Hoofdtekst
Carmiggelt vertelt in zijn bundel Spijbelen (1956) hoe een hoogleraar (anoniem, maar het verhaal werd ook verteld met Scheltema in de hoofdrol) zich voor een van die tentamens aan huis versliep.
Onderweg naar de voorkamer, waar de student al een half uur wachtte, verzon de hooggeleerde een list om zijn gezicht te redden: `(...) hij zou net doen of hij van buiten kwam, dat was acceptabeler. Haastig schoot hij hoed en jas aan en stortte de voorkamer binnen met een meesterlijk geïntoneerd: "Het spijt me ontzettend, maar ik ben opgehouden in de stad en de tram reed nét voor me neus weg..."
Hij stokte. De jongeman, keurig in het zwart, keek hem aan of hij een spook was.
"Is er iets?" vroeg hij.
"Ja ziet u, professor," aarzelde de student. "U hebt mijn jas aan. En mijn hoed op."'
(Simon Carmiggelt: Spijbelen, 1956)
Onderweg naar de voorkamer, waar de student al een half uur wachtte, verzon de hooggeleerde een list om zijn gezicht te redden: `(...) hij zou net doen of hij van buiten kwam, dat was acceptabeler. Haastig schoot hij hoed en jas aan en stortte de voorkamer binnen met een meesterlijk geïntoneerd: "Het spijt me ontzettend, maar ik ben opgehouden in de stad en de tram reed nét voor me neus weg..."
Hij stokte. De jongeman, keurig in het zwart, keek hem aan of hij een spook was.
"Is er iets?" vroeg hij.
"Ja ziet u, professor," aarzelde de student. "U hebt mijn jas aan. En mijn hoed op."'
(Simon Carmiggelt: Spijbelen, 1956)
Beschrijving
Een hoogleraar verslaapt zich voor een tentamen aan huis. Om tegenover de wachtende student zijn gezicht te redden, trekt hij hoed en jas aan en doet alsof hij van buiten komt en is opgehouden. Per abuis heeft hij echter de hoed en jas van de student aangetrokken, die hem daar fijntjes op wijst.
Bron
Peter Burger: De gebraden baby. Amsterdam, 1995, p.158
Commentaar
1956
Naam Overig in Tekst
Spijbelen   
Scheltema   
Carmiggelt   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
