Hoofdtekst
Er was eens een jongen, die zich als knecht bij een boer verhuurde voor één grauwe erwt in het jaar. Toen het jaar om was en de knechts en meiden hun loon kregen, vroeg de heer of hij toch niet liever geld wilde hebben.
"Neen," zei hij, "ik vraag niet anders dan een grauwe erwt."
"Ga dan maar naar de schuur," zei de boer "en zoek er de mooiste en grootste uit."
Dat deed hij dan ook. Hij vond na lang zoeken een erwt, wel zo groot als een stuiter en stak hem in zijn zak. Daarna nam hij afscheid van de boer en zijn vrouw en trok de wijde wereld in.
Nadat hij een poosje gelopen had, kwam hij voorbij een boerderij waar een prachtige veelkleurige haan fier over het erf rondstapte.
"Die haan zou ik graag willen hebben," zei hij tot de meid, die daar aan het werk was.
"Dat wil ik graag geloven," antwoordde ze, "maar je zult de helft van de prijs niet kunnen betalen, waarvoor de boer hem zou willen missen."
"Ik heb hier een grauwe erwt," zei hij, "die zal ik voor de haan neergooien; pikt hij de erwt op, dan ben ik hem kwijt, maar laat hij die erwt liggen, dan is de haan van mij."
"Nu, die weddenschap durf ik wel aan te nemen, zonder het de boer te vragen," zei de meid lachend. "Gooi maar."
De jongen wierp de erwt, maar de haan aarzelde geen ogenblik. Pik, hij had hem! De meid lachte, dat begrijp je, maar de jongen begon te schreien, liet zich op de grond vallen en jammerde.
"Dat was nu mijn loon, waarvoor ik een heel jaar gewerkt heb. Nu ben ik het zomaar kwijt!"
Zo lag hij de hele dag op het erf te schreien en te klagen. Dat verveelde de boer tenslotte.
"Ik kan dat gejank niet langer aanhoren," zei hij. "Kom jongen, neem de haan en maak dat je hier vandaan komt!"
De jongen juichte van blijdschap. Hij ving de haan, nam hem onder zijn arm en reisde verder.
De volgende dag kwam hij voorbij een kasteel, waar in het park een gouden bok graasde. Een knecht was er aan het werk en met hem maakte hij een praatje.
"Ik wil mijn haan wel eens laten vechten met die gouden bok," zei hij. "Overwint die bok mijn haan, dan ben ik hem kwijt, maar verliest de bok het, dan neem ik het dier mee."
"Die weddenschap wil ik wel aannemen," lachte de knecht. "Laat ze maar vechten."
Het was niet moeilijk de dieren aan het vechten te krijgen! En toen ze eenmaal begonnen waren, duurde het niet lang of de haan kreeg van de bok een stoot met de horens en bleef liggen.
"Dat heb ik wel gedacht," zei de knecht, maar de jongen begon weer te huilen en te roepen: "Dat was nu mijn zuurverdiende loon, waarvoor ik een heel jaar gewerkt heb, dat ben ik nu zomaar kwijt."
Hij liet zich op de grond vallen en bleef zo de hele dag liggen en onderwijl hield hij maar niet op met schreien en klagen.Dat begon ten laatste de heer, die op het slot woonde, bar te vervelen en hij riep boos: "Ik kan dat gejank en gehuil niet langer aanhoren. Geef hem de gouden bok en laat hem zo gauw mogelijk weggaan."
De jongen maakte een luchtsprong van blijdschap, toen hij die woorden hoorde. Hij nam de bok aan een touw en trok verder, terwijl hij zei: "Ik heb wel gedacht, dat een grauwe erwt een goed loon zou zijn."
De volgende morgen kwam hij langs een boerderij, waar een meid en een knecht op het erf bezig waren de melkemmers te schuren.
"O," riep de meid, "wat een prachtige bok heb je daar. Mag ik die een paar van zijn gouden haren uittrekken?"
"Ja," zei de jongen, "ga je gang maar."
De meid greep met beide handen in het haar van de bok, maar wat was dat?... Haar handen bleven vastzitten in zijn gouden vacht. Ze kon ze met geen mogelijkheid weer losmaken en ze moest, of ze wilde of niet, meelopen met de jongen en zijn bok. Ten einde raad riep ze de knecht, die het paard aan het roskammen was, dat hij haar zou helpen en die schoot dadelijk toe.
Hij greep haar met beide handen vast, om haar los te trekken, maar toen merkte hij dat zijn handen nu ook vastzaten en dat ook hij mee moest lopen achter de bok aan. Niet ver daarvandaan waren een paar arbeiders aan het dorsen in een schuur; klip, klap, op en neer. Ze zagen die zonderlinge stoet voorbijkomen en een van hen zei: "Zal ik die man, die daar achteraan loopt, eens met de graanschop voor zijn broek geven? Dan zal-ie wel loslaten."
"Wel, ga je gang maar," riep de jongen.
De dorser nam de graanschop en gaf er de knecht een pats mee, maar toen bleef de schop vastplakken aan de broek van de knecht en de man, die de steel in zijn hand hield, kon die niet meer loslaten. Hij riep tegen zijn makker: "Trek me los!"Die greep hem beet, maar zat toen zelf ook vast.
Zo ging die vreemde stoet op weg naar de stad, waar de koning woonde.
De enige dochter van de koning was reeds geruime tijd heel zwaarmoedig gestemd. Niemand wist wat haar eigenlijk scheelde en waarom ze nooit meer vrolijk was, maar het lachen had ze verleerd. De dokters hadden haar ook niet kunnen genezen en ze hadden al evenmin geweten, wat de oorzaak van haar ziekte was.
Toen had de koning laten uittrommelen dat degeen, die de prinses aan het lachen zou weten te brengen, met haar zou mogen trouwen. Er waren allerlei snaken en potsenmakers naar de hoofdstad gekomen; ze hadden gezichten getrokken en kopje-over gebuiteld, gedanst en gezongen en grappen verteld, maar de prinses had alleen maar verwonderd gekeken, geglimlacht had ze niet eens.
Zodra hij in de stad kwam, hoorde de jongen over de ziekte van de prinses spreken. Dadelijk liet hij aan de koning weten, dat hij voor het paleis stond met een himp-hamp-houvast, en hij vroeg of hij die himp-hamp-hou-vast eens aan de prinses mocht laten zien.
Nu, dat werd toegestaan en hij moest maar aanstonds komen. Het hek werd geopend en hij kwam met zijn zonderlinge stoet het voorplein opgewandeld. De prinses, die uit het venster keek, zag hen uit de verte naderen en toen ze al die boze mensen in hun vreemde houdingen achter de bok aan zag springen, kon ze zich niet meer goed houden en begon ze onbedaarlijk te lachen, dat ze er haast niet mee kon uitscheiden. Toen de prinses gelachen had, konden ook de meid en de knecht en de beide dorsers hun handen weer losmaken en ze liepen gauw terug om de melkemmers te schuren, het paard te roskammen en het graan te dorsen.
Als met een toverslag was de prinses genezen en sindsdien was ze altijd vrolijk en opgeruimd. Dat beviel de koning zo, dat hij woord hield en de jongen liet trouwen met de prinses en toen hij oud was en moe van het regeren, werd de jongen koning in zijn plaats.
En toen kwam er een katje met een witte snuit.
Die blies het hele vertelseltje uit.
(Friesland)
Onderwerp
AT 0571 - "All Stick Together."   
ATU 0571 - “All Stick Together”.   
AT 1655 - The Profitable Exchange   
ATU 1655 - The Profitable Exchange.   
Beschrijving
Bron
Motief
N421 - Lucky bargain.   
D2171.3.1 - Magic adhesion to goose.   
D2171.5 - Persons magically stick together.   
H341 - Suitor test: making princess laugh.   
H341.1 - Princess brought to laughter by people sticking together.   
T68 - Princess offered as prize.   
L161 - Lowly hero marries princess.   
