Hoofdtekst
WIE LUY EN LECKER IS DIE MOET NA 'T LECKERLANDT
Een Contreye isser die heet Luy-Leckerland /
Dat is de luye Deughnieten wel bekant;
Het leyt drie mijlen door lange nachten /
En de geen die daer heen wil met machten /
5 Moet hem veel groote dingen vermeten
En een bergh Boeckweyte-bry door eeten /
Want die is wel drie mylen dick;
Als dan komt hy in een oogenblick
In dat voorseyde Luy-Lekkerlandt /
10 Dat is / om synen rijckdom / wel bekant /
Want de Huysen zijn daer gedeckt met Vladen /
Deur en vensters zijn 'er met Peperkoeken geladen
Van Zyen Speck maeckt men muur en wandt /
En de balken met Braetverkens na mijn verstant /
15 Om elck Huys staet eenen stercken Tuyn /
Die is gevlochten van Braed-worsten bruyn;
Van Malvesey zijn de Fonteynen aldaer /
Van selfs in de mond springende / net en klaer:
De Roffiolen wassen daer in sulcher manieren /
20 Als de Pijn-appelen doen in die quartieren:
En Taerten wassen op de Eycken /
De Struyven op Bercken-rijs / goet om reycken /
d'Esschen boomen daer Pasteyen dragen /
En Wijn-druyven pluckt men aen doorn-hagen /
25 Op de Wilgen wast Witte-brood voor elck /
Daer onder loopen Rivieren van Soete-melck /
't Witte-broodt valt daer heel fraeykens inne /
Waer elck uyt eeten magh na sijnen Sinne /
Oock drijven de Visschen in 't Water aldaer /
30 Gezoden / gebraden / ende gebacken / dat 's klaer /
Ende sy komen wel soo na by de kant /
Datse haer laten vangen met de hand:
Oock vliegender omme / met sietse stuyven /
Gebraden Honderen / Gansen / en Duyven /
35 Als die soo luy is dat hyse niet vanght terstont /
Vliegense van selfs wel in de mondt;
En de Verkens groepen daer met so groote hoopen /
Datse / algbraden / 't Landt door loopen /
Ende op den rugge hebben sy steken een Mes /
40 Waer elck een Stuck mede snijd / geloof my des /
Ende steeck' er 't Mes weder in met eenen /
De Kruys beesen wassen als de Steenen:
Die een Paerd heeft wordt een rijck Meyer /
Want sy leggen gantsche Korven vol Eyer.
45 Oock is daer te Lande een Maeghden Fonteyne /
Daer sy har suyver wasschen seer reyne /
Oock worden daer d'oude Lieden jonk en jeugdigh /
Men isser oock seer genoeghlijck en vreughdigh /
Want als men in den doel schiet / of ergens el /
50 Die veerst van 't Wit is / wint dat spel /
In 't loopen wint de Lest alleene /
Op Bolster te slapen is daer gemeene /
Haer Wey-werck en jacht is Vloyen en Luysen /
Met Wantluysen / met Ratten en met Muysen /
55 Oock is daer te Lande goet gelt te winnen /
Soo wie luy is / en slaept lang daer binnen /
Dien geeft men t' elcker wyze eenpaerlijck
Een stuyver / hy slaept wel of bezwaerlijck.
Twee blancken ontfangt hy die een scheet kan laten /
60 Van drie mael te rispen een daelder / t' sijner baten:
Ende soo wie daer quaet is van betalen /
Magh (in plaets van geven) dubbelt wat halen /
Oock soo wie uytnemende quaet is van betalinge /
Soo dat hy een jaer langh toeft met zijn dralinge /
65 Dien moet men alle de schult quijt schelden.
En die daer geerne drinckt met den Gesellen /
Een Braspenningh hy voor elcken dronck ontfangt:
En die de lieden honen kan tegen haer danck /
Dien geeft men een Blaffaert te loone;
70 Voor eenen grooten leugen geeft men een kroone.
Nochtans zie een yegelijck toe / en wacht hem wel
Dat hy hem niet degelyck aen en stel;
Want als men in yemant verstant bevind /
Soo en word hy van geenen menschen bemind;
75 Ende die geerne arbeyd met de hand /
Die word gebannen uyt 't Luy-Leckerland;
Soo wie daer staet na deughd en eerbaerheyd /
Die word verdreven uyt den Lande voorseyd.
Al die onnut is en niet wil leeren /
80 Komt in dat Landt tot grooter eeren:
Maer diemen kent voor alder-luysten trawant /
Die selve word daer Koninck in dat Landt:
Al die daer is wild / en uytsinnigh /
Grof / ruygh / bot / en onverstandigh /
85 Word daer gemaeckt tot eenen Vorst.
So wie oock gaerne vecht met de Lever-worst
Word daer met eeren een Ridder gemaeckt.
Soo wie slock-tafel is / en niet en haeckt /
Als na eeten / drincken / en wel slapen /
90 Die word daer tot een Grave geschapen:
Maer die daer een culpis is / en niet en kan /
Is daer te Lande een groot Edelman.
Soo wie daer leeft van vieren tot thienen /
Sou in dit Luy-Leckerland seer wel dienen.
95 Dit Gedicht is van den Ouden beschreven /
Ende tot onderwijs der Jongers gegeven /
Die gemeenlijck luy en lecker zijn /
Ongeschikt / en onachtsaem tot allen fijn /
Die behoortmen by dit Luy Leckerland te wijsen /
100 Om datse haer ongeschicktheyd laten rijsen /
En datse hebben op arbeyd geen acht;
Want luy en ledigheid noyt deugt en bracht.
t' Amsterdam by d' Erve van die Weduwe G. de Groot Boeck-verkoopster op de Nieuwe Dijk / in de groote Bybel.
(M. de Meyer: 'Een berijmde vertaling van Hans Sachs' "Schlauraffenlandt"', in: Volkskunde 61 (1960), p.149-155. Deze 18e-eeuwse volksprent-tekst gaat waarschijnlijk terug op een 16e-eeuwse rijmdruk.)
Een Contreye isser die heet Luy-Leckerland /
Dat is de luye Deughnieten wel bekant;
Het leyt drie mijlen door lange nachten /
En de geen die daer heen wil met machten /
5 Moet hem veel groote dingen vermeten
En een bergh Boeckweyte-bry door eeten /
Want die is wel drie mylen dick;
Als dan komt hy in een oogenblick
In dat voorseyde Luy-Lekkerlandt /
10 Dat is / om synen rijckdom / wel bekant /
Want de Huysen zijn daer gedeckt met Vladen /
Deur en vensters zijn 'er met Peperkoeken geladen
Van Zyen Speck maeckt men muur en wandt /
En de balken met Braetverkens na mijn verstant /
15 Om elck Huys staet eenen stercken Tuyn /
Die is gevlochten van Braed-worsten bruyn;
Van Malvesey zijn de Fonteynen aldaer /
Van selfs in de mond springende / net en klaer:
De Roffiolen wassen daer in sulcher manieren /
20 Als de Pijn-appelen doen in die quartieren:
En Taerten wassen op de Eycken /
De Struyven op Bercken-rijs / goet om reycken /
d'Esschen boomen daer Pasteyen dragen /
En Wijn-druyven pluckt men aen doorn-hagen /
25 Op de Wilgen wast Witte-brood voor elck /
Daer onder loopen Rivieren van Soete-melck /
't Witte-broodt valt daer heel fraeykens inne /
Waer elck uyt eeten magh na sijnen Sinne /
Oock drijven de Visschen in 't Water aldaer /
30 Gezoden / gebraden / ende gebacken / dat 's klaer /
Ende sy komen wel soo na by de kant /
Datse haer laten vangen met de hand:
Oock vliegender omme / met sietse stuyven /
Gebraden Honderen / Gansen / en Duyven /
35 Als die soo luy is dat hyse niet vanght terstont /
Vliegense van selfs wel in de mondt;
En de Verkens groepen daer met so groote hoopen /
Datse / algbraden / 't Landt door loopen /
Ende op den rugge hebben sy steken een Mes /
40 Waer elck een Stuck mede snijd / geloof my des /
Ende steeck' er 't Mes weder in met eenen /
De Kruys beesen wassen als de Steenen:
Die een Paerd heeft wordt een rijck Meyer /
Want sy leggen gantsche Korven vol Eyer.
45 Oock is daer te Lande een Maeghden Fonteyne /
Daer sy har suyver wasschen seer reyne /
Oock worden daer d'oude Lieden jonk en jeugdigh /
Men isser oock seer genoeghlijck en vreughdigh /
Want als men in den doel schiet / of ergens el /
50 Die veerst van 't Wit is / wint dat spel /
In 't loopen wint de Lest alleene /
Op Bolster te slapen is daer gemeene /
Haer Wey-werck en jacht is Vloyen en Luysen /
Met Wantluysen / met Ratten en met Muysen /
55 Oock is daer te Lande goet gelt te winnen /
Soo wie luy is / en slaept lang daer binnen /
Dien geeft men t' elcker wyze eenpaerlijck
Een stuyver / hy slaept wel of bezwaerlijck.
Twee blancken ontfangt hy die een scheet kan laten /
60 Van drie mael te rispen een daelder / t' sijner baten:
Ende soo wie daer quaet is van betalen /
Magh (in plaets van geven) dubbelt wat halen /
Oock soo wie uytnemende quaet is van betalinge /
Soo dat hy een jaer langh toeft met zijn dralinge /
65 Dien moet men alle de schult quijt schelden.
En die daer geerne drinckt met den Gesellen /
Een Braspenningh hy voor elcken dronck ontfangt:
En die de lieden honen kan tegen haer danck /
Dien geeft men een Blaffaert te loone;
70 Voor eenen grooten leugen geeft men een kroone.
Nochtans zie een yegelijck toe / en wacht hem wel
Dat hy hem niet degelyck aen en stel;
Want als men in yemant verstant bevind /
Soo en word hy van geenen menschen bemind;
75 Ende die geerne arbeyd met de hand /
Die word gebannen uyt 't Luy-Leckerland;
Soo wie daer staet na deughd en eerbaerheyd /
Die word verdreven uyt den Lande voorseyd.
Al die onnut is en niet wil leeren /
80 Komt in dat Landt tot grooter eeren:
Maer diemen kent voor alder-luysten trawant /
Die selve word daer Koninck in dat Landt:
Al die daer is wild / en uytsinnigh /
Grof / ruygh / bot / en onverstandigh /
85 Word daer gemaeckt tot eenen Vorst.
So wie oock gaerne vecht met de Lever-worst
Word daer met eeren een Ridder gemaeckt.
Soo wie slock-tafel is / en niet en haeckt /
Als na eeten / drincken / en wel slapen /
90 Die word daer tot een Grave geschapen:
Maer die daer een culpis is / en niet en kan /
Is daer te Lande een groot Edelman.
Soo wie daer leeft van vieren tot thienen /
Sou in dit Luy-Leckerland seer wel dienen.
95 Dit Gedicht is van den Ouden beschreven /
Ende tot onderwijs der Jongers gegeven /
Die gemeenlijck luy en lecker zijn /
Ongeschikt / en onachtsaem tot allen fijn /
Die behoortmen by dit Luy Leckerland te wijsen /
100 Om datse haer ongeschicktheyd laten rijsen /
En datse hebben op arbeyd geen acht;
Want luy en ledigheid noyt deugt en bracht.
t' Amsterdam by d' Erve van die Weduwe G. de Groot Boeck-verkoopster op de Nieuwe Dijk / in de groote Bybel.
(M. de Meyer: 'Een berijmde vertaling van Hans Sachs' "Schlauraffenlandt"', in: Volkskunde 61 (1960), p.149-155. Deze 18e-eeuwse volksprent-tekst gaat waarschijnlijk terug op een 16e-eeuwse rijmdruk.)
Onderwerp
AT 1930 - Schlaraffenland   
ATU 1930 - Schlaraffenland.   
Beschrijving
Beschrijving van het Luilekkerland. Men komt er door zich door een berg van boekwijtbrij heen te eten. De huizen zijn er opgetrokken uit lekkernijen. Overal is voedsel en drank in overvloed. Het gebraden gevogelte vliegt je zo in de mond, en de varkens lopen er met het bestek al in hun rug. Er is een fontein waar men een verjongingskuur kan nemen. Liederlijk gedrag wordt er beloond: lang slapen, niet werken, niet betalen, winden en boeren laten, vechten, liegen, luiheid, botheid. De deugdzame mens wordt echter uit Luilekkerland verwijderd.
Bron
M. de Meyer: 'Een berijmde vertaling van Hans Sachs' "Schlauraffenlandt"', in: Volkskunde 61 (1960), p.149-155.
Commentaar
18e eeuw
Deze 18e-eeuwse volksprent-tekst gaat waarschijnlijk terug op een 16e-eeuwse rijmdruk. Zie onder Beeld de volksprent.
Schlaraffenland
Naam Overig in Tekst
Luilekkerland   
Leckerlandt   
Luy-Leckerland   
G. de Groot   
Bijbel   
Naam Locatie in Tekst
Amsterdam   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
