Hoofdtekst
Bergmannetjes te Casterlé
Op eene halve mijl afstand ten N.-O. der gemeente Casterlé ligt een heuvel, dien men algemeen den Aschberg noemt, waarsehijnlijk om den zandachtigen aard van zijnen grond.
Niet verre van dien berg lag vroeger eene weide, waar dagelijks een koewachter zijn vee te grazen dreef.
Om naar dien beemd te gaan, moest hij den Aschberg langs; en telkens hij daar voorbij trok, kwam er eene zeer magere koe uit den berg te voorschijn, die mede naar het weiland toog, en al het gras zijner koeien afschoor.
Dikwijls had het koeherdertje daarover aan zijne meesteres geklaagd. Wegjagen ging niet.
"Wat ge doet," zegde ze op zekeren morgend, "als ge vandaag die magere koe weer ziet, pak ze bij den staert, en loop met haar den berg in."
De koeienhoeder trok ter weide. De magere koe verscheen weer. Het wachtertje deed, wat zijne meesteres hem geraden had, en hing aan den staert der koe, die met hem den Aschberg binnentrok.
Hoe verbaasd stond de arme veedrijver, toen hij daar in eene schoone ruime zaal wel vijftig kleine kaboutermannekens druk bezig zag met koeken te bakken. De tafel werd opgediend, en de bergmannetjes noodigden den knaap vriendelijk uit, om met hen koeken te eten.
De jongen liet zich gezeggen; maar nauwelijks had hij een stuk geproefd, of hij viel achterover en was dood.
Op eene halve mijl afstand ten N.-O. der gemeente Casterlé ligt een heuvel, dien men algemeen den Aschberg noemt, waarsehijnlijk om den zandachtigen aard van zijnen grond.
Niet verre van dien berg lag vroeger eene weide, waar dagelijks een koewachter zijn vee te grazen dreef.
Om naar dien beemd te gaan, moest hij den Aschberg langs; en telkens hij daar voorbij trok, kwam er eene zeer magere koe uit den berg te voorschijn, die mede naar het weiland toog, en al het gras zijner koeien afschoor.
Dikwijls had het koeherdertje daarover aan zijne meesteres geklaagd. Wegjagen ging niet.
"Wat ge doet," zegde ze op zekeren morgend, "als ge vandaag die magere koe weer ziet, pak ze bij den staert, en loop met haar den berg in."
De koeienhoeder trok ter weide. De magere koe verscheen weer. Het wachtertje deed, wat zijne meesteres hem geraden had, en hing aan den staert der koe, die met hem den Aschberg binnentrok.
Hoe verbaasd stond de arme veedrijver, toen hij daar in eene schoone ruime zaal wel vijftig kleine kaboutermannekens druk bezig zag met koeken te bakken. De tafel werd opgediend, en de bergmannetjes noodigden den knaap vriendelijk uit, om met hen koeken te eten.
De jongen liet zich gezeggen; maar nauwelijks had hij een stuk geproefd, of hij viel achterover en was dood.
Beschrijving
Een koeherder brengt zijn vee dagelijks naar een wei, die vlakbij een heuvel ligt. Telkens als hij langs de berg komt, komt er een magere koe uit tevoorschijn, die mee naar de wei gaat en al het gras opeet. Hij krijgt van zijn meesteres het advies achter de koe aan te lopen de berg in. Dit doet hij en komt in een zaal vol kaboutertjes die koeken aan het bakken zijn. De jongen wordt uitgenodigd mee te eten, maar valt dood neer als hij van de koek eet.
Bron
Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 2 (1889) p. 89
Commentaar
1889
Naam Locatie in Tekst
Casterlé   
Aschberg   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
