Hoofdtekst
'Op zee voelde ik me in m'n element,' zegt hij, 'en omdat ik op de vloot een goede indruk maakte, was ik al gauw dekofficier.' Dat was niet mis, want Jan diende onder niemand minder dan de grote admiraal Maerten Harpertszoon Tromp. Alleen had hij het nadeel onder een scheepsbevelhebber te staan, die nu niet bepaald tot de beste soort behoorde. Het was een nietsnut, die terwille van vermogende familierelaties door de admiraal geduld moest worden. Een bevelhebber, die er handig in slaagde zijn schip buiten schot te houden en zich niet in het vuur van het gevecht waagde. Toen dat op zekere keer onvermijdelijk was, lag de scheepscommandant met z'n al even dappere luitenant spoedig buiten gevecht, terwijl het scheepsvolk, de strijd niet gewend, het schip aan de vijand wilde overgeven. Dat was de kans voor Jan de Lapper. Hij greep de lont en brulde: 'Ik ben nu je kapitein, vechten en de Engelsen flink op hun ribbenkast geven of ik jaag wiend en vijand de lucht in.'
Hij deed of hij de lont wilde ontsteken en had het pleit gewonnen. De mannen vochten als leeuwen. Jan stuurde zijn schip tussen twee vijandelijke bodems door, boorde het ene in de grond, terwijl het andere snel de vlucht nam.
Tromp, die het gebeurde vanaf het admiraalsschip volgde, begreep er niets van, dat het 'juffertje' nu ineens zo moedig was geworden, maar na afloop hoorde hij van Jan de Lapper, wat er gebeurd was. 'M'n ouwe naar de duivel, de luitenant ook. 't Schip zou naar de haaien gaan en ik dacht: nou is 't mijn beurt. Toen hebben we die "rooien" (de Engelsen) flink op hun bast gegeven.' Jan heeft z'n schip veilig in de haven van Texel binnengeloodst en kreeg van de Admiraliteit, door Tromp ingelicht, als bewijs van erkentelijkheid een gouden keten, medaille en een premie van f 250,-.
"Toen ben ik weer op m'n driepoot gaan zitten en dacht wel niet meer naar zee te zullen gaan,' vertelt Jan na een flinke teug. Hij kocht leer voor zijn extraatje, werkte hard, trok zondags de gouden keten om, met zijn vrouw naar de kerk en zou een rustig, gezeten burger zijn gebleven, ware het niet dat Tromp een jaar later Haarlem passeerde op doorreis naar Den Haag en voor de Vischbrug (later Melkbrug) moest wachten.
Jan, die in zijn pothuis zat te werken, merkte de Admiraal op en ging naar hem toe. 'Jij in je pothuis terwijl de trom voor 's lands vloot slaat,' moet Tromp hebben opgemerkt. 'Kijk', vertelt Jan, 'en toen heb ik even precies gezegd hoe ik dacht. Ik zei: "Kijk eens, admiraal, ik ben als overste in Texel binnengelopen en ik wil er alleen als overste uit. En daar geven de Heren blijkbaar de brui aan." "Zou je als luitenant wel willen meedoen," vroeg Tromp. "Nee, kapitein of schoenlapper daar blijf ik bij. Goede reis, admiraal'"En Jan ging weer schoenlappen.
'Ik dacht natuurlijk, dat is voorbij', zegt Jan, 'maar laat er nu een week later een deftige brief uit Den Haag komen.' Onze schoenlapper kon deze niet lezen, maar toen de schoolmeester hem had verteld, wat de inhoud was, haastte hij zich naar huis, trok zijn zondagse pak aan, deed de gouden keten om en gaf als enige verklaring aan zijn vrouw, dat hij bij de heren in Den Haag moest komen.
De heren bleken gevoel voor humor te hebben en een geval als dit heel persoonlijk te kunnen behandelen.
'Wat zoudt u ervan denken, wanneer we u op een plaats als luitenant op een der schepen van de vloot aanstelden,' was hun vraag. Jan weigerde beslist en dacht reeds naar Haarlem te moeten terugkeren zonder enig resultaat, toen een Statenbode op hem toetrad, hem een bandelier omhing, waaraan een degen met zilveren gesp.
De voorzitter van het Statencollege trad op Jan toe en sprak:
"s Lands Staten stellen u aan tot kapitein en gezagvoerder op het oorlogsfregat de Maarsseveen, van twee en veertig stukken.' Dat was meer dan Jan de Lapper had durven hopen. Hij vergat helemaal, dat hij zich in een zo deftig gezelschap bevond en riep uit: 'Nou zullen die Engelsen ervan lusten!'
Tromp benoemde hem tot seconde van zijn vlag. Trouw bleef Jan de Lapper aan de zijde van zijn admiraal, tot hem zijn rechterarm werd afgeschoten.
Ja, en dan komt het slot van zijn levensverhaal. Hoewel gewond, bleef hij de strijd tegen de Engelsen aanvoeren, tot een kogel hem dodelijk trof. Zijn lijk werd naar Haarlem overgebracht en 21 september 1659 in de Grote Kerk begraven.
Strijdend voor het vaderland is deze bijna legendarische Haarlemmer de heldendood gestorven, zoals op een gedenksteen staat, die in 1824 aan zijn vroegere woning werd aangebracht.
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Frans Hals   
Maerten Harpertszoon Tromp   
Jan   
Zwarte Hond   
Jan Barendse   
Maarsseveen   
Tromp   
Naam Locatie in Tekst
Melkbrug   
Vischbrug   
Texel   
Hoogstraat   
Haarlem   
Den Haag   
