijver en illustrator Tomi Ungerer. In Allumette: A Fable, with Due Respect to Hans Christian Andersen, The Grimm Brothers, and the Honorable Amrbose Bierce (1974) wordt het verhaal van het meisje met de zwavelstokjes voortgezet in de twintigste eeuw, in een wereld waarin iedereen is voorzien van een aansteker. Waar het meisje, in Ungerers boek de wees Allumette, ‘lucifer’ in het Frans, in Het meisje met de zwavelstokjes sterft, worden in Allumette al haar dromen vervuld. Ze maakt gebruik van de mogelijkheden die ze krijgt om niet alleen haar leven, maar ook de samenleving in haar geheel te verbeteren.   Een variatie op deze versie van het sprookje is te zien in de Amerikaanse film The Little Match Girl (1987). De film is bedoeld als een kritiek op de standenmaatschappij en de onverschilligheid van de rijken ten aanzien van het lot van de armen. Het jonge meisje Molly wordt op de dag van kerstavond dakloos en tijdens het verkopen van lucifers op straat raakt ze aan de praat met de zoon van de man die hier verantwoordelijk voor is. Ze wordt, onder protest van zijn vader, opgenomen in deze rijke en omstreden familie en Molly zorgt ervoor dat het een kerst wordt om nooit te vergeten. De familie ziet uiteindelijk mede dankzij haar in dat er iets moet veranderen en aan het eind van de film wordt Molly door iedereen in de familie geaccepteerd. Maar dan is ze spoorloos verdwenen. Er schiet een vallende ster door de lucht: “Merry Christmas Molly” zegt de man des huizes.   In de loop van de jaren zijn talloze verfilmingen verschenen, korte of lange, speelfilms of geanimeerd, die in meer of mindere mate het verhaal van het meisje met de zwavelstokjes verstellen en afkomstig zijn van over de hele wereld. Sommige films houden zich trouw aan het originele sprookje, andere makers hebben zich meer artistieke vrijheid gegund. De eerste verfilming van het sprookje was de stomme film The Little Match Seller (1902), gevolgd door de tekenfilm The Little Match Girl (1937), die voor een Oscar werd genomineerd. In de jaren negentig maakte de Amerikaanse animator Michael Spohr een adaptatie van een aantal sprookjes van Andersen, waaronder Het meisje met de zwavelstokjes. Spohr zette het sprookje in een modern jasje: het dakloze meisje Angela probeert in New York op oudejaarsavond lucifers te verkopen, maar haar pogingen zijn tevergeefs. Het is koud en ze besluit een paar lucifers af te steken om zich op te warmen. In plaats van prachtige visoenen ziet Angela bij het afstrijken van de lucifers steeds weer hoe de armen in New York aan hun lot worden overgelaten. Als ze terugloopt naar het metrostation, komt ze in een sneeuwstorm terecht, maar in plaats van dood te vriezen, overleeft ze op wonderbaarlijke wijze. Vanaf dat moment wordt het meisje door de rijken van New York geholpen. Met zijn film gaf Spohr kritiek op het sprookje van Andersen, kritiek die in de moderne samenleving vaker wordt geuit. In plaats van de focus te leggen op de verlossing door God, staat de kracht van het meisje zelf centraal. Het is een positiever verhaal: het laat zien dat er ook op aarde verandering mogelijk is. En dit is wat volgens Tatar kinderen die zich in deze situatie bevinden nodig hebben (Tatar 2007, p.222).    Sinds ruim tien jaar kan Het meisje met de zwavelstokjes ook in het attractiepark de Efteling worden bewonderd. Op 15 december 2004 werd in de Efteling ter gelegenheid van het tweehonderdste geboortejaar van Andersen met het meisje met de zwavelstokjes het 25ste sprookje in het Sprookjesbos geopend. Het sprookje is ontworpen door Michel den Dulk en wordt weergeven in een klein stadje met een toegangspoort en torentjes. Het stadje is gebouwd op een heuvel en na binnenkomst volgt er een gang die naar de weergave van het sprookje leidt. Van achter het glas kan de bezoeker het sprookje, dat door middel van een holografische projectie wordt afgebeeld, bekijken en beluisteren. ‘Het is de kracht van de liefde, die altijd wint. Een geluk is voor een ieder en nu ook voor dit kind’. Met deze woorden eindigt de uitvoering die, begeleid van klassieke muziek, het verhaal van het meisje met de zwavelstokjes vertelt. Bij de uitgang van de attractie is een klein kerkhofje, waar het graf van het meisje en haar grootmoeder te vinden zijn.   Ondanks de tragiek van het verhaal is het sprookje in de Efteling een groot succes. Het meisje met de zwavelstokjes is meer dan ‘alleen’ een sprookje: het spreekt mensen persoonlijk aan en niet alleen kinderen. Hoewel de religieuze boodschap in onze toenemende seculiere wereld onder druk staat, blijft het een sprookje waarin hoop op een betere wereld naar voren komt, waar deze ook mag zijn. De magie van Het meisje met de zwavelstokjes is in de eenentwintigste eeuw nog lang niet uitgewerkt.

Literatuur

Hans Christian Andersen (Anastazia Little ed.), Travels (Los Angeles 1999); Svend Dahl en H.G. Topsøe-Jensen ed., Six fairy tales by the Danish writer Hans Chrisian Andersen: Published on the occasion of the 150th anniversary of his birth (Kopenhagen 1955); Johan de Mylius, Hans Christian Andersen: Märchen, Geschichten, Briefe (Frankfurt, Leizpig 1999); Erling von Nielsen, Hans Christian Andersen in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten (Hamburg 1958); Michael Sahr, ‘Das kleine Mädchen mit den Schwefelhölzern – Ein Märchen von Hans Christian Andersen’, in: Günter Lange ed., Lese-Erlebnisse und Literatur-Erfarhrungen. Annäherungen an literarische Werke von Luther bis Enzensberger. Festschrift für Kurt Franz am 60. Geburtstag (Baltmannsweiler 2001) p.160-169; Maria Tatar ed., The annotated Hans Christian Andersen (New York 2007); Jackie Wullschlager, Hans Christian Andersen: The Life of a Storyteller (New York 2001); Jack Zipes, Hans Christian Andersen: The Misunderstood Storyteller (Londen 2005).